Bezoek aan de militaire rechtbank van Ofer

Bezoek aan de militaire rechtbank van Ofer

maandag 12 maart 2012 16:40

Op donderdag 16 februari had ik de gelegenheid om enkele zittingen van de Israëlische militaire rechtbank Ofer mee te maken.  Marijke Kruyt van de Nederlandse organisatie Talliq die zich inzet voor de rechten van Palestijnse kinderen in Israëlische gevangenschap vergezelde me.  Eyad, een advocaat van de organisatie ‘Defense for Children International – Palestinian section’ had voor twee toelatingen kunnen zorgen.  Hij moest zelf die dag twee Palestijnse jongens verdedigen. 

In de auto op weg naar Ofer vertelde hij over de twee zaken.  Beide jongens waren vijftien jaar en zaten al ongeveer tien dagen vast sinds hun arrestatie.  De ene jongen werd beschuldigd van het gooien van stenen naar een militaire jeep.  Eyad wilde de rechter vragen om hem tegen betaling van een borgsom vrij te laten.  De andere jongen was naar een checkpoint gegaan en had daar een mes tevoorschijn gehaald.  Hij had dit gedaan omdat hij er zeker van was dat hij hiervoor zou opgepakt worden en in de gevangenis terecht zou komen.  De jongen had Eyad verteld dat hij graag opgesloten wilde worden, omdat hij thuis problemen had.  Hieruit concludeerde hij dat de vijftienjarige met mentale problemen te kampen had en daarom wilde hij aan de rechter vragen om hem door een psychiater te laten onderzoeken en indien nodig te laten behandelen.

De autorit die ons van Ramallah naar het Palestijnse dorp Beituniya bracht, waar de militaire rechtbank zich bevindt, leek ons met de overvloedige regen en mist al onheil te voorspellen.  We waren ons ervan bewust dat dit bezoek geen aangename ervaring zou worden.  Voor we aankwamen aan de toegangspoort oftewel de eerste checkpoint van het complex van Ofer moest de auto zich een weg zien te banen doorheen de restanten van opgebrande autobanden, geïmproviseerde roadblocks, stenen en afvalcontainers waarmee de weg bezaaid was.  De vorige dag waren er immers rellen geweest aan de ingang van Ofer om te protesteren tegen de onrechtvaardigheid van de militaire rechtbank en met name tegen de administratieve detentie van Khader Adnan.   Deze man was toen al zo’n zestig dagen bezig met zijn hongerstaking omdat hij het beu was steeds weer te worden opgepakt zonder officiële aanklacht. 

Bij de eerste checkpoint stapten Marijke en ik uit de auto, omdat er bij het binnenkomen geen passagiers in de auto mogen zitten.  Wij gingen naar binnen langs de zijingang, met zijn typische stalen draaideurtjes, scanners, camera’s en afrasteringen, zoals je die ook ziet in de checkpoint van Qalandiya (tussen Ramallah en Jeruzalem).  De aanwezige soldaten of veiligheidsmensen vroegen ons de reden van ons bezoek.  Marijke vertelde dat ze een studente rechten was en dat ze uit interesse wilde zien hoe het er in deze rechtbank aan toegaat.   Ik volgde haar met dezelfde uitleg.  Na een halve oogopslag mochten we verder.  Ik vroeg me onmiddellijk af hoe lang de Palestijnse familieleden van de gevangenen werden ondervraagd voor ze Ofer binnenmochten…  Na de eerste checkpoint kwamen we binnen in het complex en bevonden we ons op een groot ommuurd terrein dat toegang gaf tot zowel de gevangenis als de militaire rechtbank van Ofer. 

We wachten er op de advocaat die ons met zijn auto nog zo’n tweehonderd meter verder bracht naar de parking van de rechtbank.  Daar lieten we buiten onze paspoorten, geld en notitieboekjes alles achter in de auto omdat er niets is toegelaten binnenin de gebouwen.  Eyad ging ons vooraf omdat hij als advocaat een andere veiligheidsprocedure volgt.  Marijke en ik kwamen op een plaats terecht waar een tiental mannelijke en vrouwelijke familieleden van gevangenen onder een luifel die hen nauwelijks tegen de wind en de regen beschermde, zaten te wachten.  We wisten niet hoe lang en om welke reden ze daar zaten.  Wij werden door de veiligheidsagenten echter direct tot bij hen geroepen.  Achter tralies en gepantserd glas vroegen ze ons weer wie we waren en wat de aanleiding was van ons bezoek.  Door de manier waarop ze tegen ons praatten en naar ons keken, leek het alsof ze het zelfs plezierig vonden om eens geen Palestijnen voor hen te krijgen.  We mochten slechts verdergaan als Marijke ook haar portemonnee in een locker had gestoken en we onze paspoorten aan hen hadden afgegeven.  Met dat laatste waren we helemaal niet tevreden, omdat we niet wisten wat ze met onze paspoorten zouden doen. 

