Bijna twee derden van de Belgen wil dat Theo Francken de toevloed aan migranten stopt!

vrijdag 14 augustus 2015 06:33

Staatssecretaris Francken heeft van de regering fiat gekregen om 2.500 extra opvangplaatsen te zoeken. Kostprijs 80 miljoen op jaarbasis.  Die bruuske uitbreiding moet er komen omdat het aantal asielaanvragen vanuit Syrië, Irak, Afghanistan en Somalië in juli en augustus plots enorm gestegen is. Het is ‘hoogseizoen’ zegt Francken. Maar dat was vorige week. Ondertussen heeft Francken in de Kamercommissie Binnenlandse Zaken bevestigd dat er op lange termijn uitgekeken wordt naar 10.000 extra ‘flexibele’ opvangplaatsen.

Hoe zal de Staatssecretaris dat aan de Belgen uitleggen ? Afgelopen week heeft het onderzoeksbureau ISPOS de resultaten bekend gemaakt van hun vierde onderzoek naar de houding van de Belgen tegenover migratie. Datzelfde onderzoek werd ook gevoerd in nog 24 andere landen, verspreid over de gehele wereld. En dan blijkt dat bij uitstek de Belgen erg negatief staan tegenover migratie. 61 % vindt dat er teveel migranten zijn en 58 % is overtuigd dat de migranten de levensomstandigheden van de Belgische samenleving ondermijnen (www.Ipsos.com).

Dat soort opiniepeilingen wordt door de media altijd gretig aangegrepen. Het heeft iets schokkends; het lijkt erop dat nu eindelijk zwart op wit de waarheid gezegd wordt. De werkelijkheid is dat ze vooral niets nieuws vertellen. Al 25 jaar lang worden met regelmaat opiniepeilingen gepubliceerd die de houding van de Vlamingen en Belgen tegenover vreemdelingen vertolken.

Voor het eerst in 1990 verrichte het Leuvense Sociologisch Onderzoeksinstituut een nationaal survey-onderzoek (Onbekend of Onbemind?) bij de Belgische bevolking naar de beeldvorming en de houding ten aanzien van migranten.

Billiet, Carton en Huys interviewden 1.600 respondenten uit Vlaanderen, Brussel en Wallonië. Er werd onderzocht wie de Belgen als vreemdelingen beschouwden, wat hun kennis was over de vreemdelingen en wat hun positieve en negatieve ervaringen waren met vreemdelingen. Men peilde naar de attitudes ten opzichte van de vreemdelingen, welke rechten men hen wilde toekennen en wat de rol van de overheid moest zijn. In dezelfde periode werden toen ook al internationale opiniepeilingen gehouden, waar de Belgische bevolking deel van uitmaakte, zoals de Eurobarometers of de Europese waardenstudies .

Het was in 1990 nog niet zo erg gesteld met de houding van etnocentrisme en xenofobie in België. De schok van de parlementsverkiezingen van Zwarte Zondag, op 24 november 1991, waarbij het Vlaams Blok ineens 10 % van de stemmen haalde, moest er nog aankomen. Slechts in Brussel en Borgerhout waren de vreemdelingen een probleem. Bijna 18% van de inwoners van Borgerhout en 13 % van de Brusselaars wezen de migranten aan als oorzaak van de verkommering van de levensomstandigheden. In Vlaanderen en in Wallonië kwam dat zo goed als niet voor. Milieuproblemen in Vlaanderen en werkloosheid in Wallonië waren nog veel belangrijker.

Er waren tot dan toe positieve indicaties dat de aanvaarding van migranten mogelijk was. Dat neemt niet weg dat er toch een ruime verspreiding was van negatieve opvattingen, beelden, gevoelens en houdingen van Belgen tegenover vreemdelingen. Er was de vrees voor het onbekende, met hardnekkig levende misverstanden en vooroordelen, waar het Vlaams Blok in Vlaanderen op inspeelde. De migrantenbevolking werd wel aanvaard, maar ze was niet gewenst. Ervaringen met jongeren van vooral Turkse en Marokkaanse oorsprong, van de tweede en derde generatie, met Islamitische achtergrond, vormden een bedreiging. Die weerstand riep bij diezelfde jongeren dan weer nieuwe reacties op. Billiet, Carton en Huys voorspelden op basis van hun onderzoek in 1990 dat de migrantengemeenschap geen rimpelloze integratie tegemoet zou gaan, wat een ‘zeer doorgedreven maar voorzichtig beleid’ noodzakelijk zou maken.

