De community ruimte is een vrije online ruimte (blog) waar vrijwilligers en organisaties hun opinies kunnen publiceren. De standpunten vermeld in deze community reflecteren niet noodzakelijk de redactionele lijn van DeWereldMorgen.be. De verantwoordelijkheid over de inhoud ligt bij de auteur.
Dialectiek van de krekel en de mier Dialectics of the Cricket and the Ant
[English underneath]
Van de krekel en de mier
Al sinds mijn prille jeugd ben ik gefascineerd door de fabel van de krekel en de mier. Ik was zeker geboren als krekel, dacht ik. Ik was een dichter en dus een zanger natuurlijk. Blijven zingen de hele zomer, leek me het juiste om te doen. Die enggeestige, rancuneuze mieren hadden volgens de jonge puber in mij twee keer ongelijk: eerst de hele zomer werken en dan nog hooghartig weigeren om dichters en zangers te helpen overleven in de winter.
Hier pro memorie een vrije vertaling van het einde van de fabel na het gebedel van de van honger creperende krekel: "Wat heeft U de hele zomer dan gedaan?" vraagt ze aan de bedelaarster. "Dag en nacht gezongen, met uw goedvinden". "U hebt Gezongen? Het zal me wat wezen, awel dans dan nu maar even".’ Bedelaars zijn niet populair en het verbaast me telkens opnieuw hoe hardvochtig ook welgestelde mensen hen wandelen sturen.
In een gesprek met mijn filosofische sparringpartner Irene, een Portugese filosofe die wel eens opduikt in mijn stukken, kwamen we over fabels te spreken, met onvermijdelijk de krekel en de mier als voorbeeld. Zij stelde dat een van de gebreken van fabels hun dualisme is: goed tegenover slecht, zwart tegenover wit.
Ik moest bekennen dat ik die dubbelheid, die tweespalt ook in mezelf herken. Ik schreef er ooit een puntdicht over: “Oh, ik, ongelukkige Centaur (1), / half feestvarken, half werkpaard.” Ik vertaalde het voor de vuist weg in het Frans (wij spreken altijd Frans met elkaar, af en toe iets in het Engels, mijn Portugees is helaas onbestaande).
Irene vond het grappig. Ze schreef het zelfs op. Uiteindelijk heb ik leren leven met die dubbelheid tussen feestvarken en werkpaard. Met vallen en opstaan weliswaar. En een hele zwerm Katers, een roedel loeders van lamlendige dagen. Dat is wel nog steeds dualistisch, gaf ik grif toe.
Want onder die tweespalt tussen werken en spelen, steekt het beeld van de tweespalt van de mens: half geest, half lichaam, half goddelijk en half dierlijk. Dat is het platonisch-christelijk (en cartesiaans) dualisme ten voeten uit. Nu, Irene brengt me altijd op ideeën en dit keer bracht ze me op het spoor van de hypothese dat we misschien deze fabels en moraliteiten dialectisch moeten opvatten.
Misschien is het niet of mier of krekel als absolute onverenigbare tegendelen, maar een dialectiek van tegendelen: dag en nacht volgen elkaar op, zijn altijd opnieuw onderweg naar elkaar, kunnen niet zonder elkaar. Zo is het ook met de krekel en de mier. Zo ook met het feestvarken en het werkpaard, die kunnen ook niet zonder elkaar. Vind ik toch.
Moraliteiten of fabels en parabels, zei ik in de loop van ons zoals altijd kronkelend en uitwaaierend, cirkelend gesprek, zijn niet waar of vals, maar toepasselijk, zoals spreuken. Tegen elke spreuk kan je een andere stellen die het tegendeel beweert. Mijn schoolvoorbeeld is: ‘elke vogel zingt zoals hij gebekt is’, maar daar tegenover staat: ‘zoals de oude zongen, zo piepen de jongen’.
Die twee ‘waarheden’ staan op gespannen voet met elkaar. Je zou het de dialectiek der spreuken kunnen noemen. Wijsheid heeft, zoals spreuken, een vreemde relatie met de waarheid, doceerde ik, verwijzend naar een oud essay. Zoals spreuken, gaat het bij wijsheid om toepasselijkheid, om te weten, welke spreuk, welke leefregel op welk moment passend is, toepasselijk.
Je moet weten welke wijsheid wanneer toe te passen. Anders is het papegaaienwerk of dogmatisme. En beide zijn het tegendeel van wijsheid. Wijsheid is eigenlijk een wezenlijk meervoud. Het is meervoudig, veelvormig, soepel, of is niet. Wijsheid is diep casuïstisch (2). Geval per geval. Wijsheid, besloot ik, is weten wat te doen en te zeggen wanneer. Wijsheid is praktisch of is niet. Het is niet zozeer een weten, maar een praktijk.
