Belgische barsten. Stammentwist of klassenconflict? #1
België, EU, Bart de wever, Vlaams-nationalisme, De crisis van de democratie -

Belgische barsten. Stammentwist of klassenconflict? #1

maandag 18 juli 2011 17:11

Analyses van de Belgische politieke strubbelingen gaan vaak niet verder dan opsommingen van persoonlijke of partijgebonden intriges, psychologische portretten en op z’n best vergelijkingen van botsende programma’s.

Zeer zelden wordt de Belgische politieke crisis gekaderd in het structurele politiek-economische verhaal. Bijna nooit volgt een gedegen klassenanalyse.

Als we de meest gelezen journalisten en opiniemakers mogen geloven zijn we verzeild geraakt in zoiets als een stammentwist. Met naargelang de commentator eerder een communautaire dan wel een meer ideologische saus.

Zelf progressieve en linkse commentatoren beperken zich door de band tot gemakkelijke verwijzingen van N-VA naar VOKA en Di Rupo naar de vakbonden.

Als we de meest gelezen journalisten en opiniemakers mogen geloven zijn we verzeild geraakt in zoiets als een stammentwist. Met naargelang de commentator eerder een communautaire dan wel een meer ideologische saus.

Hoewel heel wat politieke actoren het zelf zo opvatten – en zelfs al spelen karakter, persoonlijke belangen, idealen en familiale romantiek beslist hun rol – toch is dat alles slechts een inkleuring van fundamentele klassenconflicten. Deze zetten de toon in een context van globalisering, economische crisissen en recente de Europese staatshervormingen.

Om de Belgische mistoestanden te begrijpen, moeten we beginnen bij die Europese architectuur.

De nieuwe Europese politieke structuren

Het is belangrijk om in de analyses van de politieke Belgische crisis duidelijker structuur en conjunctuur uit elkaar te houden. De schermutselingen tussen De Wever en Di Rupo, het tromgeroffel van de Vlaamse nationalisten, hartenkreten van de Franstalige burgemeesters in de rand, verlanglijstjes van vakbonden en VOKA; dat alles is in eerste instantie secundair.

Startpunt om de Belgische kwestie afdoende te duiden, is de manier waarop politiek-economische verschuivingen in ons land vorm krijgen en in de hoofden van kiezers en hun politici een nieuwe staat van de staat noodzakelijk maken.

De eerste vraag is dus hoe vandaag het politieke apparaat werkt en waar de knoppen zitten. Pas dan kunnen we ons gaan afvragen hoe dat zo gekomen is, en in functie van wie of wat het moet veranderen.

We laten hier de fait divers over hitsige mannen en vrouwen in pak dus voor wat ze zijn om het te hebben over België en de Europese Unie. Want sinds de Europese interne markt in de loop van de jaren negentig voltooid geraakte, ontvouwen alle dieperliggende politiek-economische veranderingen zich voor ons op Europees vlak. Het gegeven dat daarbij de Unie elk federaal, regionaal of zelfs lokaal beleidsdomein gaat overvleugelen is fundamenteel. Te fundamenteel om weg te gommen uit het Belgische debat. We nemen er enkele concrete voorbeelden bij, waar Europese beslissingen de politiek-economische context volledig wijzigen.

Euro-kapitaal. Het bestaan van een eenheidsmunt zorgt er voor dat de economische crisis van 2008 geen kopie is geworden van de crisis in de jaren zeventig en tachtig. Concurrentiële devaluaties waren deze keer onmogelijk. Overleggen in Poupehan over een Belgische devaluatie, zoals op 22 februari 1982, was niet aan de orde.
De eenheidmunt heeft echter veel grotere ‘verdiensten’ dan deze.

Fundamenteel is dat de EMU en daarna de ECB ook één Europees rentebeleid mogelijk hebben gemaakt. Dit levert niet alleen een stabielere en ‘vrijere’ situatie op voor de accumulatie van het kapitaal in Europa; het lage-rentebeleid van de ECB was eerst en vooral een absolute voorwaarde voor economische groei, ondanks neoliberale sociale afbraak. Net als in de VS zien we hier hoe een postfordistische economie de potentiële daling van de vraag (door de daling van de lonen) opvangt via het verstrekken van goedkoop krediet[1].

We vragen ons hier niet eens af of deze neoliberale veranderingen beter of slechter zijn geweest voor ‘de economie’ of voor de inwoners van de Europese lidstaten. Het punt dat we willen maken, is dat ergens onderweg de eenheidsmunt heeft geleid tot een echte gedaanteverwisseling. Of, zoals een slimme kameraad het onlang uitdrukte, “staten zonder eigen munt dat kan; maar waar een eigen munt is, moet je er van uitgaan dat er een staat is”. Het bestaan van de Euro impliceert dat de Unie meer is dan een supranationale instelling.