De Leuvense onderzoekers stelden vast dat voor de Belgen in 1990 de ‘veemdelingen’ steevast Turken en Marokkanen, en dus ‘moslims’ waren. Zij waren slechts in een paar steden zichtbaar in het straatbeeld, maar desondanks overschatte ruim een derde van de Belgen hun aantal. Er was trouwens een direct verband tussen de negatieve houding en het overschatten van het aantal. Hoe negatiever, hoe groter de overschatting. 2/3 van diegenen met een uitgesproken negatieve houding gingen er van uit dat België meer dan 20 % vreemdelingen telde.

Nochtans had slechts circa 10 % van de Vlamingen en de Walen met vreemdelingen in hun buurt te doen. Zelfs op die plaatsen met hoge concentraties, zoals Borgerhout en Brussel, bestonden er slechts contacten van op afstand. In Genk waren er meer rechtstreekse contacten en kende een meerderheid ook de vreemdelingen persoonlijk.

Meer dan 40 % van de Vlamingen en de Brusselaars wenste Noord-Afrikanen of Turken niet als vriend of buur. In Brussel en Borgerhout wenste zelfs 30 % hen niet op het werk of in de gemeente. De Walen daarentegen stonden positiever ten overstaan van Noord-Afrikanen en Turken.

Toch bestond er ook behulpzaamheid, vriendschap en gastvrijheid. Die positieve ervaringen waren in grote mate verbonden met contacten in de nabije leefwereld zoals het werk en de school, ontspanningsgelegenheden en de buurt. De onderzoekers stelden vast dat ‘de negatieve ervaringen toegeschreven werden aan de brede etnische groep terwijl de positieve ervaringen zeer geïndividualiseerd waren.’ Daarom bepaalden die positieve ervaringen veel minder de stereotypering; ze fungeerden als uitzonderingen. Vanzelfsprekend berustten die stereotyperingen op een geringe kennis over de migrantengemeenschap. Vooreerst beschouwde men alle migranten ten onrechte als Maghrebijnen en Turken die de islam aanhingen; en betreffende de islam wist de overgrote meerderheid alleen dat de Koran en de Ramadan bestonden. In Brussel en Borgerhout was de kennis vanuit de grotere betrokkenheid ruimer. Vooral in Vlaanderen wenste men dat de vreemdelingen zich zouden aanpassen, betreffende kennis van de Nederlandse taal en de klederdracht. Een ruime meerderheid vond dat de buitenlanders die in België woonden moesten leven zoals zij.

In verband met de rol van de media stelden de onderzoekers vast dat bij uitstek diegenen die geen kranten lazen of naar nieuwsberichten luisterden de meest uitgesproken tegenstanders waren. Daarentegen, informatie over moslims in de media had grote invloed. Zelfs was het spectrum van televisiezenders te verdelen over voor- en tegenstanders: Vlamingen en Walen die respectievelijk naar VTM en RTL keken, kenmerkten zich door een uitgesproken negatieve houding.

Uit het onderzoek bleek dat de kans op de aanwezigheid van negatieve houdingen het grootst was bij de ouderen (+ 45 jaar) zonder opleiding hoger onderwijs, met moslims in hun woonbuurt en zelf ook niet geïntegreerd in hun woonomgeving. Daartegenover, de meest tolerante houding kwam voor bij de hoger geschoolden, jonger dan 45 jaar, die geen moslims in hun woonomgeving hadden en zich wel engageerden in hun woonomgeving. Het was de grens van het hoger middelbaar of hoger onderwijs die de tweedeling aanbracht. Het effect van de buurtbewoners speelde slechts een rol bij mensen ouder dan 45 jaar.

Daarnaast waren het de politiek machtelozen (zij die geen geloof in de toekomst hadden, die anderen wantrouwden en weinig geloof hadden in hun eigen mogelijkheden) die zich lieten verleiden tot negatieve houdingen: de ouderen, de lager geschoolden, de vrouwen, de lagere inkomens, de maatschappelijk minst bedeelden, en de groep die zichzelf katholiek noemde, maar nauwelijks of niet praktiseerde. Dat laatste was opvallend, maar zou er volgens Billiet, Carton en Huys kunnen op wijzen dat integratie in het maatschappelijk leven en algemeen welzijn, zoals participatie aan het verenigingsleven, bijvoorbeeld door deelname aan het kerkelijk leven, gevoelens van xenofobie afremt. Negatieve houdingen kwamen klaarblijkelijk veel minder voor bij niet-katholieken, of bij diegenen die zich nadrukkelijk van de Kerk afkeerden, of bij katholieken die wel regelmatig praktiseerden.

