De community ruimte is een vrije online ruimte (blog) waar vrijwilligers en organisaties hun opinies kunnen publiceren. De standpunten vermeld in deze community reflecteren niet noodzakelijk de redactionele lijn van DeWereldMorgen.be. De verantwoordelijkheid over de inhoud ligt bij de auteur.
'Kind, gezin en buitenwereld' is zestig jaar later nog steeds een actueel boek
Hoe luidt het cliché ook alweer? Fransen zijn warrige intellectuelen met een voorkeur voor moeilijke woorden en lange zinnen die je drie keer moet lezen met een potlood in de hand, Duitsers bouwen systemen en structuren waarin ze vervolgens zelf verloren lopen en Britten doen gewoon voort.
Veralgemeningen zijn altijd te veralgemenend, maar de Duitse psychiater Emil Kraepelin, de Franse psychoanalyticus Jacques Lacan en de Britse kinderarts en psychoanalyticus Donald W. Winnicott passen alvast in dit plaatje. Systemen verouderen snel, intellectuele diepgang is een langer leven beschoren, pragmatiek is van alle tijden.
Psychoanalyse
Psychoanalyse heeft een reputatie die haar zelden helpt: ingewikkelde theorieën, een zwaar jargon en eindeloze gevechten tussen en binnen verschillende scholen die elkaar het licht in de ogen niet gunnen.
Tegen die achtergrond is het werk van Donald W. Winnicott (1896–1971) een opmerkelijke uitzondering: minder theorie, meer observatie; minder dogma, meer ‘keep calm and carry on’.
Belangrijk om te weten is dat hij van opleiding geen psychiater maar kinderarts was, die al snel zijn aandacht verlegde naar de interactie tussen moeder en kind en het belang van de omgeving heel sterk in rekening bracht.
Het boek is tegelijk een historische tekst en een verrassend actuele gids voor ouderschap
Met deze uitbreiding veroorzaakte hij een paradigmaverschuiving in het psychoanalytische denken: van een exclusief accent op het onbewuste en de driften naar de bestudering van de interactie met de omgeving en de impact daarvan op de ontwikkeling van het kind. Dat hij bovendien als pediater hoofdzakelijk normale kinderen in zijn praktijk zag, vaak met overbezorgde moeders, hielp ook. Winnicott is dé psychoanalyticus van de opvoeding.
Zijn boek The Child, the Family and the Outside World verscheen oorspronkelijk in 1964 en werd in 2021 opnieuw uitgebracht in de befaamde Penguin Classics-reeks. Zestig jaar na datum bevestigde die heruitgave hoe sterk Winnicotts reputatie is blijven groeien.
Nog altijd geldt hij als een van de meest invloedrijke denkers over de vroege ontwikkeling van het kind en over de rol van de omgeving daarin. Het boek is tegelijk een historische tekst en een verrassend actuele gids voor ouderschap. De vertaling Kind, gezin en buitenwereld maakt een klassieker uit de twintigste-eeuwse kinderpsychologie toegankelijk voor de Nederlandstalige lezer.
Revolutie door eenvoud
Het boek is opgebouwd uit drie delen: moeder en kind, het gezin, de buitenwereld. Winnicott volgt de baby vanaf de eerste weken na de geboorte tot het moment waarop het zijn plaats in de sociale wereld begint te vinden. Hij beschrijft situaties die elke ouder herkent: een kind dat niet wil slapen, een peuter die plotseling agressief wordt, een kleuter die een lievelingsknuffel niet kan missen. Die alledaagse voorbeelden vormen de basis voor bredere psychologische inzichten.
Wat Winnicott onderscheidt van zijn collega’s is zijn bijna radicale eenvoud en alledaagse taalgebruik. Veel teksten uit het boek zijn gebaseerd op wat we vandaag de dag podcasts zouden noemen – hij gaf vijftig uiteenzettingen op de BBC-radio over opvoeding waarbij hij zich rechtstreeks tot moeders richtte.
Een peuter groeit niet zomaar uit tot een autonoom individu, dat kan slechts dankzij een omgeving die het kind eerst volledig ondersteunt en geleidelijk meer zelfstandigheid toelaat.
Zijn uitgangspunt kan samengevat worden in een van zijn bekendste stellingen: er bestaat eigenlijk geen baby, alleen een baby-met-moeder. Met andere woorden: de ontwikkeling van een kind kan niet begrepen worden zonder de relatie met degene die voor het kind zorgt.
