Bombardeerde Trump Syrië op valse gronden?

Bombardeerde Trump Syrië op valse gronden?

zondag 26 juli 2020 09:03
Spread the love

De Amerikaanse media negeren gelekte OPCW informatie waardoor de indruk ontstaat dat er feiten onder het tapijt worden geveegd.

(Vertaling van “Did Trump Bomb Syria on False Grounds?” door Aaron Maté bij The Nation) 

Een reeks gelekte documenten van de Organisatie voor het Verbod op Chemische Wapens (OPCW) geeft ruimte aan de suggestie dat de Trump regering Syrië op valse gronden heeft gebombardeerd en ambtenaren van ‘s werelds beste waakhond voor chemische wapens onder druk heeft gezet om het te verdoezelen. Twee OPCW-functionarissen, hoog aangeschreven wetenschappers met meer dan 25 jaar gecombineerde ervaring bij de organisatie, stelden interne misstanden aan de kaak. Maar in tegenstelling tot veel klokkenluiders uit het Trump-tijdperk, hebben zij binnen de gevestigde kringen in de Verenigde Staten geen voorvechter of zelfs maar een publiek gevonden.

Het bombardement op Syrië door de Trump regering op 13 april 2018 kwam daags nadat het de Syrische troepen ervan beschuldigde bijna 50 mensen te hebben gedood bij een chemische wapenaanval op Douma, een buitenwijk van Damascus. Op grote schaal verspreide videobeelden vertoonden tientallen lijken in een appartementencomplex en een andere groep vermeende slachtoffers van gasaanvallen die in een ziekenhuis werden behandeld. Hoewel het Witte Huis geen beschuldigingen tegen Syrië leverde, overtuigden de schrijnende beelden het Congres en de media ervan de militaire aanvallen toe te juichen (zoals ze het jaar daarvoor onder vergelijkbare omstandigheden deden).

 

Toch waren er gelijk al redenen voor scepsis. De Syrische regering stond op het punt het laatste Douma-bolwerk van Jaysh-al-Islam te heroveren, een door Saudi Arabië gesteunde militie die meedogenloos de Syrische hoofdstad beschoot. Het plotseling inzetten van chemische wapens zou betekenen dat de Syrische strijdkrachten willens en wetens de ‘rode lijn’ overschreden die de Amerikaanse militaire interventie zou veroorzaken. Daaropvolgende rapportages van de Britse journalisten Robert Fisk van The Independent, BBC producer Riam Dalati, en James Harkin’s onderzoek voor The Intercept troffen bewijs aan dat de burgers die gefilmd waren in het ziekenhuis niet in contact waren geweest met een giftig gas.

Het verhaal van de Amerikaanse regering kreeg in maart 2019 een ferme opsteker toen de OPCW een langverwacht eindverslag uitbracht. Het concludeerde dat er “redelijke gronden” waren om te geloven dat er in Douma een chemische wapenaanval had plaatsgevonden en dat “de giftige chemische stof waarschijnlijk moleculair chloor was”.

Dit rapport was echter niet het laatste wat wij van de OPCW meekregen. Sinds mei 2019 onthullen interne OPCW-documenten, waaronder een bundel gepubliceerd door WikiLeaks, dat het oorspronkelijke rapport van de Douma-onderzoekers andere conclusies trok dan de gepubliceerde versie van hun organisatie. Zij werden echter overruled door hoge ambtenaren die bewijsmateriaal voor het publiek verborgen hielden.

De belangrijkste onthullingen van de lekken zijn:

