De community ruimte is een vrije online ruimte (blog) waar vrijwilligers en organisaties hun opinies kunnen publiceren. De standpunten vermeld in deze community reflecteren niet noodzakelijk de redactionele lijn van DeWereldMorgen.be. De verantwoordelijkheid over de inhoud ligt bij de auteur.
België evolueert naar Amerikaanse politietoestanden
In een artikel in De Morgen van 2 mei 2026 stelt Joris van der Aa een belangrijke vraag; “Waarom zat die onderzoeksrechter vier maanden in een safehouse?
Bij Justitie benadrukt men dat het de ‘veiligheidsdiensten’ zijn die beoordelen of iemand in een safehouse geplaatst moet worden of niet. Die dreigingsanalyse stellen de veiligheidsdiensten’ op basis van, zo staat in een officieel persbericht, een “breed geheel van informatie. Daarmee suggereert men dat de veiligheidsdiensten over informatie beschikten die niet in het strafdossier werd opgenomen.”
Het is geen fait divers maar een suggestie die aantoont hoe een gerechtelijk onderzoek een politieoperatie is geworden, waarbij de onderzoeksrechter bedrogen wordt en het parket en de politie de onderzoeksstrategie en de onderzoekspistes bepalen. Daarmee zitten wij bij de kenmerken van een politiestaat.
Bendeonderzoek
Het was één van de grootste ‘disfuncties’ van het Bendeonderzoek. De parlementaire onderzoekscommissie stelde vast dat de onderzoekspistes en de onderzoeksstrategie niet door de onderzoeksrechter maar door procureur Deprêtre van Nijvel waren bepaald. Deze laatste beweerde dat de moorden het werk waren van gewone criminelen, ‘des zozo's’.
De andere mogelijke onderzoekspiste, een mogelijke ontwrichtingsoperatie van de staat werd door hem tegengewerkt. Wie die wou bekijken werd uit het onderzoek gezet. Dat er werd gemanipuleerd om het onderzoek te belemmeren werd nadien ook openlijk toegegeven.
Rijkswachtoperatie
In 1988 ontdekte een Antwerpse onderzoeksrechter het bestaan van een geheime dienst binnen de Rijkswacht, de Gerechtelijke Informatie Dient (GID). Deze door Rijkswacht-adjudant Willy Van Mechelen geleide dienst verzamelde niet alleen informatie maar voerde ook ‘operaties’ uit.
In de Operatie Antwerp Tower werden drie Duitse onderdanen aangehouden, huiszoekingen verricht en geld in beslag genomen. Dat gebeurde door adjudant Van Mechelen samen met twee politieambtenaren van het Duitse Mobiel Einsatz Commando.
Om deze operatie af te schermen werd een vals proces-verbaal opgesteld. Daarin werden acht Rijkswachters opgevoerd die er niets mee te maken hadden, werden Van Mechelen en de Duitse politieabtenaren verzwegen en stond niets vermeld over in beslag genomen geld.
Een huiszoeking bij de generale staf van de Rijkswacht te Brussel legde het bestaan en de werking van deze nieuwe geheime inlichtingendienst bloot. Antwerps procureur Van Walle zag hier evenwel geen graten in. Hij vorderde de buitenvervolgingstelling van de Rijkswachters wegens ‘gebrek aan misdrijf’.
De voorzitster van de raadkamer besloot echter een beschikking tot verder onderzoek. Daartegen ging Van Walle in beroep zodat de zaak voor de Kamer van Inbeschuldigingstelling kwam. Vervolgens verdween dit dossier in de catacomben van het Hof van Beroep zodat het nooit in openbare zitting voor een strafrechter kwam.
Dutroux
Dit maakte het voornaamste twistpunt uit in het onderzoek over het onderzoek-Dutroux: Werd onderzoeksrechter Doutrèwe op de hoogte gebracht van Operatie Othello, de geheime observatie van de huizen van Dutroux? Of werd ook zij door de Rijkswacht bedrogen?