Het bestaan van de Euro impliceert dat de Unie meer is dan een supranationale instelling.

Ondertussen, zoveel maanden verder in de Europese schuldencrisis, blijkt de muntunie vrij vlot omgebouwd te wijn tot een machine die de staatsschuld van de lidstaten herstructureert en aanwendt als wapen om niet het kapitaal maar de bevolking te doen betalen voor de crisis.

Het nagelnieuwe ‘EMF’ (dat er kwam ondanks vele politieke schermutselingen tussen de grote tenoren) is evengoed een belangrijk nieuw element in het Europese verhaal. De bijhorende spelregels, zoals het verplichten van de lidstaten om jaarlijks hun begrotingen voor te leggen aan de Europese Commissie, en vooral de doorgedreven privatiseringen en sociale afbraak die de machine oplegt aan PIGS’s, zeggen alles. De lidstaten boeten duidelijk macht in. In het geval van de kleine en middelgrote lidstaten is dat meteen een hele stap. In het geval van Griekenland, Ierland, Portugal (en wie weet wie volgt) is dit een drama.

Arbeid en markt. Ondertussen is ook de arbeidsmarkt in alle EU-lidstaten op even ingrijpende wijze aan het veranderen. Enerzijds verlopen die veranderingen via verdragswijzigingen en de Europese richtlijnen die de daarbij uitgezette schema’s inkleuren. Daarnaast denken we aan de ingrijpende rechtszaken Laval, Viking, Rüffert en Luxembourg, waar het ‘Europees Hof van Justitie’ in Luxemburg telkens bestaande nationale sociale rechten opzijzette op basis van Europese verdragsregels[2].

Pittig detail, de uitspraken van het hof leveren jurisprudentie. Dat wil zeggen dat ze zo goed als wetgevend zijn. Zowel via de juridische onderbouw van de verdragen, als via convergentiemodellen zoals de ‘Lissabonstrategie’ of de afspraken rond begrotingsdiscipline, slaagde de europese leiders er in op ingrijpende (kwalitatieve) wijze in te grijpen op de arbeidsmarkt. Overal in het ‘oude Europa’ komen de minimumlonen, uitkeringen, arbeidsvoorwaarden en sociale rechten onder druk te staan.

Anderzijds, en volledig in lijn met deze eerste ontwikkeling, heeft de toetreding van nieuwe lidstaten een grote kwantitatieve impact op de arbeidsmarkten in de oude lidstaten. Niet toevallig draaien de aangehaalde rechtszaken bij het Europees Hof allemaal rond tewerkstelling van nieuwe Europeanen in Europese kernlanden. Misschien kunnen we stilaan spreken van een Europese arbeidsmark. Zo hebben de vele (West-)Europese werkgevers die niet zomaar kunnen delokaliseren (omwille van de aard van het goed of de dienst die ze aanbieden) met de toetreding van alles samen twaalf Oost-Europese landen (in 2004 en 2007) eindelijk gemakkelijke toegang verworven tot goedkopere, legale arbeid. Miljoenen Polen, Roemenen en Bulgaren gingen sindsdien elders op het continent op zoek naar werk en inkomen[3]. Ze worden daarbij geholpen door een boomende interimsector.

De gevolgen zijn ingrijpend en structureel. Zowel daar waar de enthousiaste Oost-Europese werkers de lonen drukken en voor een zekere verdringing zorgen van de lokale arbeidskracht; als in de vertreklanden, waar enkele jaren lang heel wat geschoolde arbeid verloren is gegaan.

Daarnaast zijn de migratiestromen erg conjunctuurgevoelig en dus volatiel. De nieuwe arbeidsmigranten komen en gaan. Ze settelen zich niet zomaar; wat de vroegere ‘gastarbeiders’ wel nog deden. Met andere woorden verandert de Europese structuur van de arbeidsmarkt(en) op twee fronten de samenstelling van de werkende klasse(s). Zowel thuis als in het werkland is ontwrichting een structurele mechaniek die druk zet op lonen en arbeidsomstandigheden én de ‘circulatie van de strijd’ bemoeilijkt.

Zowel thuis als in het werkland is ontwrichting een structurele mechaniek die druk zet op lonen en arbeidsomstandigheden én de ‘circulatie van de strijd’ bemoeilijkt.

