Opinie

Ziekte maakt mensen niet alleen ziek: het maakt zichtbaar wie er overblijft

Afbeelding
Foto: DepositPhotos.com
Foto: DepositPhotos.com
Chronische ziekte verandert meer dan een lichaam. Ze verandert relaties, werk, financiële zekerheid en de plaats die iemand inneemt in de samenleving. Terwijl België het beleid rond langdurig zieken steeds sterker richt op activering, opvolging en responsabilisering, dreigt een essentiële vraag ondergesneeuwd te raken: wat heeft iemand nodig om ondanks ziekte deel te kunnen blijven uitmaken van de samenleving?

“Illness does not create abandonment. It exposes who can stay when things are no longer convenient, light, imagined”, is een uitspraak van Adria Moses, auteur, dichter en trauma-genezer in Detroit, Michigan. (Ziekte veroorzaakt geen verlating. Ze maakt zichtbaar wie kan blijven wanneer de dingen niet langer gemakkelijk, licht of voorspelbaar zijn.)

Dat klinkt misschien hard. Toch zullen veel mensen die langdurig of chronisch ziek worden iets herkennen in die gedachte. Want ziekte beperkt zich zelden tot het lichaam waarin ze ontstaat. Ze beweegt mee naar de werkvloer, naar een relatie, naar vriendschappen, naar het gezin en uiteindelijk ook naar de manier waarop iemand zichzelf en zijn plaats in de samenleving ervaart. Wie langdurig ziek wordt, verliest daarom soms veel meer dan gezondheid alleen.

Wanneer het tijdelijke permanent wordt

Bij acute ziekte begrijpen we het scenario vrij goed. Iemand wordt ziek, krijgt behandeling, herstelt en neemt daarna zijn leven opnieuw op. Chronische ziekte houdt zich echter zelden aan dat draaiboek.

Er kunnen betere en slechtere periodes zijn. Een behandeling kan helpen zonder iemand volledig te herstellen. Iemand kan vandaag twintig uur werken en volgende maand tijdelijk veel minder. Een mens kan er aan de buitenkant gezond uitzien en ondertussen een aanzienlijk deel van zijn energie besteden aan pijn, vermoeidheid, medicatie, therapie, medische afspraken en herstel.

Precies die onvoorspelbaarheid botst met een samenleving die sterk georganiseerd is rond voorspelbaarheid. Een werknemer wordt verwacht op bepaalde uren. Productiviteit moet meetbaar zijn. Een afspraak wordt weken vooraf gepland. Een voltijdse functie bestaat uit een vooraf bepaald aantal uren en verantwoordelijkheden.

Maar, een chronisch ziek lichaam leest geen arbeidsreglement. Daar ontstaat een merkwaardige tegenstelling. We zeggen dat mensen met een chronische aandoening zo veel mogelijk moeten participeren, maar onze systemen blijven vaak gebouwd rond mensen die relatief stabiel functioneren. Wie daarvan afwijkt, moet zich voortdurend aanpassen.

Ook relaties worden getest

Chronische ziekte vraagt bovendien iets van de omgeving. In het begin is er vaak begrip. Er zijn berichten, telefoontjes, vragen hoe het gaat. Maar wanneer weken maanden worden en maanden jaren, verandert er iets. Niet noodzakelijk uit onwil. Mensen raken gewend aan het feit dat iemand ziek is. De omgeving gaat verder. En ondertussen blijft de chrnoische zieke mens met die aandoening leven, met een realiteit die niet verdwenen is.

Sommige vriendschappen worden sterker. Andere verwateren. Binnen gezinnen veranderen rollen. Partners worden soms gedeeltelijk mantelzorger. Kinderen merken dat een ouder niet altijd dezelfde energie heeft. Sociale activiteiten worden afgezegd omdat het lichaam op het laatste moment andere plannen heeft.

Dit is een vorm van verlies waarover relatief weinig wordt gesproken. Niet het grote, zichtbare verlies van één dramatisch moment, maar het voortdurende herschikken van het leven. Je verliest misschien niet je beroep, maar wel het aantal uren dat je het kunt uitoefenen. Niet je vrienden, maar wel een deel van je sociale leven. Niet je zelfstandigheid, maar wel de vanzelfsprekendheid ervan. En telkens opnieuw moet worden gezocht naar een nieuw evenwicht.

