12 juni 2015 – een overgenomen artikel uit de Gezinskrant De Bond

zondag 14 juni 2015 13:22

Banken, ethiek en journalistiek

“Journalisten
moeten weer voor hun publiek gaan schrijven”

Twee jaar lang
hield Joris Luyendijk voor de Britse krant The Guardian een blog over de banken
bij. Daarmee legde hij stap voor stap in mensentaal bloot hoe de financiële
sector in elkaar steekt. Hij schreef er een boek over dat dit voorjaar
verscheen. We zochten hem op
voor een gesprek. Kirstin Vanlierde.

 “Toen ik begreep
waaraan we met de crash van 2008 op een haar na zijn ontsnapt, dacht ik: dit
moeten véél meer mensen weten? Veel boeken die ik heb gelezen, proberen zo snel
mogelijk voorbij de technische aspecten te fietsen omdat ze “hun verhaal willen
vertellen. Maar tegen de tijd dat ze door hun uitleg over private equity en hedgefunds
en investment banking heen zijn
gesneld, zijn ze me eigenlijk al kwijt.”

De titel van
Luyendijks eigen boek, Dit kan niet waar
zijn
, zet meteen een andere toon. Het is een menselijk relaas, de zoektocht
van een buitenstaander in de financiële sector, die tot zijn ontsteltenis moet
vaststellen dat het hele systeem eigenlijk van binnenuit rot is.

 Perverse prikkels

“Het is heel
belangrijk dat mensen beseffen dat de financiële wereld ontzettend divers is.
Als een lezer iemand kent bij een bank, had die persoon bijna zeker niets te
maken met de crash. Tegelijk weten we al een hele tijd dat je geen slechte
mensen nodig hebt om een systeem te runnen met heel slechte uitkomsten. Ik heb
alle WO-II vergelijkingen uit het boek gehaald omdat dat werkt als een rode lap
op een stier, maar we zijn nog steeds zo naïef om te denken: als we allemaal
nette mensen zijn, dan moet de uitkomst van ons werk toch ook netjes zijn…

Het
organisatieprincipe van de bankensector is amoreel en de uitkomsten zijn
immoreel. De mensen in het systeem zeggen: “Ik ben een chauffeur en daar staat
120 km/u. Ik houd mij aan wat er wettelijk mag”. Als je dan tegenwerpt dat het
wel een woonwijk met kleine kinderen is, luidt het antwoord: “Tja, dan moet er
maar een ander bord staan.”

Op zich hebben ze
gelijk, maar ondertussen betaalt de bankensectorwel een fortuin aan lobbyisten
die ervoor ijveren om die 120 daar te laten staan!”

Hoe machtig die lobby
precies is, werd twee weken geleden nog eens pijnlijk duidelijk, toen de
Europese commissie een al sterk afgezwakt voorstel om de banken te verplichten tot
meer risicobeperking naar de prullenmand verwees. De bankenlobby is erin
geslaagd tweedracht te zaaien en heeft gewonnen, klonk het terneergeslagen bij
sommige politici en experts. Landen nemen elk op zich wel initiatieven, zoals
de bankierseed in Nederland, maar zonder overkoepelende wetgeving op Europees niveau is het
effect daarvan, zacht gezegd, beperkt.

Om zulke
maatregelen kan Luyendijk alleen maar wrang glimlachen. “De diepere oorzaken
van de crash zijn niet aangepakt, meer bepaald: de belangenverstrengelingen in
de financiële sector.

Als gevolg
daarvan krijg je allerlei perverse prikkels in het systeem. Gedrag dat slecht
is voor iedereen is wettelijk toegestaan en wordt aangemoedigd…

Denk je dat een
kind zijn hand uit de snoeppot zal halen omdat je hem dat hebt laten beloven?
Zeker als je vervolgens ook nog de kamer uitgaat?”

 Groter is beter

De strijd tegen
chaos, zoals Luyendijk het zelf noemt, is ontzettend moeilijk. “Ik dacht vroeger
altijd: het kwaad in de wereld komt door Het Kwaad, al geloof ik niet
letterlijk in zo’n figuur. Maar ik ontdekte dat er dingen verschrikkelijk misgaan
die eigenlijk niemand
wil. Stel je een James Bond verhaal voor waarin James Bond niet tegenover Dr.
No staat, die precies weet wat hij wil, maar tegenover Dr. Nitwit die helemaal niet
weer waar hij mee bezig is…

In de financiële wereld verdwijnt de macht iedere
keer achter een andere macht. Dat vind ik er zo eng aan. Het is een  soort van Eschertekening, waar elke figuur de
ander in zijn staart bijt. En dan zeggen  de neoliberale professoren: uit al die op
elkaar inwerkende machten ontstaat vanzelf een evenwicht dat rechtvaardig is.
Nou, dát idee is in 2008 echt wel onderuitgegaan, maar vervolgens is er gewoon
niets veranderd. De drie beoordelaars die de laatste crisis op hun geweten
hadden, mogen gewoon verder doen zoals ze bezig waren. En voor je het weet,
hoor je politici zeggen: de banken moeten weer gaan lenen…

Een ander probleem
is schaal. Eenvoudig gesteld: banken opereren op wereldschaal en de politiek niet.
Een rode draad in Luyendijks boek is een pleidooi voor ethiek en handel op
mensenmaat.

“En dat had ik echt
niet verwacht! (lacht). In alles dacht ik zelf ook: groter is beter. Het is efficiënter,
schaalvoordeliger… Maar ik heb moeten inzien dat dat niet klopt. Banken die too big to fail zijn, worden in het
financiële jargon champions genoemd maar in feite zijn
het gevaarlijke monsters. Ik was een overtuigd Europeaan, maar nu vraag ik me
toch af: wat zijn we eigenlijk aan het bouwen, vooral omdat de commissie zo
neoliberaal in elkaar zit.