In het door de Vaste Comité op het toezicht van de politiediensten (Comité P) daarover gevoerde onderzoek werd één lid uitgesloten: de voormalige onderzoeksrechter die het onderzoek van de Operatie Antwerp Tower had geleid.
Dit gebeurde op vraag van toenmalig Senaatsvoorzitter Frank Swaelen (CVP, nu CD&V) en van de voorzitter van de parlementaire commissie die het Comité P ‘begeleidde’, Robert de Lathouwer (SP, nu Vooruit). Drie leden van het Comité P stelden een geheel vervalst verslag op waarin de Rijkswacht werd witgewassen.
Daardoor moest de parlementaire commissie zijn onderzoek overdoen. Het maakte het meest indringende moment van deze onderzoekscommissie uit. Commissievoorzitter Marc Verwilghen (VLD, nu Anders) merkte op dat één partij van beiden, de onderzoeksrechter of de Rijkswachtspeurders hadden gelogen. In het eindverslag van de commissie werd uitvoerig aangegeven dat de onderzoeksrechter was bedrogen.
Cassettes
Op het eind van het mandaat van de eerste leden van het Comité P deed de toenmalige Antwerpse onderzoeksrechter, op vraag van de procureur-generaal te Luik, een onderzoek van de bij Dutroux aangetroffen videocassettes. Hij ontdekte dat op één amateurcassetje te zien was waar Dutroux een ‘cache’ had gemaakt.
Achteraan in de living was een grote opening in de vloer te zien waaruit een verluchtingsbuis kwam. Waarom was toen rijkswachter René Michaux die deze videocassete bij zijn eerste huiszoeking had aangetroffen niet onmiddellijk teruggegaan om op deze zichtbare plaats een nieuwe huiszoeking te verrichten? Waarom werd de vrouw van Dutroux verboden het huis te betreden? De parlementaire onderzoekscommissie stelde deze vragen. In het eindverslag wordt daarover het volgende geschreven:
“Mochten de meisjes toen nog in leven zijn geweest, dan is het verdere verloop van de gebeurtenissen echt tragisch te noemen. De huissleutels worden immers pas op 6 januari 1996 teruggegeven aan de echtgenote van Dutroux, na herhaalde verzoeken van Dutroux en zijn advocaten (ook aan de hand van medische getuigschriften) aan de onderzoeksrechter, met de bede Michèle Martin in het huis te laten wonen. Als de kinderen in het huis aanwezig waren, betekent dit dat ze het één maand lang zonder verzorging en zonder voeding hebben moeten stellen.”
Julie en Mélissa
Dutroux werd niet vervolgd voor de moord op Julie en Mélissa omdat hij toen was opgesloten. Door de lijkschouwing werd vastgesteld dat de kinderen omkwamen van honger en dorst. Gebeurde dat terwijl de Rijkswacht er vanuit Operatie Othello, de geheime observatie van het huis, op toekeek?
Rijkswachtadjudant Paul Van Keer gaf er een publieke verklaring over. De mededaders in het netwerk zouden met autobussen worden afgevoerd. Werden de kinderen daarbij als lokaas misbruikt? De parlementaire onderzoekscommissie was zich bewust van de vraag. Verder onderzoek bleef evenwel uit.
Verdere evolutie
Door de Commissie-Franchimont werden de opdrachten en bevoegdheden van zowel de procureur als van de onderzoeksrechter verfijnd. De procureur verkreeg de bevoegdheid om te seponeren, niet om te vervolgen. De onderzoeksrechter moest alle maatregelen nemen die de rechtscolleges in staat moeten stellen met kennis van zaken te oordelen. Tegelijkertijd sneed de wet op het politieambt het gerechtelijk onderzoek in twee stukken, enerzijds de gerechtelijke actie door de onderzoeksmagistratuur, anderzijds de politieoperatie onder de enkele leiding van de politie.