Dat levert alvast een eerste begrip op dat eigenlijk geen echt begrip is, maar iets wat je zo voor je kunt zien: een holding environment, een ouder die een baby vasthoudt, voedt en geruststelt, als basis voor een omgeving waarin het kind zich veilig genoeg voelt om een zelfbeeld te ontwikkelen. Een peuter groeit niet zomaar uit tot een autonoom individu, dat kan slechts dankzij een omgeving die het kind eerst volledig ondersteunt en geleidelijk meer zelfstandigheid toelaat.
Dat levert een tweede begrip op – ook alweer geen echt begrip – dat in onze tijden van overbezorgde ouders zo mogelijk nog belangrijker is: de good enough mother. In plaats van een ideale perfecte opvoeding te schetsen, benadrukte Winnicott dat ouders simpelweg goed genoeg moeten zijn.
Winnicott verdedigde het vertrouwen in het gewone ouderschap tegen de toenemende invloed van deskundigen die gezinnen wilden vertellen hoe ze moesten opvoeden
In de beginperiode houdt dit in dat zij zich nagenoeg volledig moeten afstemmen op de behoeften van de baby – wat Winnicott ‘primaire moederlijke betrokkenheid’ noemt – maar daarna mogen, ja, moeten ze stap voor stap ‘fouten’ maken. Door die geleidelijke teleurstellingen en de bijbehorende frustraties leert het kind dat de wereld niet volledig naar zijn wensen gevormd is en ontwikkelt het een realistischer verhouding tot de werkelijkheid.
Het geniale van deze gedachte is dat ze ouders tegelijk geruststelt en toch verantwoordelijk maakt. Perfectie is niet nodig, maar een betrouwbare, liefdevolle aanwezigheid wel. Winnicott verdedigde hiermee expliciet het vertrouwen in het gewone ouderschap tegen de toenemende invloed van deskundigen die gezinnen wilden vertellen hoe ze moesten opvoeden.
Een derde belangrijk begrip is het transitional object: een knuffelbeest of ander object dat voor het jonge kind een bijzondere betekenis krijgt (het nam zelfs iconische proporties aan dankzij striptekenaar Schulz, die peuter Linus in de Peanuts-reeks steevast met zijn dekentje laat rondzeulen).
Vandaag kijkt men daar vooral vertederd naar en vergeet men ondertussen de o zo belangrijke functie ervan. Het is de eerste stap naar het ultieme doel van de opvoeding: dat onze kinderen ons kunnen achterlaten en hun eigen plaats in de buitenwereld veroveren.
Het transitioneel object is een ding in de tussenruimte, tussen ouders en peuter, dat helpt om de stap te zetten van volledige afhankelijkheid naar een eigen innerlijke wereld. Opvallend en typisch voor zijn stijl is dat Winnicott in dit boek het begrip zelf niet eens gebruikt, terwijl hij wel de uitleg geeft en het accent legt op de uitbreiding ervan: het spel, nog zo’n centraal thema in zijn denken.
Spelen is niet alleen een activiteit van kinderen, het is een basisvorm van menselijke creativiteit
Al spelend ontdekt het kind een overgangsgebied tussen innerlijke fantasie en externe werkelijkheid. Voor Winnicott reikt dit overgangsgebied veel verder dan de kindertijd. Kunst, religie en cultuur bevinden zich volgens hem in dezelfde ruimte tussen fantasie en werkelijkheid. Spelen is niet alleen een activiteit van kinderen, wel een basisvorm van menselijke creativiteit.
Een subtiele moraal
Wat Winnicotts werk zo belangrijk maakt, is dat zijn psychoanalytische visie tegelijk een subtiele moraal bevat. Niet in de vorm van regels of voorschriften, maar in de vorm van een houding tegenover het kind. In die houding ligt meteen ook een gigantische les voor de hedendaagse psychiatrie en onze daardoor bepaalde maatschappelijke kijk: Winnicott verzet zich tegen de neiging om probleemgedrag onmiddellijk als gestoord of zelfs pathologisch te labelen.