Van mens naar dossier

Tegen die achtergrond is het relevant om naar het Belgische beleid voor langdurige arbeidsongeschiktheid te kijken. Dat er een maatschappelijk vraagstuk bestaat, valt moeilijk te ontkennen. Volgens het Rijksinstituut voor Ziekte- en Invaliditeitsverzekering (RIZIV) steeg het aantal werknemers en werklozen in invaliditeit tussen 2021 en 2025 met 17,92 procent. 

Het RIZIV wijst daarbij onder meer op demografische factoren en de verhoging van de wettelijke pensioenleeftijd. Psychische aandoeningen en aandoeningen van het bewegingsapparaat nemen binnen de langdurige arbeidsongeschiktheid een belangrijke plaats in.

Het is dus terecht dat we nadenken over hoe mensen die nog mogelijkheden hebben, ondersteund kunnen worden om opnieuw of gedeeltelijk te werken. Alleen maakt de manier waarop we dat organiseren – en de taal waarin we erover spreken – veel verschil.

Sinds 1 januari 2026 geldt het Re-integratietraject 3.0 (RIT 3.0), na het Koninklijk Besluit van 17 december 2025. Deze hervorming legt onder andere meer nadruk op preventie, contact met arbeidsongeschikte werknemers en het tijdig onderzoeken van mogelijkheden tot werkhervatting. 

Voor werknemers die na 1 januari 2026 arbeidsongeschikt zijn geworden, moet na minstens acht weken arbeidsongeschiktheid een inschatting van het arbeidspotentieel worden gevraagd. Werkgevers met minstens twintig werknemers moeten, wanneer bij zo'n werknemer arbeidspotentieel wordt vastgesteld, uiterlijk binnen zes maanden na het begin van de arbeidsongeschiktheid een re-integratietraject hebben gestart.

Tegelijk werkt de federale regering verder aan een versterkt Terug Naar Werk-beleid. Op 13 februari 2026 keurde de ministerraad een voorontwerp van wet goed voor een vierde hervormingsgolf. Volgens de federale communicatie steunt die op drie prioriteiten: instroom in arbeidsongeschiktheid voorkomen via preventie en vroegtijdige detectie, medische opvolging en jaarlijkse herbeoordeling versterken en re-integratie versnellen met responsabilisering van alle betrokkenen. Het gaat hier dus om een voorontwerp van wet, niet om een maatregel die door goedkeuring al volledig in werking trad.

Ook financiële sancties maken deel uit van die beleidsrichting. Op 27 februari 2026 keurde de ministerraad een ontwerp van Koninklijk Besluit goed dat onder specifieke voorwaarden voorziet in een vermindering van de uitkering met tien procent voor arbeidsongeschikt erkende personen zonder arbeidsovereenkomst die over voldoende arbeidspotentieel beschikken en bepaalde verplichtingen binnen hun socioprofessionele re-integratie niet naleven. 

Dit ontwerp noemt onder meer het niet tijdig inschrijven bij de bevoegde regionale dienst en het zonder geldige rechtvaardiging afwezig zijn op een contactmoment. Het werd voor advies aan de Raad van State voorgelegd.

Daar mogen we kritische vragen bij stellen. Niet omdat re-integratie verkeerd is. Integendeel. Werk kan betekenis, sociale verbondenheid, autonomie en financiële zekerheid bieden. Veel mensen met een chronische aandoening willen blijven werken, soms zelfs zeer graag. Maar, activering zonder voldoende ondersteuning en aanpassing kan verschuiven van begeleiding naar controle.

Arbeidspotentieel is geen vast getal

Het begrip arbeidspotentieel klinkt logisch, maar een mens laat zich moeilijk reduceren tot een percentage. Iemand kan misschien geen acht uur per dag meer functioneren, maar wel vier. Misschien niet vijf dagen per week, maar drie. Misschien niet meer in de oorspronkelijke functie, maar uitstekend in een andere rol waarin ervaring, kennis en inzicht belangrijker zijn dan fysieke belastbaarheid.

