De community ruimte is een vrije online ruimte (blog) waar vrijwilligers en organisaties hun opinies kunnen publiceren. De standpunten vermeld in deze community reflecteren niet noodzakelijk de redactionele lijn van DeWereldMorgen.be. De verantwoordelijkheid over de inhoud ligt bij de auteur.

Reportage

De stilte van Bredene: leven en wachten in een opvangcentrum 

Afbeelding
Opvangcentrum in Bredene bij het vallen van de avond. (Foto: eigen beeld)
Opvangcentrum in Bredene bij het vallen van de avond. (Foto: eigen beeld)
Miguel Desot, voormalig assistent bij Fedasil, schreef een aangrijpend stuk over de mensen die hij ontmoette in het opvangcentrum van Bredene. Zijn verhaal geeft inzicht in de dagelijkse uitdagingen en kwetsbaarheden van vluchtelingen in de zoektocht naar veiligheid en stabiliteit.

Op een zaterdagochtend belt het ziekenhuis in Oostende. Amina moet vertrekken. Ze is 71 en herstelt van darmkanker. Ze mag het ziekenhuis verlaten, maar er is geen plek waar ze naartoe kan. 

Ik werkte op dat moment enkele maanden als sociaal assistent in het tijdelijke opvangcentrum van Fedasil te Bredene. 

Amina is erkend als vluchteling. Op papier betekent dat dat ze recht heeft op verblijf buiten het opvangcentrum. In de praktijk blijft ze vastzitten. Haar dochter Zinat woont op enkele kilometers van het ziekenhuis, maar ze kan daar niet terecht. In een woonzorgcentrum is er plaats, maar zonder financiële garantie van het OCMW geraakt ze er niet binnen. Op de private huurmarkt is het voor iemand in haar situatie quasi onmogelijk om iets te vinden. 

Het ziekenhuis belt opnieuw. Wanneer kan ze opgehaald worden? Ik kijk naar haar dossier. Alles staat erin. Alleen niet waar ze naartoe kan. 

Leven in het centrum 

In het opvangcentrum in Bredene wonen 313 mensen samen. De meesten delen een kamer met meerdere anderen. In sommige kamers slapen tot zeven alleenstaande mannen. De ruimte is beperkt. In andere kamers worden kasten of lakens gebruikt om een beetje privacy te creëren. Elke bewoner heeft een bed, een kast en meestal één stopcontact.  

Houda is zes jaar. Ze loopt door de gangen en kijkt binnen in de kamers. Ze kent iedereen. Voor haar is dit een speelplaats. Voor anderen is het een wachtkamer. 

Mohamed uit Mali staat elke ochtend om vier uur op. Hij vertrekt in het donker, in de winterse koude, met een oude fiets naar zijn werk, zeven kilometer verder, omdat er nog geen tram rijdt. ’s Avonds komt hij terug en gaat op zijn bed liggen, in een kamer die hij deelt met mannen uit onder meer Burundi, Libië, Jemen, Syrië, Congo en Oezbekistan.  

Ahmed uit Gaza heeft zijn familie al elf jaar niet in persoon gezien. Hij spreekt hen online, maar maakt zich voortdurend zorgen om hen door de oorlog. Hij zoekt contact, vraagt soms of we samen koffie kunnen drinken. “Bedankt om te luisteren”, zei hij ooit. “Want eigenlijk luistert niemand écht naar een vluchteling.” 

“Bedankt om te luisteren, eigenlijk luistert niemand écht naar een vluchteling” 

De dagen verlopen traag. Veel bewoners wachten op een volgende stap in hun procedure. Sommigen volgen lessen of nemen deel aan activiteiten, anderen blijven op hun kamer. Wachten is voor velen de hoofdactiviteit. 

Kleine ergernissen lopen snel op. Bewoners komen langs met klachten over hun kamergenoten: lawaai, rommel, gedrag. Soms gaat het om kleine dingen, soms om spanningen die al langer sluimeren. Van kamer veranderen kan in principe niet, behalve in uitzonderlijke situaties. 

Sommige bewoners proberen het centrum zo vaak mogelijk te verlaten, om even weg te zijn uit de drukte. Niet iedereen houdt zich aan de regels. 

Wie weg wil, moet ‘permissie’ aanvragen. Daarvoor is een handtekening nodig van de sociale dienst en de medische dienst. Afwezigheden worden bijgehouden in een gedeelde lijst. 

Voor veel bewoners voelt dat vreemd. Het gaat om volwassenen die toestemming moeten vragen om enkele dagen weg te kunnen. Tegelijk is het systeem niet zonder reden. De afwezigheden worden beperkt en gecontroleerd, ook omdat er elders een tekort aan plaatsen is. 