Toen we door deze personen waren ‘goedgekeurd’, moesten Marijke en ik één voor één de derde en laatste veiligheidscontrole ondergaan, terwijl de Palestijnen die al voor ons aanwezig waren nog steeds zaten te wachten.  Binnengekomen in een klein bijgebouwtje moest ik weer door een scanner, maar slechts nadat ik mijn broeksriem, schoenen, horloge en juwelen had uitgedaan.  Daarna werd ik gefouilleerd door een vrouwelijke agente en werd mijn notitieboekje ook nog eens nagekeken door een andere agent.  Met een cynische ‘have a nice day’ lieten ze me door.  Buitengekomen aan de andere kant van het gebouw en nu eindelijk helemaal binnenin het complex van de militaire rechtbanken wachtte ik op Marijke en kwam ik Eyad weer tegen.  Samen kwamen we op een plek uit waar zeven barakken stonden.  Stel je het voor als containers die je ook op bouwwerven vindt en waar de bouwvakkers in eten en vergaderen.  In die zeven containers vinden de rechtszaken plaats. 

Wij gingen binnen in container nummer vijf, waar de processen van de minder zware delicten plaatsvonden.  De rechtbank had drie ingangen, één voor het publiek, één voor de advocaten en de beschuldigden en één ingang bevond zich achter de rechter.  Eyad had ons er op voorhand al voor gewaarschuwd dat het er als een kippenmarkt aan toegaat en dat was inderdaad het geval.  In een ruimte van naar schatting 35m² bevonden zich zo’n 22 mensen:  vijf ‘toeschouwers’ waaronder Marijke en ik en de ouders en broer van twee gevangenen, twee veiligheidsagenten, vier advocaten, vier beklaagden, de openbare aanklager, een vertaler, de rechter en nog wat personen met een administratieve functie.   Het was een heer en weer geloop en door elkaar gepraat, waardoor het voor Marijke en mezelf helemaal niet duidelijk was met welke rechtszaak men nu eigenlijk bezig was.  Soms moest er één van de beklaagden rechtstaan, maar leek het alsof er verder met zijn zaak helemaal niets meer werd gedaan.  De advocaten spraken in het Arabisch met hun cliënten en voerden de verdediging in het Hebreeuws.  De openbare aanklager hebben we nooit iets horen zeggen en de vertaler, die waarschijnlijk van Druzische afkomst was, vertaalde zeker niet alles wat de rechter in het Hebreeuws zei.  Soms praatte hij wel met de beklaagden en leek het zelfs alsof hij er een onderonsje van wilde maken.  Alles leek erop te wijzen dat deze processen slechts een schouwspel zijn naar de buitenwereld toe, een theater om vol te houden dat de processen en de rechtspraak eerlijk verlopen. 

Marijke en ik bevonden ons ongeveer een uur in de rechtbank.  Tijdens die korte periode zagen we de gezichten van een twaalftal jongens en mannen die er onder andere van beschuldigd werden stenen te gooien en te proberen Israël illegaal binnen te komen.  De meeste beklaagden droegen het donkerbruine uniform van de Ofergevangenis.  Wanneer ze twee aan twee binnenkwamen waren ze geboeid aan handen en voeten.  De handboeien mochten uit van zodra ze in de beklaagdenbank zaten.  Het merendeel van de verdachten die we zagen, waren jonger dan achttien jaar, maar zagen er ondanks hun situatie betrekkelijk goed uit.  De jongens die het uniform van Ofer droegen, reageerden gelaten wanneer hen iets werd gezegd of gevraagd.  Anderen, die nog geen uniform droegen en dus nog maar pas waren opgepakt, reageerden nog heftiger en emotioneler.  Voor de meeste jongens was geen publiek komen opdagen.  Degenen die wel het geluk hadden hun familie te zien, mochten hen niet aanraken en konden af en toe een woord wisselen met hen, terwijl de rechtszaken van de andere beschuldigden bezig waren.  De ouders vroegen hoe het met de jongen ging en gaven hem nieuws over het thuisfront.   

Eén van de rechtszaken over twee jongens die Israël probeerden binnen te geraken, maar daar niet waren in geslaagd en werden opgepakt, kreeg een uitspraak.  Zij moesten elk 5000 shekel betalen, wat neerkomt op zo’n 1000 euro en hadden drie dagen om in beroep te gaan.  Eyad merkte daarbij op dat die drie dagen eigenlijk dienen om hen nog wat extra tijd te kunnen vasthouden.  Wanneer de beklaagde niet aanwezig zou zijn op de volgende zitting, dan moesten zijn ouders 10.000 shekel betalen.  Tijdens de zitting voor de die een mes had tevoorschijn gehaald bij een checkpoint had Eyad ervoor kunnen zorgen dat hij vijf dagen later een medisch rapport zou kunnen krijgen en een verslag van het politieverhoor. 

Al na een uur voelden Marijke en ik ons overbelast door de chaos en waren we ook helemaal verkleumd.  Wij konden weer opstaan wanneer we wilden, teruggaan naar ons verwarmd appartement in Ramallah, spreken in alle vrijheid en onze frustraties uiten.  Ik vroeg me af hoe de jongens zich voelden…

Meer achtergrondinfo kan u vinden op:
http://www.dci-palestine.org/
http://www.btselem.org/publications/summaries/2011-no-minor-matter

dagelijkse newsletter

take down
the paywall
steun ons nu!