Een gevolg van beide trends is zeer voelbaar in het laagste segment van de arbeidsmarkten overal in het oude Europa. Met Duitsland als trendzetter, zien we hoe de Lissabonstrategie is doorgeschoten van het bewerkstelligen van een activeringsbeleid naar de creatie van een nieuwe sector van quasi gedwongen arbeid, onder het minimumloon tegen onzekere en slechte jobvoorwaarden. Dit precaire arbeidscircuit groeit gestaag en wordt zelfs gestimuleerd via allerlei subsidiemaatregelen. Veelal spelen lokale, regionale en landelijke overheden een cruciale rol. De ene keer door via de activeringsmaatregelen zelf de toeleiding naar dergelijke jobs te voorzien (al dan niet met verdere bemiddeling van de interimsector), de andere keer door zelf de precaire jobs te creëren. In het kader van Hartz IV werk in het oosten van Duitsland vandaag werklozen dertig uur per week voor een maandelijkse verdienste bovenop de uitkering van minder dan honderd euro. Dit lijkt het model voor de toekomst, ook in België; een toekomst die doet denken aan de 19de eeuwse ‘werkhuizen’.

Unie en democratie. De afgelopen jaren zwol de discussie over de EU aan – zij het in beperkte kring. Een belangrijk debat binnen links is dat over de verhouding tussen structuur (grondwet, verdragen, …) en conjunctuur (beleid). Linkse militanten die ten strijde trokken tegen de Europese Grondwet het Verdrag van Lissabon en andere verdragen, stelden onomwonden dat de Europese politieke structuren het neoliberale beleid verankeren en dus op zich moeten bekampt worden. Anderen vinden dat het niet zinvol is te vitten op ‘Europa’ an sich. Het komt er voor hen op aan om het beleid van de Unie te veranderen.  De vorige twee paragrafen kunnen gelezen worden als argumentatie voor de eerste houding. Als de verdragen een politiek Europa op punt stellen waarin je kan kiezen tussen A en B is het eerder utopisch te denken dat er binnen dat kader ooit C (sociaal Europa) van zal komen.

We komen hier op het punt van de democratische keuze. Hier valt wel wat op aan te merken. Zo is de standaardprocedure met verdragen ze te laten stemmen tot ze goedgekeurd worden. Nationale debatten over de EU worden actief tegengewerkt[4]. Het Europese Parlement heeft geen wetgevende macht zoals parlementen op nationaal niveau die wel hebben[i]. En over de impact van het afstaan van de controlebevoegdheid over de nationale begrotingen ten slotte hadden we het al… Kan je vandaag nog overtuigend beweren dat de Unie gewoon een optelsom is van nationale politieke conjuncturen (die is vandaag toevallig rechts uitdraait), en dat beleid anders zou zijn als er overal links gestemd werd?

Kan je vandaag nog overtuigend beweren dat de Unie gewoon een optelsom is van nationale politieke conjuncturen (die is vandaag toevallig rechts uitdraait), en dat beleid anders zou zijn als er overal links gestemd werd?

Sinds de jaren tachtig is de Unie een statelijk instrument geworden dat één bepaalde politiek in functie van één bepaalde klasse structureel ondersteunt en inbedt. De diepgaande veranderingen van kapitaal en arbeid, zoals die uit de crisis van de jaren zeventig en tachtig gekomen zijn, kristalliseren zich uit in een nieuw accumulatieregime waarin politiek gesproken de EU centraal staat. Sociale afbraak en democratisch deficit gaan daarbij hand in hand; dit om de voor de hand liggende reden dat een sociale achteruitgang niet te organiseren valt met de instemming van een meerderheid van de bevolking.

Ook aan de gevolgen die dit alles heeft voor de verhouding tussen Unie en lidstaat valt niet te ontkomen. Concreet: tegenover de steeds ingrijpender Europese verdragen/staatshervormingen is zelfs de meest verregaande Belgische staatshervorming peanuts. Sterker nog, een Belgische staatshervorming kan niet veel anders (meer) zijn dan een verlengstuk van de Europese staatshervormingen van Maastricht, Lissabon of de nieuwste versie die vandaag samen met het ‘Europact’ op tafel ligt in het kader van de Griekse schuldencrisis. Anders gezegd hebben de opeenvolgende Europese staatshervormingen (verdragen) de knoppen van de macht op haast dramatische wijze verplaatst[ii].

Willen we het debat te gronde voeren, dan dienen we een mentale klik te maken. Een echte politieke discussie heeft macht als onderwerp. Als we stellen dat die macht vandaag in de Europese structuren ligt, dan is de consequentie dat het eindelijk tijd wordt om de Europese Unie openlijk het label staat mee te geven. Een nieuw type staat wel. Een die je bijna niet hoort of ziet (al lijkt die ban recent stilaan gebroken), een ‘Stille Staat’[5].

Enkel nu de Unie de grote kapstok is waar alle nationale politiek aan ophangt, kunnen de Belgische politici het zich permitteren drie jaar lang te twisten over een futiliteit als BHV.