Ik kom daarmee
terecht in het bedenkelijke gezelschap van chauvinisten en eurobashers, wat ik
helemaal niet wil. Maar ik zie wel dat Europa een kant opgaat die mij zorgen baart.”

Waar ziet
Luyendijk mogelijkheden tot verandering? Er is een belangrijke rol weggelegd
voor de journalistiek, vindt hij. Maar dan moet er ook in die wereld grondig
schoon schip worden gemaakt.

“We hebben goede
basisregels in de journalistiek: alles moet controleerbaar zijn en je moet
mensen met naam en toenaam noemen. Maar het probleem is dat de banken daarop
hebben gereageerd door hun medewerkers te verbieden nog met journalisten te
praten. En dus moeten we afgaan op de persberichten en rapporten die de banken
zelf verspreiden. Of je moet als financieel journalist naar de gunsten van de
sector dingen.”

Greg Smith, ooit executive director bij Goldman-Sachs,
kwam als klokkenluider naar buiten met een wansmakelijke praktijk in de
financiële wereld, het caveat emptor.
Dat komt er kort gezegd op neer dat de bank aan een professionele investeerder
kan aansmeren wat hij maar wil, zolang het contract juridisch in orde is. Als
er iets misgaat omdat het product waardeloos blijkt, kan de bank zich verstoppen
achter het principe: “Je moest maar weten wat je kocht.” Smiths onthullingen
deden veel mensen slikken, maar de storm waarin hij na zijn opiniestuk in de New York Times terechtkwam, was
ontluisterend.

“Tot dan dacht ik
nog: het probleem is dat niemand naar buiten komt met wat er echt gaande is.
Maar toen besefte ik dat áls er iemand naar buiten komt, hij door financiële
journalisten wordt neergesabeld.” In sommige gevallen lijkt de journalist
in kwestie bijna “gekocht”, maar ook als het niet zo is, komt kwaliteitsvolle
berichtgeving onder druk te staan. “Financiële journalisten zitten in een
structuur die snel blind maakt. In die zin lijken ze wel wat op bankiers. Ze
worden beloond voor bepaald gedrag – “Als je schrijft wat wij je vertellen,
krijg je voor je volgende artikel inzage in vertrouwelijke bronnen” – en
sommigen identificeren zich voor een stuk met de wereld waarin ze zich zijn
gaan verdiepen.

Veel financiële journalisten die mijn boek lezen, zeggen: “Dit
kunnen we overslaan, er staat, niets nieuws in. Wat ze bedoelen, is: niks
nieuws voor insiders. Deze financiële
journalisten vinden blijkbaar niet dat ze er zitten om hun publiek nieuwe
dingen te vertellen. Aangezien ze eerder schrijven voor de mensen over wie ze schrijven, willen ze dus vooral
hen, de sector zelf, imponeren met iets nieuws. Vervolgens mag het publiek er
bijzitten en doen alsof ze het snappen. Als ik lezingen geef en beschrijf wat
er in 2008 aan de gang was, kun je een speld horen vallen. Voor de man in de
straat is dat dus wél nieuws.”

 Opvoeding

Luyendijk vreest
luidop  dat het alleen maar wachten is op
een volgende, grotere, crash. “De crash van 2008 was iets wat niemand wilde,
waarvoor is gewaarschuwd en wat ons daarna toch allemaal overviel. En als ik nu
mensen over de informaticasystemen van banken hoor praten, is dat precies
hetzelfde. Niemand wil dat een grote bank op een dag moet zeggen: “Oh jee, we
kunnen niet meer bij de  data.” Er wordt
heel erg voor gewaarschuwd en als het gebeurt, zijn de gevolgen niet te
overzien. Maar de mensen die tot 2008 liepen te sussen, zijn daar nu weer mee
bezig. En wie tot 2008 zei: “Dit loopt een keer fout”, zegt dat nog steeds…

Maar het zijn interessante
tijden. De Franse econoom Thomas Picketty is zo populair, burgers vragen meer van
politici. Het begint van onderuit te leven…”

Ook een
documentaire als Boom Bust Boom, een samenwerking
van de Nederlandse hoogleraar risicomanagement Theo Kocken en Terry Jones
(Monty Python), over hoe de mensheid zich van crash naar crash consumeert,
toont aan dat oude ‘waarheden’ volgens de grote denkers aan herbekijken toe
zijn. Maar de enige plek waar er volgens Luyendijk echt aan de radertjes in het
systeem gedraaid kan worden, is de politieke nieuwsredactie.

“Als daar tien
dominante personen zeggen: “We moeten uitspitten hoe alle politieke partijen
precies denken over financiële hervormingen, dan kan er iets veranderen. Niets
houdt de VRT tegen om grondig in kaart te brengen hoe een betrouwbare financiële
sector er volgens de vijf grote partijen uitziet. Wat zijn de noodzakelijke
stappen en waarom nemen ze die niet? “Opvoeding” is een vreselijk beladen woord
in de journalistiek, maar je zult de mensen toch moeten uitleggen dat een van
de belangrijkste aspecten van het land niet goed geregeld is.

Journalisten moeten weer voor hun publiek gaan schrijven, ja, en niet voor hun bronnen. Dat, en niet
alle nieuwe technologie waar iedereen zo euforisch over doet, zou misschien wel
eens de redding van de journalistiek kunnen zijn. Want waar zijn wij anders
eigenlijk voor?”

Joris Luyendijk,
Dit kan niet waar zijn, Atlas-Contact, 19.19 euro

Ps er zijn ook
enkele YouTube video’s te bekijken van lezingen van Joris

dagelijkse newsletter

take down
the paywall
steun ons nu!