Het gevoel van machteloosheid, deze subjectieve factoren, waren belangrijker dan het objectieve gebrek aan welstand: ‘De machteloosheid wordt afgewenteld op de migranten in wie men een bedreiging ziet; en deze bedreiging geeft een toenemend gevoel van machteloosheid bij welbepaalde categorieën van de bevolking’, aldus de Leuvense onderzoekers. Mensen zochten schuldigen voor hun ongenoegens. Diegenen die zij dan als hun minderen ervaarden, werden gemakkelijk de zondebok; zij waren bedreigend voor de schaars beschikbare goederen. Men keerde de verhouding om in de overtuiging dat migranten bevoordeeld werden ten opzichte van henzelf. De minderen werden de meerderen omdat zij op zoveel meer geluk konden rekenen waar zij zelf geen recht op hadden. Billiet, Carton en Huys citeerden een Brusselse respondent uit het onderzoek: ‘De Turken krijgen goedkope leningen. Ze moeten geen belastingen betalen en krijgen veel kindergeld. Turkse kinderen krijgen studiebeurzen en aan de onze wordt dat geweigerd omdat mijn man teveel verdient. De Turken zitten de ganse dag op café te kaarten. De Turkse vrouwen zitten hier op het pleintje te breien. Aan de dop zijn het allemaal Turkse vrouwen. Moesten ze werken zoals wij, goed, maar het zijn allemaal profiteurs.’

Op het politieke plan bleek dat 7/10 van het electoraat van het Vlaams Blok een uitgesproken negatieve houding droeg tegenover veemdelingen, waarvan zelfs 3/10 extreme tegenstanders waren. Het kiespubliek van het Vlaams Blok bestond uit mensen uit het landelijke Vlaanderen, hoger opgeleide Vlaamse nationalisten uit betere stadswijken, jonge radicalen die ten dele uit christelijke milieus afkomstig waren en ouderen met geringe maatschappelijke kansen die oorspronkelijk overwegend uit de socialistische wereld afkomstig waren. Deze laatsten woonden in de grootstedelijke volksbuurten.

De onderzoekers geloofden in 1990 nog dat de successen van partijen die het migrantenthema uitbuitten een fase was waar men doorheen moest. Zij waren overtuigd dat zolang de sociaaleconomische integratie geen vooruitgang boekte, rechts extremisme aanwezig zou blijven omdat het migrantenvraagstuk in toenemende mate onbeheersbaar en bedreigend aanwezig zou zijn. De maatschappelijke en economische integratie moest slagen, samen met het bevorderen van positieve contacten tussen Belgen en migranten. Daarop aansluitend kon het welzijnsbeleid dat gericht was op de verbetering van de kwaliteit van het leven in kansarme buurten onrechtstreeks een sterke remedie zijn tegen vreemdelingenhaat. De zogenaamde anomie, waar xenofobie uit voortkwam, had te maken met een onvoldoende integratie in het maatschappelijke leven. ‘Die signalen van de kiezers’, stelden Billiet, Carton en Huys in 1990,’werden nog onvoldoende begrepen’.

Ondertussen zijn we 25 jaar verder in de eenentwintigste eeuw beland. Sindsdien zijn er tientallen soortgelijke opiniepeilingen gebeurd die vooral aan het licht hebben gebracht dat de houding van de Vlamingen en de Belgen cumulatief negatiever geworden is. In 1990 wees slechts 13 % van de Brusselaars en 18 % van de inwoners van Borgerhout de migranten af. Dat waren vooral ouderen, laaggeschoolden en mensen met lage inkomens die weinig kansen hadden gehad. Zij waren zelf een marginale groep. Vandaag verzetten bijna twee derden van de Belgen zich tegen de vreemdelingen.

De signalen van de kiezer, waar de Leuvense onderzoekers het politieke milieu 25 jaar geleden attent op maakten, zijn steevast onbenut gebleven.

Paul De Roo  is doctor in de Politieke Wetenschappen en promoveerde op een onderzoek naar de ontstaansgeschiedenis van het ‘migrantenprobleem’.

dagelijkse newsletter

take down
the paywall
steun ons nu!