Aan deze laatste redenering hangt een Belgisch staartje vast. Enkel nu de Unie de grote kapstok is waar alle nationale politiek aan ophangt, kunnen de Belgische politici het zich permitteren drie jaar lang te twisten over een futiliteit als BHV. Enkel in de context van een voltooiende Europese eenmaking is het mogelijk België en haar bevolking meer dan een jaar lang te besturen zonder regeringsakkoord. Net dat maakt deze Europese uitstap om het verhaal over de Belgische barsten te doen meer dan gerechtvaardigd.
Tijd voor een verhaaltje…
?
Gehry en de Europese wolkenkrabbers

Frank Gehry is ongetwijfeld de meest invloedrijke architect van de afgelopen decennia. Zijn postmoderne bouwsels zijn altijd indrukwekkend. Een belangrijk kenmerk is dat de vorm zelden de functie verraadt. Voor ons is vooral zijn eigen huis in Santa-Monica (bij LA) extra interessant. Het is een vreemde deconstructie van een doordeweeks huisje in de suburbs. Na een ongewone mish-mash met allerlei nieuwe materialen en vormen blijkt alles aan het huis veranderd. En toch is van de oorspronkelijke muren, trappen en ramen niets verloren gegaan.

Op het eerste zich lijkt Gehry’s architectuur haaks te slaan op de strakke modernistische Europese torens van beton en glas, zoals er steeds meer te vinden zijn in de Brusselse Leopoldswijk.  Maar schijn bedriegt. Als de politieke architecten van de Europese Unie zich bij het optrekken van hun Europese bouwwerk aan een iemand hebben gespiegeld, dan is het aan deze Gehry.

Verspreid over het Europese continent zijn in de loop van de 19de eeuw tientallen statige herenhuizen opgetrokken. Sommige bewoners bouwden meters koterijen aan. Anderen probeerden meer dan eens via de muur in de tuin bij de buren binnen te vallen. Dan weer anderen kregen ruzie en splitsten hun woningen op in verschillende appartementen.

Maar wat vast staat is dat als we het vandaag hebben over Europese architectuur iedereen nog steeds denkt aan die herenhuizen. Ze staan er ook nog allemaal, dus waarom niet?

Waarom niet wordt pas duidelijk als we een dag en een nacht lang ons Belgisch herenhuis op een andere manier bekijken; van op een afstand. Want wie dertig meter achteruit stapt, ziet iets heel anders dan zo een herenhuis. Die ziet een immense wolkenkrabber.
Het is een mix van oud en nieuw: steen en staal, herenhuis en glazen glans, marmer en beton, recht en schuin. Waarbij een blinkende toren, de hele blok groot, lijkt op te schieten uit 20 en nog wat oude statige gevels aan de voet. Bovenop wappert een Europese vlag.
Zijn dit nu 27 aparte gebouwen? Is het één gebouw? Kan je in Slowakije binnenlopen en in België buitenkomen? Hoe geraak je boven? Mysteries van architectenkunst. Alleen Frank Gehry zelf had het zo kunnen bedenken.

We zien nog iets anders. Elke dag komt een groepje Wetstraatbewoners postvatten voor de zwartgeelrode poort van de Belgische ingang. Ze discussiëren luid en zwaaien met de armen. De gelen en de roden willen allebei het eerst naar binnen; de gelen uitgerust voor verbouwingen, de rooien voorlopig enkel nog met papieren plannen en meetlinten. Roze, groene, blauwe en oranje politici staan er bij en kijken er naar. Er is onenigheid over de kleuren van de gevel, het aantal deuren in de portiek, de inrichting van de inkomhal en de indeling van de kamers. Noem het, en de gepak-en-dasten maken er een probleem van…

Het punt hier is niet zozeer dat de ware toedracht van de discussie aan deze mensen voorbijgaat. Ofwel weten ze meer dan ze doen uitschijnen, ofwel is hier inderdaad een formule van Marx zelf van toepassing: “Ze weten het niet, maar ze doen het”[6]. ‘Doen’ slaat dan op het ondermijnen van de democratie en de onafhankelijkheid van het herenhuis.
Waar we dus vooral op willen wijzen is dat ’s nacht, als alle ruziemakers weg zijn, Merkel en Sarkozy van om de hoek  de Belgische poorten binnensluipen en de volgende morgen bij het ochtendgloren doodleuk langs hun eigen Duitse en Franse deuren buitenlopen. Vreemd gebouw… Waar zitten die geheime gangen? Hoe lang al? Heeft Gehry ze daar zelf gestoken? En waarom zeggen de gelen of de roden daar nooit iets van?

Regenten-onderaannemers en hun bazen

Vandaag moeten we kunnen loskomen van ons kleine land en haar problemen en voor eens en altijd onze kijk op politiek en democratie herzien. De Europese ontwikkelingen heffen de facto de soevereiniteit van België op. De grote beslissingen zijn niet meer voor de Wetstraat.

