Bezoek aan twee Palestijnse vluchtelingenkampen in Libanon
Midden oosten, Libanon, Palestijnen, Politieke vluchtelingen -

Bezoek aan twee Palestijnse vluchtelingenkampen in Libanon

woensdag 31 augustus 2011 15:51

In de zomer van 2011 trok ik naar twee Palestijnse vluchtelingenkampen in Libanon, nabij Tripoli en Saïda. Ik had er interviews met lokale families, vertegenwoordigers van politieke partijen en aid workers.

Inderdaad, Palestijnse vluchtelingen vind je terug op vele plaatsen ter wereld. Hun vlucht in 1948 was een rechtstreeks gevolg van een idee dat bij bepaalde naties en politieke belangengroepen leefde: de oprichting van een nieuwe staat. ‘A land without a people for a people without a land’ was de leuze.

Maar men was fout: er waren wel mensen aanwezig. En zoals typisch voor het Midden Oosten hebben zaken die heden ten dage met het blote oog zichtbaar zijn een heel lange geschiedenis.

Kijk maar naar Libanon. Sinds 1948 zijn vele Palestijnse families naar dit land gevlucht, met het idee er te gaan ‘wachten’ om naar hun huis terug te keren. Anno 2011, precies 63 jaar later, wacht men nog steeds.

Immers, artikel 11 van VN resolutie 192 erkent formeel het Recht op Terugkeer voor alle Palestijnse vluchtelingen naar hun plaats van herkomst. En dus blijven tal van Palestijnse politieke partijen de samenleving met mythes voorzien dat iedereen ooit zal kunnen terugkeren naar hun thuisland. Wachten dus. Maar 63 jaar wachten doe je natuurlijk niet in stilte, noch doe je dat in gunstige omstandigheden, althans, toch niet in Libanon.

In Libanon leven, volgens cijfers van UNRWA, de United Nations Relief and Works Agency for Palestinian Refugees, tussen 350.000 à 400.000 Palestijnse vluchtelingen, dit verspreid over twaalf vluchtelingenkampen.

Deze vluchtelingenkampen situeren zich over het hele land en zijn juridisch gezien geen deel van de Libanese staat. Daardoor zijn deze kampen veeleer kleine staatse eilandjes binnen Libanon dan ‘echte’ vluchtelingenkampen.

Zo heeft elk kamp zijn eigen politieke realiteit, een specifieke geschiedenis en bepaalde graad van economische en sociale ontwikkeling. De meeste kampen in het zuiden en noorden van het land, inclusief Nahr-El-Bared en Ein-El-Helweh, zijn bovendien volledig afgebakend van de buitenwereld en omsingeld door het Libanese leger, waardoor het mij een week kostte om de kampen te betreden.

Van vrijheid van beweging is dus niet meteen sprake. Maar dat is niets nieuw. Zoals vaak wordt aan de fundamentele basisrechten van politieke vluchtelingen maar weinig gevolg gegeven. Het uitgangspunt van de internationale gemeenschap is niet ‘waar hebben vluchtelingen recht op’ maar wel ‘wat hebben vluchtelingen nodig.’

En dat zie je: het recht op eigendom en het recht op werken is niet van toepassing voor Palestijnse vluchtelingen. Ze hebben geen recht om een appartement te bezitten in Libanon, en is dat toch het geval, dan gaat bij de dood van de eigenaar het pand meteen naar de Libanese staat. Ook werken in Libanon is verboden voor Palestijnen.

Goed is wel dat de Hezbollah, een militante/politieke partij in Libanon, er enkele maanden geleden heeft voor gezorgd dat Palestijnen mogen werken in Libanon. Maar dit is enkel voor laagbetaalde jobs die Libanezen niet wensen in te vullen. Bovendien is deze rechtskeuze voornamelijk het gevolg van strategische overwegingen in plaats van politieke overtuigingen.

Immers, de Palestijnse vluchtelingen hebben nog een massa wapens in de kampen, om zichzelf te beschermen tegen onrecht van buiten uit (Sabra & Shatila, herinner je?) en om ooit de strijd aan te gaan met Israël. De Hezbollah leeft momenteel nog in staat van oorlog met Israël, en kan dus, als het terug op een confrontatie aankomt, de hulp van Palestijnse milities goed gebruiken. Daarom moet de partij soms doen alsof ze met het lot van de Palestijnen inzit.

