Brussels regeerakkoord: Luckas Vander Taelen ziet enkel gemiste kansen

Brussels regeerakkoord: Luckas Vander Taelen ziet enkel gemiste kansen

donderdag 25 juli 2019 13:28

(reactie op opinie van Luckas Vander Taelen in De Standaard van 19.7.2019)

Wie er zoals Luckas Vander Taelen van uitgaat dat de ‘Franstalige partijen in Brussel’ per definitie meer het eigenbelang onderhouden, ontkent de jarenlange lokale samenwerking van sp.a en Groen met PS en met Ecolo. Die inhoudelijke samenwerking is gegroeid omdat de Brusselaar voor heel wat maatschappelijke uitdagingen staat die niet via een communautaire analyse kunnen aangepakt. Meer zelfs, de Brusselse gezinssamenstelling is vandaag meer dan ooit gemengd (en dat zeker voor de Nederlandstalige Brusselaar) en de institutionele tweedeling van Brussel op basis van de historische F en N tweeledigheid ontkent de samenstelling en de dynamieken van onze stad vandaag. Luckas Vander Taelen kiest evenwel in oppositie met een Défi-strategie uitdrukkelijk voor een tweetalig Brussel. Het lijkt me een voortschrijdend inzicht mocht Défi, en bij uitbreiding de Fédération Wallonie-Bruxelles, vandaag onderkennen dat de toekomst van Brussel actieve meertaligheid is. Zowel cultureel, als economisch.

Het is een vaststelling dat de Nederlandstalige partijen in Brussel naar aanleiding van de gewestelijke verkiezingen opnieuw dichter bij een fusiestandpunt voor de plaatselijke overheden zijn gaan aanleunen. Nuance is sowieso niet evident in een gepolariseerd klimaat waarbij de N-VA traditioneel een principieel standpunt inneemt. Luckas Vander Taelen ontwaart daarin geen machtselement (N-VA staat gemeentelijk veel zwakker dan gewestelijk), ook niet als dit gepaard gaat met de verdediging van gemeentelijke en gewestelijke cumulmogelijkheid voor mandatarissen.

Ontkent Luckas Vander Taelen ergens dat de huidige ingewikkeldheid van Brussel vooral dient aangepakt door een gebrek aan homogene bevoegdheden per bestuursniveau. Een herverdeling van die bevoegdheden moet er niet prioritair komen op basis van het aantal mandatarissen per bestuursniveau, maar wel vanuit de taken die een overheid wil en kan uitoefenen voor de bevolking. Het principe van de subsidiariteit bepaalt dat de structuur van de overheid moet gedefinieerd worden op basis van de organisatorische behoeften (investeringscapaciteit, logistieke onderbouw) en op basis van de maatschappelijke betrokkenheid (uitbouw dienstverlening en betrokkenheid van het beleidsniveau). Bij Luckas Vander Taelen primeert het argument dat de Brusselse Vlamingen in het verleden altijd eenduidig voor de fusie van de Brusselse gemeenten zouden hebben gepleit. Quod non.

Vanuit de voorgaande argumentatie is het duidelijk dat als er in het kader van een debat over homogene bevoegdheden meer gewestelijke en/of gemeenschapsbevoegdheden komen, het politieke niveau er alle belang bij heeft om de nabijheid van de mandatarissen te herdefiniëren. (Ik heb het dan niet over alternatieve vormen van basisdemocratie die weliswaar nuttig zijn om de maatschappelijke betrokkenheid bij de wijk of bij de gemeente te versterken.) De huidige gemeentelijke autonomie veronderstelt ook een fiscale autonomie en een discussie in het Brussels parlement over bijvoorbeeld de principes en de grenzen van solidariteit binnen de verdeelcriteria van het Brussels Gemeentefonds. Het afschaffen van zowel de fiscale autonomie van de gemeenten, als van de herverdelende algemene financiering via het gewestelijke Gemeentefonds vraagt nieuwe garanties inzake solidariteit en wat betreft de actieve aanwezigheid/betrokkenheid van de politiek bij wijkgebonden dynamieken.
Concurrentie tussen de gemeenten? De harde discussies in het parlement over de herverdelende verdelingscriteria van het Brussels Gemeentefonds vervang je niet zo maar door een weliswaar goedbedoelde “gelijke behandeling van alle Brusselaars”.

Naarmate een regionalisering de democratische basisdemocratie binnen de plaatselijke besturen inperkt, lijkt een opdeling van de gewestelijke kiesomschrijving noodzakelijk om de lokale verscheidenheid binnen het gewestelijk halfrond te kunnen garanderen. Daarom zou het Parijse voorbeeld van de verkiezing van de Conseil de Paris kunnen overwogen worden. In de plaats van één ‘gewestelijke’ kiesomschrijving wordt het parlement er verkozen op basis van kandidaten uit de 20 departementale (lees: gemeentelijke) kiesomschrijvingen.
Dat een Vlaamse partij als de N-VA daarover struikelt lijkt me logisch. Dat een progressieve opiniemaker de noodzaak van een lokale politieke betrokkenheid en van een evenwicht aan gecentraliseerde én gedecentraliseerde dienstverlening ontkent, lijkt me eerder wereldvreemd.

Wat er in het Regeerakkoord inzake verkeersveiligheid en leefbaarheid van de stad staat over de veralgemening van de zones 30 in het hoofdstedelijk gewest is geen nieuw idee. Het was reeds een kernidee in het beleid van Brussels Staatssecretaris Robert Delathouwer die in 1999 werd verkozen via de SP!aga lijst, de kleine olijfboomlijst met SP (Rufin Grijp), Agalev (Adelheid Byttebier) en onafhankelijken (Yamila Idrissi). 

 

dagelijkse newsletter

take down
the paywall
steun ons nu!