"Spreuken, fabels en moraliteiten komen van boven, van hogerhand, ze willen mensen in de pas doen lopen, toch?", wierp Irene. Ik ontkende niet, maar ik stribbelde flink tegen. Er zijn ook spreuken en gezegden die eerder subversief zijn. Ik denk aan "Je weet nooit hoe een koe een haas vangt". Een van mijn favoriete Vlaamse spreuken.
Bijna surrealistisch, zoals een paraplu en een naaimachine op een operatietafel, een opening: ook het onmogelijke is nooit helemaal onmogelijk. Irene was geamuseerd door mijn spreuk. Ze vulde instemmend aan: iets onmogelijks heet in het Portugees ‘vacas que voam’. Naar het Frans vertaald: ‘des vaches qui volent’. Vond ik prachtig.
Dit hele bestiarium, van krekels en mieren, van werkpaarden en feestvarkens tot vliegende koeien of koeien die hazen vangen, bewees ons overigens nog eens ten overvloede dat spreuken thuishoren in een rurale, agrarische, trage, pre-industriële wereld, waarin dieren medebewoners waren, en niet alleen in hetzelfde landschap leefden, maar vaak ook letterlijk onder hetzelfde dak.
Irene bleef insisteren op het regelende, disciplinerende van spreuken, fabels en moraliteiten. Het zijn leefregels. Ik wierp tegen dat echte morele regels ook tegen de macht, subversief gebruikt kunnen worden. Ik verwees naar Hillel (3), zijn onsterfelijke grap dat je de Torah (wat tegelijk de joodse bijbel en de morele regels betekent) staande op één been moest kunnen uitleggen.
En hij deed het nog ook: "Doe nooit een ander aan, wat je niet wilt dat een ander jou aandoet. Dat is de hele Torah. Ga en leer.’ Prachtig, en zeker niet aan de kant van de macht en de conventies, vond ik. Gewoon zuiver op de graad. En toch ook een beetje met een kwinkslag de Schriftgeleerden te kijk zettend.
En zo kwamen we ook bij Kant (4), die eigenlijk een versie van Hillels wijsheid verzon met de eerste vorm van de categorische imperatief: "Handel zo dat je maximes veralgemeenbaar zijn" (5). Dus jouw leefregels moeten ook universeel kunnen gelden, anders klopt er iets niet.
Ik zei dat ik de tweede vorm van de categorische imperatief nog veel mooier vond: “Handel zo dat je de mens nooit louter als middel, maar steeds ook als doel op zich bejegent". Van een bijna onfeilbare precisie. En zeker tegen elke vorm van machtsmisbruik, waarbij alles en iedereen altijd alleen maar middel is, voor het heilige doel van machtsbehoud of nog beter meer macht. De derde is me altijd ontsnapt, zei ik. We hadden geen van beide enig idee.
Heel verrassend zo blijkt: "Handle so, dass alle Maximen aus eigener Gesetzgebung zu einem möglichen Reich der Zwecke als einem Reiche der Natur zusammenstimmen". (Handel zo dat alle leefregels van eigen wetsbepaling tot een mogelijk rijk der doelen als een rijk der natuur overeenstemmen).
Het rijk der doelen. Onze filosofische oren begonnen te flapperen bij die uitdrukking. Na wat opzoekingswerk kwam ik tot de volgende uitleg. Kant bedoelt dat de ethiek autonoom moet zijn en dat alle maximes compatibel moeten zijn, als in een rijk waar alles en iedereen rationeel en moreel handelt, dat wil zeggen anderen doel op zich zijn. Het is een soort synthese tussen de eerste formulering (de universaliteit of algemeengeldendheid van mijn leefregels gebaseerd op mijn soevereine autonome beslissingen) en de tweede (iedereen ook altijd doel op zich).
Had hij wel wat eenvoudiger mogen formuleren. Dus alles moet samengebracht in het rijk der doelen dat dan tegelijk als een rijk der natuur verschijnt, een soort van hypothetische, kosmische projectie van Aristotelische teleologie (6): alles heeft een doel, en vanuit dat doel kan je alles begrijpen, in zijn totale samenhang. Dat rijk der doelen was een soort morele utopie als gedachtenexperiment om de eindige, eigen moraal aan af te meten.
In dat rijk der doelen ben je met een welgemikte hinkstapsprong zo weer bij de krekel en de mier, zag ik plots, nog voor ik het helemaal begreep: volgens Kant is het schone ‘doel op zich’, of nog eerder ‘doelmatigheid zonder doel’, zoals de esthetische ervaring belangeloos welgevallen is (in tegenstelling tot de aantrekking en de begeerte bijvoorbeeld - die zijn nooit belangeloos).