Agressie, jaloezie of drift zijn vaak normale stappen in de ontwikkeling. Een kind dat destructief gedrag vertoont, kan op zoek zijn naar een omgeving die sterk genoeg is om zijn emoties te verdragen. Het gedrag en de emoties van kinderen moeten we vooreerst als betekenisvol bekijken en niet als een geïsoleerd probleem dat zo snel mogelijk moet worden opgelost.
Winnicott verzet zich tegen de neiging om probleemgedrag onmiddellijk als gestoord of zelfs pathologisch te labelen
Met die stelling herinnert Winnicotts werk ons aan iets dat vanzelfsprekend is of zou moeten zijn: dat ouderschap niet zozeer een technische vaardigheid is, maar wel een relationele praktijk.
In een tijd waarin opvoedingsboeken stappenplannen en gedragsadviezen meegeven en daarmee ouders met een nog groter schuldgevoel opzadelen, is een boek zoals Kind, gezin en buitenwereld verfrissend. Het nodigt de lezer uit om het gedrag van kinderen te begrijpen vanuit hun relatie met de wereld om hen heen.
Maatschappelijke verantwoordelijkheid
Meer dan een halve eeuw geleden benadrukte Winnicott dat opvoeding niet alleen een zaak van ouders is, maar ook een maatschappelijke verantwoordelijkheid. Ouders hebben ondersteuning nodig van andere ouders, familie, gezondheidszorg en onderwijs. Als de kwaliteit van de onmiddellijke omgeving van het kind belangrijk is voor diens ontwikkeling, dan is de kwaliteit van de omgeving rond de ouders en het kind minstens even belangrijk.
Vandaag de dag wordt opvoeding zoals ongeveer alles intens geïndividualiseerd: het is een ‘project’ waarvan het succes op Instagram komt en het falen aanvoelt als persoonlijke mislukking. Individueel dus: dát kind vertoont een ‘stoornis’, dié moeder hanteert een verkeerde aanpak, met als oplossingen therapie voor het kind en coaching voor de moeder.
Winnicott zou grote ogen opzetten mocht hij de huidige individualisering en labeldiagnostiek zien. Vreemd genoeg weten we vandaag beter dan in zijn tijd hoe bijvoorbeeld stress, armoede en ontoereikende zorgomgevingen een directe impact hebben op de hersenontwikkeling van baby’s, en vervolgens op hun gedrag en affectontwikkeling.
Winnicotts stelling dat ook de samenleving een holding environment moet creëren, in dit geval voor ouders en kinderen, blijkt dus verrassend vooruitziend. Het accent moet op preventie liggen, en niet zoals vandaag op een doorgeslagen labeldiagnostiek, een uit zijn voegen barstende ‘zorg’ en de zoveelste hervorming in het onderwijs.
De kern van zijn maatschappelijke boodschap kan in één idee samengevat worden: een samenleving die gezonde volwassenen wil, moet investeren in de omstandigheden waarin baby’s en kleuters opgroeien.
De overheid moet de voorwaarden scheppen die ouders, crèches en kleuterscholen in staat stellen hun rol te vervullen, maatschappelijk hebben we een mentaliteitsverandering nodig die tijd en ruimte maakt voor kinderen.
Zeker in België is er werk aan de winkel, maar dan niet het soort werk waar de huidige overheid zich op blijft blindstaren.
Gedateerd?
Kind, gezin en buitenwereld dateert van 1964, toen de maatschappij er helemaal anders uitzag. Het merkwaardige is dat Winnicotts visie vandaag zo mogelijk nog relevanter is dan toen.
De enige aanpassing die de vertaler heeft moeten doorvoeren, betreft het toenmalige accent op de moeder als de centrale verzorger, terwijl hedendaagse lezers vanzelfsprekend ook de rol van vaders, partners en andere opvoeders zullen benadrukken.
Meer dan zestig jaar na de eerste publicatie blijft Winnicotts boodschap verrassend eenvoudig: kinderen hebben geen perfecte ouders nodig, maar ouders die aanwezig zijn. Waar ik aan toevoeg dat we daarvoor wel een maatschappij nodig hebben die een dergelijke aanwezigheid mogelijk maakt én waardeert.
D.W. Winnicott. Kind, gezin en buitenwereld. Borgerhoff & Lamberigts, Gent, 2025 (1964), 275 pp. ISBN 978 94 9344 3600
Deze recensie werd overgenomen van Paul Verhaeghe’s Boekenblog. Je kan je daar inschrijven om zijn recensies te ontvangen in je mailbox.