Kris Peeters, Rudi Demotte, Yves leterme, Elio Di Rupo, Bart De Wever… In wezen zijn onze regenten slechts onderaannemers van het beleid van de Raad van Ministers en de Europese Commissie. De ene met wat meer flair dan de andere. Ze zullen nooit nog een munt devalueren of de rente verhogen; hun afbouw of bescherming van de sociale zekerheid of arbeidsrechten zijn gebonden aan Europese directieven en structureel verankerde arbeidsmigratiegolven; hun begrotingscijfers moeten ze voorleggen aan Europese chefs.

Kris Peeters, Rudi Demotte, Yves leterme, Elio Di Rupo, Bart De Wever… In wezen zijn onze regenten slechts onderaannemers van het beleid van de Raad van Ministers en de Europese Commissie.

Belgische politici kunnen dan wel prat gaan op een keurig verlopen voorzitterschap in de tweede helft van 2010, op hun rechtstreekse lijn met onze landgenoot Herman Van Rompuy, de eerste ‘president’ van de EU, of op hun mooie speechen op Europese ministerraden of in het Europees parlement; gezien het relatieve gewicht van ons land (België is een soort van Europese subtopper) zijn ze tweede garnituur geworden. Al is dat op zich niet de meest belangrijke vaststelling.
De consequentie is boven alles dat wij het zijn, de natie, de bevolking, die politieke macht hebben afgegeven. Het zijn namelijk die functies die Belgische politici uitoefenen als verkozenen of vertegenwoordigers van ons, de kiezers, die drastisch ingeboet hebben aan gewicht. Natuurlijk lonkt voor de slimsten van de Belgische klas een Europese post. Maar die posten zijn niet van ons en niet aan ons om uit te delen. Een mooie Europese carrière voor een landgenoot wil niets zeggen over de macht of invloed van de andere landgenoten. Integendeel.

Op zoek naar waar de macht zich dan wel bevind, komen we uit bij diegenen die de Europese posten uitdelen. En dat zijn in de eerste plaats de Merkels, Sarkozy’s en Camerons van deze wereld. De sleutels van de macht (van de wolkenkrabber) komen via de omweg van de Unie immers steviger in de handen van de leidende (nationale) burgerijen op het continent. De Duitse kanselier, Franse president en Britse premier (wie dat ook zijn) zijn de gezichten van die macht[7].

De kern van het ons probleem is het volgende: geen enkele politicus – lokaal, Vlaams, nationaal of Europees – heeft ooit aan ons gevraagd of we wel akkoord waren met de ingrijpende machtsoverdracht van ons als soeverein volk naar de mensen die Merkel en co vertegenwoordigen. Daar waar dit wel gebeurde (Denemarken, Frankrijk, Nederland, Ierland) werd het spel niet eerlijk gespeeld. “Neens” werden “ja’s”. We hadden als nationale gemeenschappen van burgers/kiezers een democratische macht – op zijn minst op papier – die we nooit bewust zouden weggegeven hebben. En nu is die toch weg. De ‘natie’ – zelfs de Duitse, Franse of Britse natie – is vandaag in wezen machteloos tegenover de Europese Stille Staat.

Geen enkele politicus heeft ooit aan ons gevraagd of we wel akkoord waren met de ingrijpende machtsoverdracht van ons als soeverein volk naar de mensen die Merkel en co vertegenwoordigen.

En net nu we machtelozer zijn dan ooit stuwt Bart De Wever de Vlaamse natie op in de vaart der volkeren. Wat is hier aan de hand?

Vlaanderen afhankelijk![8]

Laat ons beginnen kort in te gaan op de ideologie in kwestie.
Bart De Wever definieert zijn Vlaams nationalisme als “het principe van de congruentie tussen een culturele eenheid en een politieke eenheid”. Dit is de courante invulling van wat politieke notenkrakers ‘volksnationalisme’ noemen[9].

Wat we hier zien is hoe onder leiding van mensen als De Wever een regressief element binnen de Vlaams-nationale ideologie de bovenhand heeft genomen op die andere (progressieve) bouwsteen van ‘volkssoevereiniteit’ (want ja, nationalisme heeft een inherent progressieve kant). Dat laatste idee van gezamenlijke en gedeelde zelfbeschikking speelt in het nationalisme van N-VA dus een secundaire rol. Als het bloed en de bodem maar congrueren[10]. Democratische cultuur als in “het volk beslist vrij en samen over belangrijke maatschappelijke aangelegenheden” is ondergeschikt. De vermeende genetische en talige culturele band gaat voor.

De centrale politieke redenering van N-VA is nu de volgende. De overeenkomst tussen ‘natie’ en ‘staat’ zou automatisch leiden tot ‘beter bestuur’ en een schoner leven. Niet omdat meer mensen meer te zeggen zullen hebben over de inrichting van hun Vlaamse ‘natie’, maar omdat de Vlaming dan verlost is van de onnatuurlijke (ondemocratische) inmenging van ‘de Walen/de franstaligen’.