  • Hoge OPCW-functionarissen herwerkten het oorspronkelijke rapport van de Douma-onderzoekers om een versie te produceren die sterk afweek van het origineel. De belangrijkste feiten werden verwijderd of verkeerd voorgesteld en de conclusies werden herschreven om de bewering te ondersteunen dat er in Douma een chloorgasaanval had plaatsgevonden. Maar het eerste rapport van het team concludeerde niet dat er een chemische aanval plaatsvond en liet de mogelijkheid open dat slachtoffers werden gedood bij een ‘niet-chemisch gerelateerd’ incident.
  • Vier experts uit een OPCW- en NAVO-lidstaat hebben op verzoek van het OPCW-team een toxicologische beoordeling uitgevoerd. Ze concludeerden dat de waargenomen symptomen van de burgers in Douma, met name het snelle optreden van overmatig schuimen vanuit de mond, evenals de concentratie van slachtoffers die in het appartementsgebouw zo dicht bij de frisse lucht werden gefilmd, ‘niet consistent waren met blootstelling aan chloor, en niet gerelateerd konden worden met een andere voor de hand liggende kandidaat chemische stof die deze symptomen veroorzaakt’.
  • Chemische tests van de in Douma verzamelde monsters toonden aan dat chloorverbindingen in de meeste gevallen aangetroffen werden in grootte niet verder kwamen dan ‘delen per miljard’. Toch werd deze bevinding niet openbaar gemaakt. Verder bleek later dat de chemicaliën zelf niet opvielen als uniek: volgens de auteur van het eerste rapport, de OPCW’s topexpert op het gebied van chemische wapenchemie, zouden ze het gevolg kunnen zijn van contact met huishoudelijke producten zoals bleekmiddel of afkomstig zijn van gechloreerd water of houtconserveringsmiddelen.
  • De auteur van het eerste rapport protesteerde tegen de herzieningen in een e-mail waarin hij zijn ‘grootste zorg’ uitdrukte. De gewijzigde versie ‘geeft een verkeerde voorstelling van de feiten’, schreef hij, en ‘ondermijnde daarmee de geloofwaardigheid’.
  • In reactie op de protest e-mail over de manipulatie van de bevindingen van het team, publiceerde de OPCW in juli 2018 een afgezwakt tussentijds rapport. Rond die tijd besloten OPCW-leidinggevenden dat de zaak zou worden behandeld door een zogenaamd ‘kernteam’,  dat echter alle Douma-onderzoekers die naar Syrië waren gereisd uitsloot, op één paramedicus na. En het was dit kernteam – niet de inspecteurs die naar Douma waren uitgezonden en het originele document hadden ondertekend – dat het eindrapport van maart 2019 heeft opgesteld.
  • Na de e-mail van protest en slechts enkele dagen voordat het tussentijdse rapport op 6 juli werd gepubliceerd, ontmoette een delegatie van de Amerikaanse regering leden van het onderzoeksteam om hen ervan te overtuigen dat de Syrische regering een chemische aanval met chloor had gepleegd. Volgens ervaren verslaggever Jonathan Steele, die een van de klokkenluiders interviewde, zag het Douma-team de bijeenkomst als “onaanvaardbare druk en een schending van de door de OPCW verklaarde principes van onafhankelijkheid en onpartijdigheid”. Inmenging door staatspartijen is krachtens het ‘verdrag chemische wapens’ uitdrukkelijk verboden.
  • De gevolgtrekking uit het eindrapport van de OPCW – ruimhartig verspreid, onder meer door de Trump regering – was dat gasflessen die in Douma zijn gevonden waarschijnlijk afkomstig waren van Syrische militaire vliegtuigen. Een niet-gepubliceerd technisch onderzoek kwam tot de tegenovergestelde conclusie. De studie evalueerde concurrerende hypothesen: ofwel werden de cilinders vanuit naarbenede gegooid of werden ze handmatig geplaatst. Er is “een grotere kans”, concludeerde de studie, “dat beide cilinders met de hand werden geplaatst … in plaats van te zijn gedropt vanuit vliegtuigen.” Op ‘Locatie 4’, waar een cilinder op een bed werd gevonden, bleek uit de studie dat de cilinder te groot was om door het gat in het dak erboven te zijn doorgedrongen; op de andere locatie, “Locatie 2”, waren de waargenomen schade aan de cilinder en aan het dak dat naar verluidt was doorgedrongen onverenigbaar met een vliegtuigbombardement. Ballistische experts zeiden ook dat het waarschijnlijker was dat de krater was gemaakt door een explosie, waarschijnlijk door een artilleriegranaat, een raket of een mortier. Met beide cilinders concludeerde de studie dat “de alternatieve hypothese’ – dat de cilinders handmatig werden geplaatst en dat de kraters op andere manieren werden veroorzaakt – ‘de enige plausibele verklaring was voor waarnemingen ter plaatse”.
De OPCW-leiding heeft nog geen inhoudelijke verklaring gegeven waarom zij kritische bevindingen hebben verzwegen en het oorspronkelijke rapport radicaal heeft gewijzigd. In plaats daarvan heeft het zich op denigrerende wijze uitgelaten over de twee leden van het Douma-team die de manipulatie van hun onderzoek hebben aangevochten.
 