En soms kan iemand gedurende een bepaalde periode méér, om daarna tijdelijk opnieuw minder te kunnen. Dat is niet automatisch een gebrek aan motivatie. Het kan precies de realiteit zijn van een chronische aandoening: belastbaarheid fluctueert.

Daarom zou progressieve werkhervatting veel meer mogen zijn dan een tussenstation op weg naar het vroegere normaal. Voor sommige mensen is deeltijds of aangepast werken het nieuwe duurzame normaal. Dat hoeft geen mislukking te zijn.

Integendeel: wanneer iemand dankzij een aangepast ritme jarenlang betrokken kan blijven bij werk en samenleving, kan dat duurzamer zijn dan een te snelle terugkeer naar volledige prestaties, gevolgd door nieuwe uitval.

De vraag zou daarom niet uitsluitend mogen zijn hoeveel arbeidspotentieel iemand bezit. Minstens even belangrijk is de vraag of de arbeidsomgeving in staat is om dat potentieel duurzaam te ontvangen.

Kijk niet alleen naar wie ziek is

Er zit bovendien een risico in het woord ‘responsabilisering’ wanneer verantwoordelijkheid vooral wordt bekeken vanuit degene die ziek is. Want naar wie kijken we wanneer re-integratie mislukt? Naar de zieke werknemer?

Of kijken we ook naar functies waarin nauwelijks ruimte bestaat voor aangepaste uren? Naar werkgevers die moeite hebben om wisselende belastbaarheid organisatorisch op te vangen? Naar werkdruk, wachttijden in de gezondheidszorg, mobiliteit, administratieve complexiteit en functies waarin autonomie en herstelruimte beperkt zijn?

De regelgeving van RIT 3.0 legt overigens niet alleen verwachtingen bij de werknemer. Wanneer een werknemer tijdelijk of definitief ongeschikt is voor het overeengekomen werk, moet de werkgever de concrete mogelijkheden voor aangepast of ander werk of aanpassingen van de werkpost ernstig onderzoeken. 

Wanneer geen re-integratieplan wordt opgesteld omdat aangepast of ander werk technisch of objectief onmogelijk is, of redelijkerwijze niet kan worden geëist, moet dat gemotiveerd worden. Dat is belangrijk, want re-integratie is nooit uitsluitend een medische opdracht.

Het is ook een organisatorische en maatschappelijke opdracht. Een mens kan gemotiveerd zijn en toch botsen op een systeem dat onvoldoende flexibel is. Arbeidspotentieel hebben betekent nog niet dat de arbeidsmarkt automatisch een passende plaats voor dat potentieel aanbiedt. Dat onderscheid verdient veel meer aandacht in het maatschappelijke debat.

De onzichtbare arbeid van ziek zijn

Wat in cijfers en beleidsnota's bovendien gemakkelijk verdwijnt, is hoeveel werk ziek zijn op zichzelf kan vragen. Afspraken organiseren. Medicatie beheren. Formulieren invullen. Attesten bezorgen. Naar onderzoeken gaan. Wachten op resultaten. Een behandeling inpassen tussen gezin en werk. Herstellen van een slechte dag zonder te weten hoe morgen eruitziet.

Daarbovenop komt vaak de noodzaak om uit te leggen. Waarom je gisteren iets kon en vandaag niet. Waarom je wel twee uur op een terras kon zitten maar geen volledige werkdag aankunt. Waarom een goede dag niet betekent dat de aandoening verdwenen is. Waarom aangepast werken niet hetzelfde is als niet willen werken.

Chronische ziekte is zelden lineair. Net daarom is het gevaarlijk wanneer we functioneren uitsluitend beoordelen op momentopnames. Iemand zien wandelen betekent niet dat die persoon acht uur kan werken. Een professionele activiteit kunnen uitvoeren betekent niet automatisch dat alle andere activiteiten eveneens haalbaar zijn. Belastbaarheid bestaat uit meer dan wat iemand gedurende één zichtbaar moment kan.

Blijven wanneer het moeilijk wordt

Misschien brengt de gedachte waarmee dit artikel begon ons daarom terug naar de essentie: ziekte veroorzaakt niet noodzakelijk dat mensen afhaken. Ze kan zichtbaar maken wie en wat standhoudt wanneer het leven niet langer gemakkelijk, licht of voorspelbaar is.