Doelmatigheid zonder doel, adembenemend mooi en verheven is dat. Het gezang. En dus de krekel. Een hele zomer lang. Maar er moet ook voorzien in het levensonderhoud en er moet ook iets gemaakt worden, iets opgebouwd, ook dat is een belangrijke zingeving, naast het gezang. Dat moet om de leefregels in het rijk der doelen te laten overeenstemmen met het rijk der natuur, het noodzakelijke levensonderhoud.
En zo konden we tenslotte eindelijk de krekel en de mier verzoenen, door te erkennen dat je beiden moet omhelzen, de lanterfantende zanger en de stachanovistische (7) workaholic.
Feesten is twee keer zo geestig als je keihard gewerkt hebt. Dat vond Irene ook. En zo waren we het voor een keer, ondanks ons eeuwig pingpongspel van tegenwerpingen, roerend eens.
Notes (nvdr):
(1) De centaur is een Grieks mythologisch wezen met hoofd en romp van een mens op een paardenlichaam. Meestal zijn het wilde barbaren. Oorsprong van de term is onbekend.
(2) De casuïstiek bekijkt de wereld vanuit concrete gevallen, niet vanuit vaststaande wetten of regels.
(3) De Joodse wijsgeer Hillel leefde ongeveer 100 jaar BC.
(4) De Duitse filosoof Immanuel Kant (1724-1804) had een grote invloed op de westerse filosofie. Zijn voornaamste werk is Kritiek van de zuivere rede (1781),
(5) Een maxime is een leefregel, een spreuk of een persoonlijk principe dat gedrag en handelingen van een persoon bepaalt.
(6) De teleologie is de filosofie die de dingen verklaart vanuit hun doelstelling of eindbestemming, niet vanuit hun ontstaan, hun begin of hun oorzaken.
(7) Het stachanovisme was een propagandacampagne in de Sovjet-Unie om de productiviteit van de arbeiders op te drijven, genaamd naar mijnwerker Aleksej Stachanov. Die zou ooit in één werkdag alleen 102 ton steenkool gedolven hebben, 14 maal zoveel als de aanvaarde norm per mijnwerker. Het was een geënsceneerde mythe.
----
On the treshold between summer and fall, between that vacation feeling and “la rentrée”—the back-to-school feeling—and the return to the hectic pace of professional life, philosopher Lieven De Cauter reflects on the dialectic between dolce far niente and work ethic. He does so by drawing on the fable of the grasshopper and the ant.
The Dialectics of the Cricket and the Ant
Ever since my early childhood, I’ve been fascinated by the fable of the cricket and the ant. I must have been born a cricket, I thought. I was a poet and therefore, naturally, a singer. Singing all summer long seemed like the right thing to do. To the young adolescent in me, those petty, spiteful ants were wrong on two counts: first, working all summer long, and then haughtily refusing to help poets and singers in the winter. (Here, for the record, is a free translation of the end of the fable after the crickets, dying of hunger, beg: “What have you been doing all summer, then?” she asks the beggar. “Singing day and night, with your permission.” “You’ve been singing? I couldn’t care less—well, go ahead and dance for a bit then.”) Beggars aren’t popular, and it never ceases to amaze me how cynically and callously even well-to-do people send them away.
In a conversation with my philosophical sparring partner Irene, a Portuguese philosopher who occasionally pops up in my pieces, we got to talking about fables, inevitably using the cricket and the ant as examples. She argued that one of the flaws of fables is their dualism: good versus evil, black versus white. I had to admit that I recognize that duality, that conflict, within myself as well. I once wrote a short poem about it: “Oh, I, unhappy Centaur, / half party animal, half workhorse.” I translated it off the cuff into French (we always speak French to each other, occasionally a bit of English—my Portuguese, unfortunately, is nonexistent). Irene thought it was funny. She even wrote it down. Eventually, I’ve learned to live with that duality between party animal and workhorse. Through trial and error, mind you. And a whole swarm of Katers, a pack of rascals from lazy days. That’s still dualistic, I readily admitted. Because beneath that dichotomy between work and play lies the image of the human dichotomy: half mind, half body, half divine and half animal. That is Platonic-Christian (and Cartesian) dualism in a nutshell.
Well, Irene always gives me ideas, and this time she put me on the trail of the hypothesis that perhaps we should interpret these fables and moral tales dialectically. Perhaps it is not a matter of “either the ant or the cricket” as absolutely irreconcilable opposites, but rather a dialectic of opposites: day and night follow one another, are always on their way toward each other , and cannot exist without one another. So it is with the cricket and the ant. The same goes for the party animal and the workhorse—they, too, cannot exist without one another. At least, that’s what I think.
Moralities, fables, and parables, I said in the course of our conversation—which, as always, meandered, fanned out, and circled around—are neither true nor false, but applicable, just like proverbs.