Voor volksnationalisten betekent democratie niet de bevrijding van elk lid van de samenleving, maar de ‘bevrijding’ van de groep van exogene krachten. Eigen volk het laatste woord = democratie.

De kracht van dit verhaal is dat het een zeer sterke aanspraak is op de macht. Het steunt op een soort natuurlijk geboorterecht; niet op ‘onnatuurlijke’ democratische processen. Volgens De Wever en co moet Vlaanderen dus meer autonomie verwerven en finaal onafhankelijk worden om de Vlamingen te geven waar ze recht op hebben: onder elkaar hun eigen goesting doen. Daarbij ligt de nadruk niet op “eigen goesting”, maar op “onder elkaar”.

Maar hoe logisch het allemaal ook klinkt, eenmaal de EU in het spel is mangelt deze redenering aan alle kanten. We vertrekken van een duidelijke vraag: “Kan Vlaanderen objectief gesproken nog onafhankelijk worden?”.

Om te beginnen lijkt dit zelfs vanuit een puur Belgisch standpunt bekeken bijzonder moeilijk. Brussel en de Belgische schuldenlast maken een Vlaamse onafhankelijkheid hopeloos ingewikkeld. De Wever beseft dat ook. Een Vlaamse republiek stichten, is dus niet op vijf minuten gebeurd. Het is nog vele keren moeilijker als een eender welke staatshervorming. Nuja, een beetje Vlaamse voluntarist weet nog wel raad met deze opwerping.

Tegen een tweede bemerking is echter weinig Vlaams kruid gewassen. Het sluit aan bij de vorige alinea’s in deze tekst en werd daar ook al uitvoerig voorzien van argumenten. Net als België zal Vlaanderen ingebouwd zijn in de Europese Unie. Vlaanderen zal geen eigen begroting voeren, de sociale zekerheid kunnen versterken of een eigen New Deal lanceren. Een ‘onafhankelijk Vlaanderen zal afhankelijk zijn van de Unie (en zo van de grote lidstaten), even onautonoom als België vandaag.

Een ‘onafhankelijk’ Vlaanderen zal even afhankelijk zijn van de Unie (en zo van de grote lidstaten) als België vandaag.

We kunnen hier zelfs verder gaan. Tot op de dag van vandaag overleeft te midden van de Belgische constellatie een vorig accumulatiemodel; een model waarin de nationale staat meer autonomie kende en gedragen werd door een eigen nationale burgerij. Daarmee gaan een paar weerstands- en bemiddelingsmechanismen gepaard. Op die manier weet de Belgische staat zich regelmatig onder EU-dictaten uit te muizen. Concreet zagen we bijvoorbeeld verschillende federale regeringen allerlei vertragingsmechanismen opzetten om de liberalisering van openbare diensten zoals De Post en het spoort te temperen (onder druk van de vakbonden natuurlijk).

Dit zorgt er paradoxaal genoeg voor dat Vlaanderen vandaag als deelstaat van België onafhankelijker en meer autonoom kan opereren, dan moest het een onafhankelijke Europese lidstaat zijn. Er is immer de keuze tussen Europa blind volgen of tegenwerken. Hoe autonomer Vlaanderen, hoe minder tegenwerking mogelijk. De Vlaamse ‘natie’ heeft dus vandaag onder de Belgische paraplu meer zeggenschap over het eigen doen en laten, dan morgen onder een Vlaamse. Schrijf het op en begin er over op familiefeestjes. Succes verzekerd.
Maar wat zegt dit alles als we het confronteren met het Vlaamse volksnationalisme van De Wever? Op het eerste zicht lijkt er wel een soort van voodoo in het spel.

Naarmate de Unie aan invloed wint, verliest de Wetstraat greep op de grote vraagstukken. Dat knaagt aan het gemoed. En net dat gevoel van machteloosheid brengt vandaag diegenen in stelling die het omgekeerde beweren. N-VA heeft als enige partij een verhaal te bieden dat, zoals gezegd, ‘aanspraak maakt op de macht’. De volksnationalisten spiegelen Vlaanderen een schitterende autonome toekomst voor, vrij en zonder zorgen. Dat sprookje is razend populair. Al weten ze zelf wel beter… Je zou verwachten dat de Vlaamse zeloten zich ook kritisch opstellen tegenover de Europese eenmaking zoals we die kennen. Maar niets is minder waar. Als het over Europa gaat, is N-VA een partij zoals alle anderen; weinig bekommerd om een democratische Unie[iii]. Voor een nationalist die democratie reduceert tot “Walen buiten” is dat logisch.