Een andere instituut dat geeft om de levensstandaard van Palestijnse vluchtelingen is UNRWA. Deze tak van de Verenigde Naties is in 1950 opgericht om tegemoet te komen aan alle sociale en economische noden van de Palestijnse vluchtelingen.

Het zorgt voor primaire en secundaire scholen, hospitalen en infrastructuur voor alle Palestijnse vluchtelingen in Libanon en daarbuiten. Maar ondanks alle goede bedoelingen, geeft een bestendiging van 63 jaar in Libanon veeleer de indruk dat het instituut er is om een objectief onleefbare situatie leefbaar te houden, dan dat het juridische en politieke verantwoordelijkheid opneemt voor de Palestijnse vluchtelingen. Bovendien is de tendens dat de financiering voor het UNRWA jaar na jaar afneemt, terwijl er net nood is aan meer.

Openlucht gevangenis Ein-El-Helweh

Ein-El-Helweh. Een openlucht gevangenis in het zuiden van Libanon.

En dat er nood is aan meer, dat wist Fadel Taha, de politieke vertegenwoordiger voor Hamas, mij in Ein-El-Helweh met een concreet voorbeeld duidelijk te maken.

Op het einde van een interview, waar de klemtoon iets te nadrukkelijk lag op de politieke verhoudingen in het kamp, werd ik verontwaardigd tegengehouden om het kantoor te verlaten. ‘But don’t you want to know what happened with Mohammed,’ was de vraag. Enigszins verbaasd nam ik terug plaats in de zetel. Natuurlijk wou ik dat verhaal horen.

Fadel Taha vertelde me dat zijn politieke partij in de clinch lag met het UNRWA omtrent de dood van een kleine peuter, Mohammed Nadil Tahed. Die was enkele dagen voordien gestorven aan de ingang van een lokaal hospitaal, omdat de UNRWA niet wou instaan voor de medische zorgen voor het kind. Te duur, zo luidde het.

Op hetzelfde moment was er wel genoeg geld om een zomerkamp voor kinderen te organiseren, en om daarvoor honderden affiches te drukken. Hamas begreep niet waarom UNRWA zoveel geld pompte in het zomerkamp en het propageren ervan, terwijl er een kind op sterven lag die kon genezen worden.

De partijleiding vond dat UNRWA de zomerkampen gebruikt als politieke propaganda om zo de buitenwereld het gevoel te geven dat de vluchtelingen toch goed worden verzorgt in de kampen.

Enkele weken later nam ik vanuit België terug contact op met Fadel. Toen ik hem vroeg aan welke ziekte het kind nu net was overleden, was het antwoord ‘a paralysis, something in the brain and it could not move anymore.’ Toen ik doorvroeg over welke ziekte het nu precies ging, vond Fadel het raar dat ik niet genoeg had aan ‘a paralysis.’ Pas achteraf werd me duidelijk dat er in het kamp gewoon niet veel moeite werd gedaan om een adequate diagnose te stellen.

De partijleiding van Hamas heeft wel een punt als ze zeggen dat de zomerkampen van UNRWA een te positief beeld in de wereld sturen. In Ein-El-Helweh zie je kleine kinderen rondrijden op scooters, tegen een veel te hoge snelheid en met te veel plezier. Zoiets behoren ze niet te doen, want het is gevaarlijk. Je ziet mannen met lange baarden en kalasjnikovs verveelt thee drinken, en hoort ze discussiëren over hoe Israël in de toekomst aan te vallen.

Vrij naïef, als je weet dat ze in feite opgesloten zitten in een kamp van twee meter op twee, en het Libanese leger met één vingerknip heel het kamp kan platleggen.

De combinatie van verveling, opsluiting en een massale aanwezigheid van wapens zorgt er dan ook voor dat de veiligheid in het kamp de wensen overlaat. In 2008 werden er verschillende mensen tijdens conflicten tussen politieke fracties doodgeschoten. Momenteel is het rustig en stabiel, dat voel je. Maar zoals een vertegenwoordiger van PFLP me wist te zeggen: het kan altijd weer ontploffen. Kijk maar naar de oorlog in Nahr-El-Bared in 2007.