De eerste dissidente onderzoeker staat alleen bekend als inspecteur B (zijn identiteit is publiekelijk niet bevestigd). B was de wetenschappelijke coördinator van de Douma-missie, de belangrijkste auteur van het conceptrapport en de latere auteur van de protest e-mail over de ongewenste bewerking.

De tweede onderzoeker, door de OPCW beschreven als inspecteur A, is Ian Henderson, een chemisch ingenieur en ballistiekdeskundige die de studie heeft geschreven en concludeerde dat de cilinders waarschijnlijk met de hand waren geplaatst. Henderson ging naar Douma en deed gedetailleerde metingen op een van de cilinderlocaties.
 

In publieke uitlatingen beweerde OPCW directeur-generaal Fernando Arias dat het tweetal “opzettelijke en met voorbedachten rade gemaakte inbreuken op de vertrouwelijkheid” heeft gepleegd, maar hen er niet van beschuldigd het OPCW-materiaal te hebben gelekt. Arias stelt dat de “zorgen van inspecteur B” serieus werden genomen “, zonder op een zinvolle manier te verklaren waarom de bevindingen in het oorspronkelijke rapport van B niet in de definitieve versie waren opgenomen. Hij heeft het tweetal ook afgedaan als minder belangrijke spelers die weigerden te accepteren dat hun conclusies ‘foutief, niet geïnformeerd en onjuist’ waren.

 

Toch zijn de beide inspecteurs niet bepaald van het type waar je buitensporig gedrag van zou verwachten. Integendeel. Henderson en inspecteur B hadden respectievelijk 11 en 16 jaar bij de OPCW gewerkt. Interne OPCW-beoordelingen van hun werkprestaties bieden uitbundige lof. In 2005 schreef een leidinggevende OPCW-functionaris dat Henderson consequent “de hoogst mogelijke beoordeling heeft ontvangen. (…) Ik beschouw [hem] als een van de beste van onze inspectieteamleiders.” Inspector B, een OPCW-chef schreef in 2018, ‘heeft het meest bijgedragen tot de kennis en het begrip van de chemie van CW [Chemical Weapons] toegepast op inspecties.’ In een andere evaluatie beschreef een andere manager B als “een van de meest gewaardeerde” teamleiders, wiens “ervaring binnen de organisatie, het verificatieregime en oordeelkunde ongeëvenaard is.”
De interne lof voor de inspecteurs staat in contrast met wat de OPCW-leiding nu in het openbaar over hen zegt. Dit omvat o.m. het maken van onware beweringen. Arias heeft gezegd dat Henderson “geen lid was van de FFM [onderzoeksmissie]” in Douma, maar gelekt materiaal dat ik onder ogen kreeg, toont aan dat die bewering onjuist is. Gelijktijdige OPCW-documenten beschrijven Henderson als een FFM-lid en vermelden hem in de lijst van “Missiepersoneel” van de groep inspecteurs van de Douma-missie.
De twee inspecteurs zijn ook niet de enige die hun bezorgdheid uiten. Eerder dit jaar vertelde een andere OPCW-functionaris mij, op voorwaarde van anonimiteit, dat ze “geschokt” waren door de “weerzinwekkende … wanbehandeling” van het paar. “Ik sta volledig achter hun inspanningen”, schreef de ambtenaar. “Ze proberen juist de integriteit de organisatie te beschermen die gehijacked werd en wier goede naam in opspraak is geraakt.”
 
Ook de behandeling van de klokkenluiders door westerse media verdient kritiek. Ondanks de explosieve aard van het verhaal, heeft het een soort van collectieve onverschilligheid opgeroepen. Terwijl eerdere WikiLeaks-onthullingen hele nieuwscycli hebben aangewakkerd, hebben geen grote Amerikaanse mediakanalen gerapporteerd over het OPCW Douma-dossier. CNN en MSNBC, die beiden het besluit van Trump steunden om Syrië te bombarderen, hebben het OPCW-verhaal genegeerd. De enige keer dat een New York Times-verslaggever het Douma-schandaal heeft genoemd, was terloops. The Times degradeerde de uitgebreide OPCW-lekken tot slechts een “e-mail van een onderzoeker”. (Het verschool zich achter Bellingcat’s verzekering van Syrische schuld, zonder te vermelden dat dat een open source-onderzoeksoutlet is – afhankelijk van westerse overheidsfinanciering  onder meer uit de VS via de National Endowment for Democracy.). Zelfs progressieve, tegendraadse nieuwssites die normaliter klokkenluiders hebben verdedigd en Amerikaanse oorlogen bekritiseerden, hebben dit verhaal gemeden. The Guardian beschreef de beweringen van de klokkenluiders als ‘een door Rusland gedicteerde affaire‘ in plaats van het te zien als een poging van twee ervaren inspecteurs om hun onderzoek te verdedigen.
 