Toch komen bewoners telkens opnieuw langs om hun aanvraag te laten ondertekenen. Voor sommigen is dat een drempel. Niet iedereen begrijpt waarom het nodig is. 

Afbeelding
Kamer in een opvangcentrum (Koksijde), waar bewoners met meerdere personen samenleven en beperkte privacy hebben. (Foto: eigen beeld)
Kamer in opvangcentrum (Foto: eigen beeld) 

Systeem en controle

Bij aankomst ondertekenen bewoners het huishoudelijk reglement. De regels zijn duidelijk en gelden voor iedereen. Wie ze niet naleeft, doorloopt een vast traject van  mondelinge en schriftelijke waarschuwingen en mogelijke sancties, tot en met een disciplinaire transfer naar een ander centrum.  

In de praktijk betekent dat een systeem van opvolging en registratie. Afwezigheden, conflicten en overtredingen worden vastgelegd. In Match-IT, het interne registratiesysteem van Fedasil, krijgt elke bewoner een dossier. Wat niet geregistreerd is, lijkt niet te bestaan. 

Hij is geregistreerd, maar wie hij is, blijft grotendeels onduidelijk

Nahom heeft zo’n dossier. Zijn individueel begeleidingsplan bestaat uit twee pagina’s met nauwelijks informatie. Hij is geregistreerd, maar wie hij is, blijft grotendeels onduidelijk. 

Het contrast is opvallend: er wordt veel vastgelegd over regels, afwezigheden en sancties, maar minder over de persoon zelf. 

Ook praktische situaties botsen op dat systeem. Faraj komt bijna dagelijks langs met klachten. Zijn vrouw Ayah heeft problemen met het andere Afghaanse koppel waarmee ze de kamer delen. Het gaat vaak om kleine dingen, maar ze stapelen zich op. 

Wanneer er kamers vrijkomen, lijkt een oplossing eenvoudig. Toch blijven ze samenzitten. Een kamerwissel vraagt een administratieve aanpassing die niet zomaar gebeurt. In dit geval speelt ook mee dat het centrum enkele weken later sluit. Verhuizen betekent: dossiers aanpassen, badges aanpassen, kamers opnieuw openen en nadien weer afsluiten. 

Voor veel bewoners voelt dat als vreemd. Ze zien lege kamers, maar blijven waar ze zijn. 

Bewoners openen deuren met een badge, die ook hun aanwezigheid registreert

Het systeem reikt verder dan alleen de kamers. Bewoners openen deuren met een badge, die ook hun aanwezigheid registreert: in de kamer, aan de ingang, in het restaurant. Wie er is en wie niet, is op elk moment zichtbaar. 

Ook in het dagelijks leven zijn er beperkingen. Bewoners mogen niet koken op hun kamer. Sommigen doen het toch, met kleine vuurtjes of een pan. Wanneer die worden gevonden, worden ze in beslag genomen. 

De regels zijn er niet zonder reden. Ze zorgen voor structuur en veiligheid in een omgeving waar veel mensen samenleven. Tegelijk beperken ze de ruimte om in te spelen op individuele situaties en maken ze het leven in het centrum sterk gestuurd. 

Werken en geld 

Sommige bewoners werken. Dat kan vanaf vier maanden na het indienen van hun asielaanvraag. Vanaf dan krijgen ze toegang tot de arbeidsmarkt, zolang er nog geen beslissing is genomen over hun dossier. 

Bahta uit Eritrea werkt voltijds in een fabriek. Hij verdient ongeveer 2.000 euro per maand. Wie meer dan 265 euro verdient, moet bijdragen voor het verblijf in het opvangcentrum. Die bijdrage, de zogenaamde cumulregeling, stijgt naarmate het inkomen hoger is en kan in de praktijk oplopen tot de helft van het loon. 

Bahta houdt na bijdragen en kosten ongeveer 1.200 euro over. Van dat bedrag stuurt hij geld naar zijn vrouw en twee kinderen in Eritrea. Wat overblijft, gebruikt hij hier. 

Hij werkt voltijds en betaalt mee voor zijn verblijf, voor een kamer die hij deelt met zes andere alleenstaande mannen. Zijn bed staat tussen kasten, met een laken gespannen over een ijzerdraad, om een beetje privacy te creëren. 

Op een dag vraagt hij of ik een foto van zijn gezin in kleur wil afdrukken

Op een dag vraagt hij of ik een foto van zijn gezin in kleur wil afdrukken. Hij hangt ze boven zijn bed. 

