Allen op naar de boekenbeurs,… of toch niet?

woensdag 2 november 2011 09:45

Met het vallen van de blaren schuiven belezen Vlamingen weer in dichte drommen naar Antwerp Expo om nog slimmer, nog meer belezen te worden, en een glimp op te vangen van hun schrijvende halfgoden die zich voor één keer tussen de meute begeven. Hoewel er overal ter wereld boekenbeurzen plaatsvinden –denk aan de fameuze beurs van Peking, waar ons aller David Van Reybrouck zo opgetogen over was ondanks het toegangsverbod voor dissidente schrijvers-, zie ik die Antwerpse beurs toch als een typisch Vlaams kuddefenomeen, een teken van volgzaamheid en conformisme. De Vlaming leest, niet om zich te laten verrassen of te ontdekken, laat staan om zich boos te maken, maar omdat lezen nu eenmaal tot zijn gehoorzaamheidscultuur behoort. Nauwgezet volgt hij de aanbevelingen van de boekenbijlagen in De Standaard, De Morgen en Knack, die zich zelf dan weer laten inspireren door de oekazen van de literatuurprijs-jury’s. Het hangt allemaal perfect samen, de literatuur volgt de markt en vice-versa. Wie schrijft die blijft, maar wie leest, kan meespreken en hoort erbij. En daar gaat het om. Samen-horigheid, lectuur als groepsgebed.

Vlaamse kermis
De boekenbeurs dus. Alles wel beschouwd grijpt hier de jaarlijkse apotheose plaats van het cultuurindustrieel establishment, gepatroneerd door boek.be, de vereniging van Vlaamse uitgevers en boekhandels. Boek.be is een commerciële belangengroep met een behoudsgezinde missie die onder veel ambiance en geschetter wordt gecamoufleerd.  De boekenbeurs is geen plaats voor contestatie, zelfs niet voor controverse. Het is een Vlaamse kermis waarover een parfum van politiek-correcte weldenkendheid en intellectualistische pronkzucht hangt (de verdomd interessante lezingen en debatten, de signeersessies,…), maar ook van commerce en consumentisme. Men hoort de letteren knetteren en de kassa rinkelen, en dat alles in de grootst mogelijke harmonie. In deze cultuurbraderij wordt het huwelijk gecelebreerd van de Roman (met hoofdletter) en het kookboek, hoogcultuur en hobbyisme, onder het motto: “papier is papier”.
De wankele positie van het boek, als object en medium, maakt a fortiori ook de boekenbeurs tot een zinledig, repetitief en hysterisch spektakel. Onderhuids en off the record weet natuurlijk iedereen dat de dagen van het boek geteld zijn. Maar laat die ondergangsstemming nu net de fleurigheid van het feest uitmaken, doorspekt met ronkende zegebulletins en recordjacht: elk jaar meer bezoekers, meer standjes, meer schrijvers, meer leut. Hoe dichterbij het einde, des te scheller klinken de megafoons in deze hoogmis van de papierindustrie. Alles herhaalt zich in meer van hetzelfde: de schrijvers, de uitgevers, de distributie, de beurs, de media, het publiek.

Oude goden
Natuurlijk hebben Brusselmans en Lanoye weer elk hun roman klaar: ze ovuleren op het gepaste moment, opgepept als ze zijn met het hormonenpreparaat dat hen door hun uitgevers-soigneurs werd verzorgd. Ooit werden ze “de jonge goden” genoemd. Nu tsjokken ze, met een pak incontinentieluiers onder de arm, naar hun signeerstandje om aldaar de honneurs waar te nemen van een verlepte Vlaamse literatuur die na Claus eigenlijk niets meer te betekenen had. Herman kijkt met glazige oogjes naar de schoolmeisjes die rond hem cirkelen, Tom doet hetzelfde met de knaapjes. Meer dan twee van zulke goden heeft deze planeet niet nodig. Tegelijk loert Brusselmans met onverholen chagrijn naar de afdeling kookboeken van de naastliggende stand, Lanoye heeft als schrijver zijn toevlucht gezocht tot het laatste redmiddel als niets meer lukt: over zichzelf schrijven, de zogenaamde autobiografische roman. Moeder!

Van bijbel tot kookboek
De kookboeken dus. Critici en literatuurfreaks doen er honend over, maar ze zijn dé sterkhouders van het ineen stuikend boekenvak. Het hobbyboek vormt de laatste fase van een literair verdampingsproces dat we alleen maar kunnen toejuichen: alles eindigt in de keuken of in de garage. Na het kookboek komt er niets meer. Hopelijk. De 21ste eeuw zal de geschiedenis ingaan als de eeuw waarin de tekst zich definitief van het papier losmaakte, om vrijer te gaan zweven, los van de hiërarchie auteur/lezer en de dwang van de inhoudsopgave.
Men zou het kookboek een absolute karikatuur van de bijbel kunnen noemen: de tien geboden zijn recepten geworden. Vergeten we niet dat de boekdrukkunst een kleine 600 jaar geleden is uitgevonden om bijbels te kunnen drukken,- dus om het ware geloof te propageren en om voor te schrijven wat ons te doen staat. Geboden en verboden.
Nooit heeft het boek zich van die oorsprong kunnen ontdoen: de gedrukte tekst is in se prescriptief, elk boek is, ongeacht de inhoud, een handboek voor de lezer én een inprentingsmachine. Het laat zich niet zomaar doorbladeren,- het bevat integendeel instructies, een gebruiksaanwijzing die ons moet beletten om de tekst te mislezen. Met de bijbel als absoluut model, pretendeert het boek ons leven een richting te geven, te beleren, al was het maar over de manier om een soufflé te maken, en dat vergt een lecturale onderwerping, een lees-discipline die ons vanaf het eerste studiejaar wordt ingelepeld.