Wanneer nu De Wever de bekende frase herneemt van August Vermeylen en het heeft over “Vlaming zijn om Europeër te worden”, dan bedoelt hij niets anders dan dat hij Vlaamse ‘autonomie’ als een middel ziet om eindelijk (zonder last te hebben van Franstaligen) het neoliberale politieke project van de Unie door te drukken. We mogen hier terecht fier zijn als Vlaming. Onze pattatenvelden hebben een van de vreemdste en meest intrigerende vormen van nationalisme ter wereld voortgebracht.

We ronden dit deel af met vier bedenkingen over het dominante Vlaamse nationalisme.

  1. Het is belangrijk nogmaals te benadrukken dat het progressieve element van ‘soevereiniteit’ een absoluut ondergeschikte rol speelt. Terloops is het interessant te op te merken dat de echte progressieve nationalisten niet diegenen zijn die zoals de ‘Gravensteengroep’ een sociaal of zelfs syndicaal sausje over De Wevers volksnationalisme gieten. We moeten eerder kijken naar degenen die hameren op de zelfbeschikking van hun volk (dit impliceert links ‘internationalisme’ en het progressieve ‘republicanisme’). Deze vlieger gaat zelfs op als ze vanuit een kleinburgerlijke achtergrond vijandiger tegenover de vakvond of de werkende klasse  zouden staan dan sommige volksnationalisten![11]
  2. Ook reeds uitvoerig besproken: Vlaanderen kan strikt genomen niet onafhankelijk worden. Europa is immers in het spel.
  3. Als we Europa meerekenen is zelfs de vermeende congruentie tussen volk/natie en staat onmogelijk. N-VA wil beiden zien samenvallen, maar de facto beslaat Vlaanderen slechts een klein stukje van de meest wezenlijke statelijke structuur: de Europese Unie. Zelfs bij een splitsing van België zullen volk en staat niet samenvallen.
  4. Dit alles meegenomen staan we voor de vraag wat we nu van de N-VA-nationalisme moeten maken. Ofwel stellen we dat Bart De Wever wel de historische taal spreekt van het Vlaams nationalisme, maar strikt genomen geen nationalist is. Zijn doel, ‘onafhankelijk Vlaanderen’, leidt immers niet tot de congruentie van de volksnationalisten en al zeker niet tot volkssoeveriniteit. Ofwel gaan we nog een stapje verder en zeggen we dat in de figuur van De Wever het nationalisme zich laat zien in z’n meest pure vorm. Ontdaan van elke progressieve inhoud; gereduceerd tot vlaggetjeszwaaien en liedjes zingen. Het N-VA-nationalisme is de show die je verkoopt wanneer je beland bent op het absolute (neo)liberale ideologische nulpunt.

Bij wijze van besluit kunnen we nu stellen dat mensen als Bracke, Maddens en De Wever in naam van Vlaamse vrijheid streven naar Europese in- en opsluiting. De N-VA’ers en co vragen enkel de sleutels van de cel, die ze dan tegen een goede prijs zullen uitlenen aan VOKA, UNIZO en anderen. Hun programma is dan ook niet de ‘Vlaamse onafhankelijkheid’, maar de ‘splitsing van België’. Een wereld van verschil.

De splitsing is wat er nodig is om de sleutels van de cel in handen te krijgen. Dat beiden synoniem zouden zijn is een van de grootste politieke misvattingen van het moment.

Hun programma is dan ook niet de ‘Vlaamse onafhankelijkheid’, maar de ‘splitsing van België’.

De Wever is bijgevolg een regent zoals de anderen. Wat hem onderscheidt is een knap en sterk verhaal. Hij en zijn kompanen spelen in op een gevoel van machteloosheid en verbinden zich met grote groepen mensen door wanneer er camera’s in de buurt zijn hun ‘aanspraak op de macht’ serieus te nemen. Net daarin schuilt de Vlaams-nationalistische voodoo.

Het op dit punt dat we terugkeren naar het structurele verhaal en ingaan op de klassebasis van de Belgische politieke impasse. Ons vertrekpunt is het regime waar De Wever, zijn partij en zijn kiezers zich zo tegen afzetten: België.

(zie deel 2)

—————————————————————————–

[1] Dit heeft ook een politieke ‘paciferende’ functie, in de zin dat het de mythe van de ‘middenklasse’ in stand houdt. In België bijvoorbeeld konden mensen met een behoorlijk inkomen nog steeds gemakkelijk lenen voor een huis.

[2] Langs andere kant EU wettelijk kader maakt afbraak mogelijk. De uitspraken in het Europese Hof in Luxemburg in het kader van de zaken Ruffert, Laval en Luxembourg tonen aan hoe de EU een wettelijk kader realiseert voor die afbraak. http://www.lavalvikingruffert.eu/the_cases.aspx

[3] http://www.mo.be/artikel/oost-europa-wil-zijn-migranten-terug

[4] Dit begint en eindigt in onze nationale parlementen (we hebben 9 wetgevende vergaderingen in België!), waar nergens diepgaande debatten worden gevoerd over Europese regelgeving en al zeker niet over de verhouding België (Vlaanderen, Wallonië, Brussel, …)-EU.