Nahr-El-Bared: of over hoe een rad en botsauto’s cynisme uitstralen

Nahr-El-Bared is een Palestijns vluchtelingenkamp in het noorden van Libanon, nabij Tripoli. Tot en met 2007 was dit kamp het grootste vluchtelingenkamp in Libanon, met een relatief goede economie. Maar in het midden van 2007 brak er een oorlog uit tussen een Fatah-Al-Islam en het Libanese leger.

Fatah-Al-Islam was een Salafistische militie waarvan de strijders afkomstig waren uit het gehele Midden Oosten. Ze infiltreerden het vluchtelingenkamp Nahr-El-Bared in 2005. Daar konden ze ongezien trainen en wapens smokkelen, want het kamp is het enige gelegen aan de zee.

Door hun ambigue agenda konden ze geld loskrijgen van twee partijen: van Soennieten door te zeggen dat ze zich zouden verzetten tegen de Sji’itische machtsuitbreiding in Libanon, en van de Sji’ieten door te zeggen dat ze de gewapende strijd tegen Israël zouden ondersteunen.

Toen leden van Future, een Soennitische politieke partij in Libanon, gelieerd met van Verenigde Staten, notie kregen van de dubbele agenda van Fatah-Al-Islam, werd de geldkraan dichtgedraaid. Met alle gevolgen van dien.

In 2007 startte het Libanese leger een militaire operatie tegen Fatah-Al-Islam, nadat drie strijders Libanese militairen in hun slaap de keel hadden over gesneden. De Palestijnse vluchtelingen in het kamp werden weer verplicht te vluchten en al hun bezittingen achter te laten.

Een jaar later, in 2008, waren de meeste vluchtelingen teruggekeerd naar Nahr-El-Bared. Het leven was er  erbarmelijk. Tonnen puin met rottend voedsel, geen stromend water en geen elektriciteit. Gehele families waren hun woning kwijt en daardoor gedoemd om in ijzeren kooien van het UNRWA te leven.

Deze ‘tijdelijke woningen’ zijn sterk geconcentreerd, want meteen tegen elkaar geplakt en op elkaar geplaatst, waardoor families op elkaars lip leefden en ziektes vrij spel hadden. De mensen hadden duidelijke lichamelijke letsels van de oorlog, en tijdens interviews moesten moeders het antwoord schuldig blijven wanneer gevraagd naar toekomstplannen. Palestijnen die voor mij de gesprekken vertaalden konden daarop hun emoties niet bedwingen.

Drie jaar later, juli 2011, draait de reconstructie van het kamp eindelijk op volle toeren. UNRWA heeft, in samenwerking met Libanese bedrijven, het puin grotendeels opgeruimd en is nu bezig met de bouw van nieuwe woningen voor de vluchtelingen.

Dat is een vooruitgang, maar al bij al geeft het vluchtelingenkamp nog steeds een schamele indruk. Het merendeel van de vluchtelingen leeft nog steeds in de geconcentreerde metalen kooien, nu al drie jaar. Hun toekomstbeeld beperkt zich tot de keuze tussen het openen van een fruitwinkel of het openen van een groentewinkel.

Tegelijkertijd bouwt het UNRWA nieuwe woningen, maar het is helemaal niet zeker dat het de bouw kan voortzetten, doordat het nog niet over de nodige financiering bezit. Het UNRWA heeft ook een rad, zoals op de kermis, en botsauto’s geplaatst. Weer een poging om een objectief onleefbare situatie er toch goed te laten uitzien. Maar aan de laag stof op het rad en de botsauto’s te zien, is deze poging er toch niet in geslaagd de realiteit van zich af te houden.

Hoe het verder moet? Dat weet niemand. Doordat de Palestijnse vluchtelingen geen stemrecht hebben, hebben hun sociale en economische aspiraties geen politieke weerkracht. Bijgevolg is hun lot in handen van nationale tendensen in Libanon en regionale tendensen in het Midden Oosten. Handen waar je, geloof me, je lot liever niet inlegt.

dagelijkse newsletter

take down
the paywall
steun ons nu!