For every proverb, you can find another that claims the opposite. My classic example is: “Every bird sings as its beak is shaped,” but its counterpart is: “As the old ones sang, so the young ones chirp.” These two “truths” are at odds with each other. You could call it the dialectic of proverbs. Wisdom, like proverbs, has a strange relationship with the truth, I explained, referring to an old essay. Like proverbs, wisdom is about appropriateness—about knowing which proverb or rule of life is fitting and appropriate at any given moment. You have to know which wisdom to apply when. Otherwise, it’s just empty talk or dogmatism. And both are the opposite of wisdom. Wisdom is, in fact, an essential plurality. Wisdom is multifaceted, versatile, flexible—or it is not. Wisdom is deeply casuistic. Case by case. Wisdom, I concluded, is knowing what to do and say when. Wisdom is practical or it isn’t. It is not so much a matter of knowing as it is a practice.
“Proverbs, fables, and moral tales come from above, from higher powers; they’re meant to make people toe the line, right?” Irene interjected. I didn’t deny it, but I put up a strong argument against it. There are also proverbs and sayings that are rather subversive. I’m thinking of “You never know how a cow catches a hare.” One of my favorite Flemish proverbs. Almost surreal, like an umbrella and a sewing machine on an operating table—an opening: even the impossible is never entirely impossible. Irene was amused by my proverb. She added approvingly: something impossible is called “vacas que voam” in Portuguese. Translated into French: “des vaches qui volent.” I thought that was wonderful. This whole bestiary—from crickets and ants, from workhorses and party pigs to flying cows or cows catching hares—proved to us once again, abundantly so, that proverbs belong in a rural, agrarian, slow-paced, pre-industrial world, in which animals were fellow inhabitants, and not only lived in the same landscape but often also literally under the same roof.
Irene kept insisting on the regulating, disciplining nature of proverbs, fables, and moral tales. They are rules for living. I countered that real moral rules can also be used subversively against the “ ” power. I referred to Hillel, his immortal quip that one should be able to explain the Torah (which means both the Jewish Bible and the moral rules) while standing on one leg. And he actually did it: “Do not do to others what you would not want them to do to you. That is the whole Torah. Go and learn.” Beautiful, and certainly not on the side of power and convention, I thought. Just straight to the point. And yet also, with a bit of a twinkle in his eye, calling out the scribes.
And that’s how we came to Kant, who essentially devised a version of Hillel’s wisdom with the first form of the categorical imperative: “Act in such a way that your maxims can be universalized.” So your rules for living must also be universally applicable; otherwise, something isn’t right. I said that I found the second form of the categorical imperative even more beautiful: “Act in such a way that you never treat a person merely as a means, but always also as an end in themselves.” It’s almost infallibly precise. And it certainly stands against any form of abuse of power, in which everything and everyone is always merely a means to the sacred end: the preservation of power—or, better yet, more power. “The third one has always eluded me,” I said. Neither of us had the slightest idea.
Quite surprising, as it turns out. “Handle so, dass alle Maximen aus eigener Gesetzgebung zu einem möglichen Reich der Zwecke als einem Reiche der Natur zusammenstimmen.” (Act in such a way that all maxims derived from one’s own legislation harmonize with a possible realm of ends as a realm of nature.) The realm of ends. Our philosophical ears perked up at that expression. After some research, I arrived at the following explanation… Kant means that ethics must be autonomous and that all maxims must be compatible, as in a realm where everything and everyone acts rationally and morally—that is, where others are ends in themselves. It is a kind of synthesis between the first formulation (the universality or general validity of my rules of life based on my sovereign, autonomous decisions) and the second (everyone is also always an end in themselves). He could have phrased it a bit more simply. So everything must be brought together in the realm of ends, which then simultaneously appears as a realm of nature—a sort of hypothetical, cosmic projection of Aristotelian teleology: everything has a purpose, and from that purpose you can understand everything in its total coherence. That realm of ends was a kind of moral utopia, a thought experiment against which to measure one’s own finite morality.
In that realm of ends, I suddenly realized—even before I fully understood it—that with a well-aimed triple jump you’re right back with the cricket and the ant: according to Kant, the beautiful is an “end in itself,” or rather “purposiveness without a purpose,” just as the aesthetic experience is disinterested delight (in contrast to attraction and desire, for example—which are never disinterested). Purposiveness without a purpose—that is breathtakingly beautiful and sublime. The song. And thus the cricket. All summer long. But one must also provide for one’s livelihood, and something must be made, something built up; that, too, is an important source of meaning, alongside the song. This is necessary so that the rules of life in the realm of goals may correspond with the realm of nature—the necessities of life.
And so, in the end, we were finally able to reconcile the cricket and the ant by recognizing that you have to embrace both—the aimless singer and the Stakhanovite workaholic. Partying is twice as fun when you’ve worked really hard. Irene agreed. And so, for once—despite our never-ending back-and-forth of arguments—we were in complete agreement.