[5] http://docs.vlaamsparlement.be/docs/stukken/2007-2008/g1653-2.pdf (pp.20-26); http://www.slideshare.net/rodenotas/het-dna-van-de-europese-unie?from=ss_embed

[6] Capital 1: A Critique of Political Economy

[7] De sleutelfiguren in de technocratische top van de Europese instellingen (Barroso, van Rompuy, Ashton, Trichet, …) hebben een zekere autonome marge, maar moeten aan de hand blijven lopen. Bankiers, multinationals, lobbyisten; allemaal passeren ze bij deze leiders van de machtigste lidstaten.

[8] Natan Hertogen, ‘Het Vlaamse streven naar afhankelijkheid’, https://www.dewereldmorgen.be/artikels/2010/11/12/het-vlaamse-streven-naar-%E2%80%98afhankelijkheid%E2%80%99

[9] De oorsprong van het Vlaams nationalisme ligt niet voor niets in het ‘cultuurflamingantisme’.

[10] We zien hier dat in wezen dezelfde operatie plaatsgegrepen heeft (over een veel langere tijdspanne) als in Duitsland bij de val van de muur. Daar werd de ‘spontane’ democratische slogan “Wir sind das volk” door de West-Duitse burgerij omgekeerd naar “Wir sind ein volk”. Van ‘het volk’ dat zich plaatst tegenover de macht, naar ‘één volk’ dat zich schaart achter de macht.

[11] RVC Knack: http://knack.rnews.be/nl/actualiteit/opinie/columns/rik-van-cauwelaert/echte-europeanen/opinie-1194996934916.htm

———————————————————————————————–

[i] Sommigen stellen het EP voor als democratischer dan de nationale parlementen omdat er breder en op een hoger niveau van gedachten wordt gewisseld. Dat maakt het Parlement nog geen Parlement, eerder een goedgesubsidieerde debatclub. Andere vragen zich af of de nationale parlementen wel zoveel meer te zeggen hebben t.a.v. hun regeringen. Dat laatste is geen reden om het Europees even ondemocratisch of nog ondemocratischer in elkaar te steken.

[ii] De ‘schalentheorie’ dient nog al te vaak om Europa ergens een mentaal plaatsje te geven, ver van ons bed, in de marge van de analyse en de politieke discussie (zie de Vooruitgroep en Eric Corijn: http://www.imavo.be/vmt/10211-Corijn.pdf).

Bijgevolg moeten we zelfs zo ver gaan als af te stappen van het verhaal van diverse inter-agerende bestuurlijke schalen met elk hun eigen bevoegdheden en taken. Het zou een misvatting zijn nu nog te denken dat Europa de autonomie van lagere schalen op het vlak van hun (minder belangrijke) bevoegdheden intact zou laten. De Unie en haar instellingen worden meer en meer het centrum van de macht, van alle macht, over alle beslissingen, op alle ‘schalen’. Op die manier knabbelt de Unie aan de soevereiniteit van haar lidstaten (én die van kandidaat-lidstaten en directe handelspartners).

Subsidiariteit – in België en vooral Vlaanderen een misbegrepen toverwoord – heeft in dat verhaal niets meer van doen met gelijke beslissingsmacht over een bepaald territorium of een deelbevoegdheid. Het is een kwestie geworden van uitbestede bevoegdheden in strakke beperkende kaders. De Unie reduceert de lagere schalen (ook hun wetgevende instanties!) tot haar lokale uitvoerende machtjes, niets meer.

[iii] http://www.s-p-a.be/archief/artikel/n-va-op-dezelfde-lijn-met-de-ware-finnen/, In die zin is de kritiek van Frank Vandenbroucke die N-VA vergelijkt met Eurosceptische ‘Ware Finnen’ onterecht. N-VA volgt veel meer een met SP.a vergelijkbare Europese koers.  Namelijk om tactische overwegingen af en toe en heel even een kritische houding aannemen. De schapschoten richting EU hebben zich, in eerder welk parlement, nog nooit vertaald in concrete tegenstemmen.

Hetzelfde geldt voor de kritiek van Ivo Belet op N-VA: http://www.demorgen.be/dm/nl/2461/De-Gedachte/article/detail/1268235/2011/05/23/Anti-Europese-koers-van-N-VA-is-doodlopende-weg.dhtml. Ook in zij geval volstaat het te verwijzen naar de verklaringen van christendemocraat Balkendende na het verloren referendum in Nederland. Die haalde plots ook een nationalistische rechtse uit de kast, zonder ook maar op één moment de EU af te vallen in de feiten.

dagelijkse newsletter

take down
the paywall
steun ons nu!