Bij de oprichting van het federaal parket werd nog verder gegaan. De scheiding tussen de gerechtelijke actie door de magistratuur en de gerechtelijke politie en de bestuurlijke actie door de inlichtingendiensten werd opgeheven. Sindsdien werken alle diensten samen in een door het federaal parket geleidde specifieke vorm van opsporing en vervolging.
Daarbij worden bijzondere methoden aangewend, zelfs bij een nog niet gepleegd misdrijf. Indien daarbij grondwettelijk beschermde rechten moeten geschonden worden, bijvoorbeeld voor een huiszoeking, kunnen de inlichtingendiensten hiervoor beroep doen, niet op een onderzoeksrechter, maar op een speciaal, daarvoor opgerichte “bestuurlijke commissie”.
Die commissie staat enkel onder toezicht van het Vast Comité voor het toezicht op de inlichtingendiensten (Comité I). Maar ook dat Comité I moet de door de inlichtingendiensten zelf opgelegde geheimhouding respecteren.
Burgerinfiltrant
Door de wet op de burgerinfiltrant kan nu ook een gewone burger ingeschakeld worden in een gerechtelijke of politionele operatie. Deze burger mag daarbij zelfs misdrijven plegen om ‘doelmatig’ te zijn. Daartoe heeft hij de goedkeuring van de procureur nodig.
Om deze handelswijze af te schermen kan de procureur beslissen om geen gevolg te geven aan vastgestelde misdrijven zodat er geen vervolging en behandeling voor de strafrechter in openbare ziting kan gebeuren.
Lassoued
Abdesalem Lassoued pleegde in oktober 2023 te Brussel een aanslag waarbij twee Zweden werden gedood. De dader stond echter reeds sinds 1 juli 2022 geseind in een Red Notice van Interpol met het oog op zijn aanhouding en uitlevering aan Tunesië. Ondermeer door Comité P en Comité I werd hier onderzoek over gdaan.
Opmerkelijk is dat in dit gemeenschappelijk onderzoek geen melding wordt gemaakt van een bevraging van twee belangrijke actoren in dit dossier, namelijk de twee betrokken inlichtingendiensten. Daardoor werd de onderzoekspiste van een mogelijke betrokkenheid van Lassoued als burgerinformant buiten beschouwing gelaten.
Deze piste wordt echter aangegeven door vragen over zijn inkomsten, zijn vrij verkeer doorheen meerdere landen, zijn contacten, zijn bezit van een oorlogswapen, de manier waarop hij tenslotte in een theebar werd afgeschoten (met ‘License to Kill’?). Dit kan een verklaring geven voor het feit dat er geen gevolg werd gegeven aan zijn seining door Interpol.
Welke informatie bezaten de inlichtingendiensten over de rol van Lassoued als lid van een terroristische organisatie? Onderzoek in de documentatie van de diensten had hierover uitsluitsel kunnen geven.
Het is ook zeer opmerkelijk dat waar de actie voor de aanslag werd gestopt en Lassoued in de parlementaire bespreking eerder als een ‘lone wolf’ werd omschreven er nadien en binnen de maand onderzoeksverrichtingen gebeurden die een andere piste doen vermoeden.
Op 19 oktober 2023 was er een huiszoeking in de Duitse stad Dresden en arresteerde de Franse politie – op vraag van de Brusselse gerechtelijke autoriteiten – enkele personen in de stad Nantes, in de departementen Loire-Atlantique, Maine-et-Loire en in de regio Parijs.
Ze zouden rechtstreeks een video van de schutter hebben ontvangen, juist voor de aanslag, waarin hij zijn intenties bekendmaakte. Op 24 oktober stelde de Parijse onderzoeksrechter twee in Parijs opgepakte Tunesische mannen, een veertiger en een vijftiger, in staat van beschuldiging voor medeplichtigheid bij de aanslag in Brussel.
Andere gearresteerden werden na verhoor vrijgelaten. De Tunesische veertiger had telefonisch contact met de schutter vooraf aan de aanslag over de verblijfplaats van de Zweedse voetbalploeg en direct na de aanslag over zijn terreuractie.