Ontlettering
Ook de roman, de seculiere tegenhanger van het bijbelmodel, ontsnapt niet aan die manipulatieve missie. Integendeel, de zogenaamde fictie dompelt ons in een verhaal dat het onze niet is, maar waarvan de compositie ons, meer nog dan het essay of het manifest, verleidt en dwingt om ons te identificeren (of net niet) met een personage. Het verhaal zou daardoor een metaforisch verklede waarheid bezitten. Daarom zat diezelfde bijbel ook boordevol verhalen: de auteurs wisten wat ze deden.
Het verhaal blijkt nu echter een leugen, en weerspiegelt slechts de leugenachtigheid die ons sociaal en politiek omgeeft: van Irak tot Dexia, overal worden ons leugens opgedist, “nuttige fictie”, die slechts veel later aan het licht komt, met dank aan gekken als Julien Assanges.
Boeken zijn puur ballast, ze vergiftigen ons bestaan, ze verzoenen ons met de fabulatie. De schrijver is God, maar die had Nietzsche al dood verklaard, dus moet het eerder om een mummie gaan, een lastig spook. Lezen wordt dan, letterlijk, een dwaling.
De opstand van de lezer, ontlettering genoemd, ligt nu in het verschiet. De ontsluiering haalt heel de romaneske tijdslijn overhoop. Terecht gaan we onmiddellijk naar de laatste pagina, om vast te stellen dat de schrijver ons heel de tijd fijntjes bij de neus genomen heeft,- tijd die we beter hadden besteed aan interessante dingen zoals een risotto maken (zonder Jeroen Meus), een stevig potje seks (zonder Goedele Liekens), op reis gaan (zonder Michiel Hendryckx), kortom: ons eigen verhaal maken, het enige dat echt telt.

Fahrenheit 451
Zei ik “de opstand van de lezer”? Er zijn verschillende strategieën om de gevaarlijke absurditeit van het boek te neutraliseren. Men kan bijvoorbeeld het boek ongelezen in de kast plaatsen,- dat komt meer voor dan zogenaamde lezers willen toegeven. Het wordt dan een rug, een decoratief element.
Daarnaast zijn er allerlei middelen die het boek op een of andere manier ontwaarden: de ramsj, de uitverkoop, de versnipperaar, het boek als pletmiddel voor een verzameling gedroogde bladeren, of als vliegenmepper. De ecologische kritiek is een belangrijke hefboom: de papierindustrie (waarvan het boekenvak maar een tak is) is een ontbosser, en bos hebben we nodig. Niet alleen om te ademen, maar ook en vooral om de vlakte te vermijden en te kunnen verdwijnen. Een boom is in die zin het perfecte boek: ongelezen, tekstloos, puur organisme.
Het boek (etymologisch van “beuk” afgeleid) is onnatuurlijk en natuurvijandig, zoals cultuur tout-court. In die zin zou men de distopische en herhaaldelijk verfilmde roman van Ray Bradbury  “Fahrenheit 451”, over een toekomstige samenleving waar boeken verbrand worden, kunnen ont-lezen tot een utopie. De boekenverbranding, vandaag nog gezien als hét symbool van barbarij, kan even goed een ritueel worden in een zoektocht naar nieuwe authenticiteit en autonomie. Bijbels en korans het eerst in de fik, later ook de romans en de dichtbundels, en als laatste, euh, waarom niet, ook de kookboeken.

Dom blondje
Op een legendarisch geworden foto ziet men Marylin Monroe, absoluut prototype van het domme blondje, op een bankje James Joyce “lezen”. Maar men ziet zo dat ze alleen naar de letters kijkt, mogelijk houdt ze het boek zelfs omgekeerd vast. Die dislexie opent mogelijkheden, misschien was Marylin wel veel slimmer maar ook veel onaangepaster dan wij allemaal samen. De zogezegde verloedering van de taal bij de jeugd, via het chatten en SMS-en, zou men als een spontane deconstructie kunnen opvatten van een literair kolonisatieproject dat ergens bij Gutenberg begon. De “domheid” is niet dom, ze is vooral een weigering om de tekst te accepteren zoals hij er staat. Men kan verontwaardigd zijn over van alles en nog wat, maar in laatste instantie moet de taal heruit gevonden worden, en dient de tekst “ontlezen”. Onbegrip, vervorming, analfabetisme, dislexie, dialect, allerlei niet-reguliere idiomen, taalfouten: tegelijk is het zich uitschrijven,- uit de monotheïstische bijbelcultuur die ons nog steeds domineert.
Het internet is een nuttig middel (maar meer ook niet) om dat tweevoudig proces van het ontlezen en het uitschrijven te faciliteren. Alleen het dagboek zou deze boekenverbranding kunnen overleven, als een neerslag van het persoonlijk geheugen, waar geen lezer zaken mee heeft, tenzij, op zeldzame “uitgelezen momenten”, een zielsverwant, en daar is geen boekdrukkunst of boekenbeurs voor nodig.
Met de verdwijning van het boek, als fetisj en cultuurobject, verdwijnt ook de klassieke school (schola, scholastiek: ook die is theologisch), en wenkt een nieuw bestaan van de buitenstaander, dilletant, analfabeet, dagboekschrijver, zondagsschilder, dienstweigeraar, maker van onbestaande kunstwerken, reiziger, grensbewoner. Dit gaat over nieuwe naaktheid, naïviteit en levenslang beginnen. Domweg.

Johan Sanctorum

dagelijkse newsletter

take down
the paywall
steun ons nu!