Ziekte legt iets bloot. Bij mensen, maar ook bij systemen. Ze toont welke werkgever bereid is te zoeken naar wat nog wél mogelijk is. Welke collega niet alleen vraagt wanneer iemand opnieuw voltijds komt werken, maar ook hoe een duurzame terugkeer eruit kan zien. Welke vrienden blijven bellen wanneer het antwoord voor de zoveelste keer luidt dat het vandaag niet lukt.

Maar ziekte legt ook bloot welk soort samenleving we willen zijn. Natuurlijk moeten we nadenken over betaalbaarheid. Natuurlijk mag van mensen die opnieuw kunnen deelnemen worden verwacht dat zij, binnen hun mogelijkheden, meewerken aan een realistisch traject. Een sociaal systeem kan alleen blijven bestaan wanneer rechten en verantwoordelijkheden naast elkaar kunnen staan.

Maar verantwoordelijkheid kan nooit eenrichtingsverkeer zijn. Wie van een chronisch zieke flexibiliteit verwacht, moet ook ruimte creëren voor flexibele arbeid. Wie arbeidspotentieel wil benutten, moet aangepast werk werkelijk mogelijk maken. Wie mensen opnieuw wil laten participeren, moet erkennen dat gedeeltelijke participatie soms het maximaal haalbare én duurzame resultaat is.

En wie nagaat of een zieke voldoende inspanningen levert, moet ook durven kijken naar de inspanningen van werkgevers, zorgsystemen en overheid. Want misschien moeten we uiteindelijk minder vragen: “Hoe krijgen we langdurig zieken zo snel mogelijk opnieuw in het bestaande systeem?” En vaker: “Hoe bouwen we een systeem waarin mensen kunnen blijven deelnemen, ook wanneer hun gezondheid niet langer in een standaardmal past?”

Dat verschil lijkt klein. Maar voor iemand die chronisch ziek wordt, kan het het verschil betekenen tussen voortdurend moeten bewijzen wat niet meer lukt en opnieuw gewaardeerd worden om wat nog wél kan. Chronische ziekte hoeft iemand niet uit de samenleving te duwen.

Maar daarvoor moet die samenleving wel bereid zijn om te blijven wanneer het leven niet langer gemakkelijk, licht of voorspelbaar is. Misschien is dát uiteindelijk de echte maatstaf van inclusie.

 

Marieke Uleyn is coördinator van medische groepspraktijk Grusonia in Menen

Bronnen:

Federale Overheidsdienst (FOD) Werkgelegenheid, Arbeid en Sociaal Overleg. RIT 3.0: wijzigingen aan de codex welzijn op het werk inzake re-integratie en preventie van langdurige afwezigheid. Gepubliceerd 1 januari 2026. 

FOD Werkgelegenheid, Arbeid en Sociaal Overleg. Inschatting van het arbeidspotentieel. 

FOD Werkgelegenheid, Arbeid en Sociaal Overleg. Re-integratietraject voor werknemers (formeel traject). 

FOD Kanselarij van de Eerste Minister. ‘Terug Naar Werk’-beleid: uitvoering van de vierde hervormingsgolf. Ministerraad van 13 februari 2026. 

FOD Kanselarij van de Eerste Minister. Terug naar werk: responsabilisering van de arbeidsongeschikt erkende gerechtigden. Ministerraad van 27 februari 2026. 

RIZIV. Statistieken over de invaliditeit van werknemers en werklozen in 2025. 

Notes:

  1. Een voorontwerp is een voorlopige tekst van de regering die nog onderhevig is aan wijzigingen, toevoegingen. Het is een voorbereidend werkdocument, dat al tendenzen en richtingen weergeeft maar nog geen definitief ‘wetsontwerp’ dat goedgekeurd is door de regering en aan het parlement ter bespreking wordt voorgelegd.
  2. Een wet wordt goedgekeurd met een meerderheid van stemmen door het parlement. Een Koninklijk Besluit (KB) is een regeringsbeslissing om een reeds bestaande wet in de praktijk toe te passen. Een KB moet niet door het parlement worden goedgekeurd. De Raad van State beslist of het voldoet aan de vereisten van de wet. 

Vandaag op de hoogte van de wereld van morgen?