Ook in Spanje werd een man, die de opeisvideo van de dader had ontvangen, opgepakt en onder aanhoudingsbevel geplaatst. Hij was op de vlucht en had een crimineel verleden.
Op 25 oktober werd de 44-jarige Tunesiër Lamjed K. in Tervuren gearresteerd en door de Belgische onderzoeksrechter in verdenking gesteld van moord en poging tot moord in een terroristische context en deelname aan de activiteiten van een terroristische organisatie.
Hij werd ervan verdacht het moordwapen, het Amerikaanse AR-15-aanvalsgeweer, aan de dader bezorgd te hebben. Op 20 november 2023 hield het Belgisch federaal parket vijf huiszoekingen, drie in Ninove, één in Sint-Joost-ten-Node en één in Elsene.
Drie mensen werden daarbij aangehouden. Twee werden verdacht van terrorisme en de derde van inbreuken op de wapenwet. Op 30 november 2023 arresteerde het Franse nationale anti-terreurparket een verdachte die wapens zou hebben geleverd voor Lassoued. Hij werd aangeklaagd voor medeplichtigheid aan moord in een terreuraanslag en aan criminele bendevorming.
De verzelfstandiging
Hoewel de wet-Franchimont trachtte de knelpunten in de procedures weg te nemen door het evenwicht tussen de bevoegdheden van de onderzoeksmagistratuur en de rechten van de burger te herstellen, ging het strafrechtelijk beleid in dit land een geheel andere weg op.
Het strafrechtelijk beleid zelf werd aan de hoven en rechtbanken en aan de rechtssspraak onttrokken en werd het monopolie van één politiek mandataris. Sindsdien bepaalt enkel de justitieminister wat in de vervolging en het onderzoek én bij de uitvoering van straffen belangrijk genoeg is zodat de procureurs-generaal en de rechters er enkel kunnen op toezien.
Door de verschuiving van de macht van de rechterlijke naar de uitvoerende macht voldoet het strafproces ook niet meer aan de vereisten van de eerlijke procesgang. Dat moet immers onder daadwerkelijk rechterlijk én openbaar toezicht en met gelijke wapens tussen de betrokken partijen gebeuren.
De suggestie dat “de veiligheidsdiensten over informatie beschikten die niet in het strafdossier werd opgenomen” is daarom een understatement. Het is een geïnstitutionaliseerde vorm van nieuwe opsporing en vervolging geworden waarin de uitvoerende macht de bovenhand heeft verkregen op de gerechtelijke.
De hervorming van het politielandschap in een ‘geïntegreerde’ politie is daarbij enkel een naamsverandering die de Federale Politie in de plaats van de Rijkswacht stelde en aan de onderzoeksmagistratuur een eigen politiedienst, de Gerechtelijke Politie bij de Parketten, ontnam.
De andere ingrepen zorgden voor verdere afscherming van deze verzelfstandigde politieoperatie. Daardoor komt evenwel ook de doelmatigheid van de gehele strafrechtelijke afhandeling in het gedrang. Die afhandeling moet immers nog steeds volgens de vereisten van het eerlijk proces verlopen zodat, zoals in het in voorliggend dossier is gebeurd, vrijspraken bij gebrek aan bewijs of onbehoorlijk onderzoek tussenkomen.
Zoals dat reeds van bij de moeder van alle ‘disfuncties’, de zaak van rijkswachtcommadant Léon François die het Nationale Bureau voor Drugs (NBD) leidde, erg duidelijk was, evolueren wij verder naar Amerikaanse toestanden waarbij het politiek beleid de grondwettelijke cheques and balances opzij schuift en de recherlijkie macht volkomen wordt miskend door het eigenzinnig optreden van één of andere politieoperatie.
Voor wanneer onze eigen U.S. Immigration and Customs Enforcement, beter bekend onder de afkorting ICE?