Wat kan de verklaring zijn voor deze overheersende stilte? Het is zeker waar dat de Syrische regering en haar Russische bondgenoot de beschuldigingen van het gebruik van chemische wapens krachtig hebben ontkend, ook in Douma. Maar net zoals Irak ten onrechte werd beschuldigd van het bezit van massavernietigingswapens, mag scepsis over westerse claims niet worden gelijkgesteld met steun voor het doelwit-regime. De Irak-zaak herinnert ons er in ieder geval aan dat dergelijke beschuldigingen niet gepolitiseerd mogen worden en de moeite waard zijn om onderzocht te worden, vooral als ze worden gebruikt om militaire actie en andere agressieve maatregelen, waaronder verlammende sancties, te rechtvaardigen.
 

De mogelijkheid dat de Verenigde Staten Syrië mogelijk hebben gebombardeerd op basis van leugens – en druk hebben uitgeoefend op een mondiale onderzoeksinstantie om die interventie legitimiteit achteraf te verlenen – zou de mediablokkade moeten doorbreken. Dat geldt ook voor het feit dat het werd onthuld door klokkenluiders die bereid waren een risico te lopen door zich uit te spreken.

Het recente verleden van de Amerikaanse regering met de OPCW kent een grimmige verleden. In 2002 verdreef de regering-Bush de eerste directeur-generaal van de organisatie, José Bustani. De doorgewinterde Braziliaanse diplomaat onderhandelde met Bagdad over wapeninspecties die de inspanningen van de regering-Bush om een oorlog te beginnen mogelijk belemmerden. Bustani heeft sindsdien onthuld dat John Bolton, die toen als staatssecretaris diende, hem en zijn familie persoonlijk bedreigde om hem te dwingen af te treden.

 
Bustani staat opnieuw recht tegenover Bolton. In zijn nieuwe memoires over zijn ambtstermijn als nationale veiligheidsadviseur van Trump, vertelt Bolton dat hij toezicht hield op de Amerikaanse aanvallen op Syrië op grond van de beschuldigingen van Douma, en betreurde hij alleen dat Trump geen grotere aanval goedkeurde. Bustani nam ondertussen deel aan een panel van oktober 2019 dat een uitgebreide presentatie hoorde van een van de Douma-klokkenluiders.

“Het overtuigende bewijs van onregelmatig gedrag in het OPCW-onderzoek naar de vermeende chemische aanval door Douma bevestigt de twijfels en vermoedens die ik al had”, schreef Bustani. “Het beeld is nu zeker duidelijker, hoewel erg verontrustend.” Zijn hoop, voegde hij eraan toe, is dat de verontwaardiging over de Douma-lekken “een proces zal katalyseren waardoor de [OPCW] kan worden opgewekt om de onafhankelijke en niet-discriminerende instantie te worden die het vroeger was”.

Bustani is een van de prominente ondertekenaars van een brief waarin de OPCW wordt opgeroepen om de inspecteurs van Douma vrijelijk hun onderzoek te laten bespreken. Henderson legde een verklaring af tijdens een VN-sessie in januari, maar de Verenigde Staten hebben andere pogingen gedwarsboomd. (Volgens de Russische afgezant van de OPCW maakte een Amerikaanse vertegenwoordiger bezwaar tegen het feit dat een hoorzitting in Douma “de Russische zijde zou aanmoedigen om stalinistische processen te herhalen, met kruisverhoren en intimidaties van getuigen.”)
De inspecteurs willen gewoon gehoord worden. In verklaringen aan Arias dit jaar vroegen beide klokkenluiders om een gelegenheid om het bewijs van Douma op transparante, wetenschappelijke wijze te mogen openbaren. “Onze enige plicht is om trouw te zijn aan de feiten en de wetenschap, en als dat eenmaal is bereikt, zullen we graag de bewezen en overeengekomen wetenschappelijke resultaten accepteren”, schreef Henderson.‘Er was iets misgegaan binnen de OPCW, meneer’, zei [inspecteur] B tegen Arias. ‘En we wilden dat u het wist.Zo simpel is het”.
Creative Commons

dagelijkse newsletter

take down
the paywall
steun ons nu!