Wie niet werkt, krijgt in het centrum een vast bedrag aan zakgeld: 9,50 euro per week voor volwassenen en 5 euro voor kinderen, gestort op een bankkaart. Dat komt neer op ongeveer 38 euro per maand voor een volwassene. 

Binnen het centrum kunnen bewoners ook taken opnemen, zoals schoonmaken, helpen in de keuken of kleine klusjes. Daar staat geen loon tegenover, maar een beperkte vergoeding. In de praktijk gaat het om bedragen van ongeveer één tot twee euro per uur, met een maximum per maand. 

Luchia spreekt goed Engels en helpt dagelijks andere bewoners, landgenoten uit Eritrea, met vertalen van en naar het Tigrinya. Ze begeleidt hen naar de sociale dienst en legt uit wat er gezegd wordt. Voor dat werk krijgt ze geen vergoeding. 

Het verschil tussen werken buiten het centrum en taken doen binnen het centrum is groot, maar in beide gevallen blijft de leefsituatie dezelfde. 

Hoeveel iemand precies moet afstaan en hoe dat berekend wordt, is voor bewoners niet altijd duidelijk. Werken betekent niet automatisch dat iemand financieel zelfstandig wordt. 

De toepassing van die cumulregeling ligt ook intern gevoelig. Onder personeel leeft weerstand tegen de strengere controle op inkomsten en bijdragen. In het centrum circuleerde een petitie waarin medewerkers hun bezorgdheid uitten over de toenemende controle en de impact daarvan op bewoners. 

Kwetsbaarheid en begeleiding 

Naast de administratieve opvolging komen bewoners ook langs met persoonlijke vragen en problemen. Die gesprekken gaan vaak over gezondheid, familie of onzekerheid over de toekomst. Ze gebeuren één op één, meestal in een klein  kantoor en onder tijdsdruk.  

Tamar, een jonge vrouw uit Georgië, komt meerdere keren langs. Ze is zwanger en weet niet wat ze moet doen. Ze zoekt advies, maar vooral iemand die luistert. Uiteindelijk beslist ze om de zwangerschap te beëindigen. 

Ze zoekt advies, maar vooral iemand die luistert.

Sommige verhalen gaan over geweld. Mebrat, afkomstig uit Eritrea, vertelt dat ze onderweg naar Europa verkracht werd en genitale verminking heeft ondergaan. Ze is permanent doof aan haar linker oor nadat ze tijdens de boottocht lange tijd in het water lag, vlak voor de kustwacht haar kon oppikken. Ze wordt erkend als vluchteling. 

Ook binnen gezinnen zijn er complexe en moeilijke situaties. Sara, een meisje uit een Palestijns gezin, wordt op een onbekend adres ondergebracht na een incident van geweld. De vader kampt met psychische problemen en een afhankelijkheid van medicatie. De beslissing van de jeugdrechtbank om Sara gescheiden te houden van haar familie wordt verlengd. 

Ook binnen gezinnen zijn er complexe en moeilijke situaties

Voor het gezin is dat moeilijk te begrijpen. De ouders blijven op afspraken komen, de kinderen gaan naar school. Het jongste kind vertaalt soms gesprekken voor het hele gezin. De moeder is verscheurd. Tijdens een kort weerzien op een station is de opluchting groot, maar ook de onmacht: het is maar voor even. 

Als sociaal assistent ga ik mee naar de zitting. Ik zie hoe beslissingen genomen worden op basis van dossiers en eerdere verslagen, terwijl de situatie intussen al veranderd is. Er is weinig ruimte om dat verhaal van binnenuit te brengen. 

Niet alle kwetsbaarheid is zichtbaar. Omar, afkomstig uit Djibouti, was activist, klokkenluider tegen corruptie en actief als oppositiepoliticus. Hij werd vervolgd, aangereden en verloor een been. Hij moest het land ontvluchten. Vandaag zit hij in een rolstoel, afhankelijk van zorg en medicatie, en draagt hij alleen de verantwoordelijkheid voor zijn kinderen. 

Zijn verleden en zijn huidige situatie botsen. Hij wacht op een beslissing, terwijl zijn lichaam en zijn gezin intussen verder onder druk staan. 

Ook juridische bijstand speelt een cruciale rol. Bewoners moeten zich laten begeleiden door een advocaat tijdens hun asielprocedure. De kwaliteit van die begeleiding kan bepalend zijn. 

Sommige bewoners geven aan dat hun advocaat weinig tijd neemt of nauwelijks tussenkomt tijdens het interview bij het Commissariaat-generaal voor de Vluchtelingen en de Staatlozen. Anderen voelen zich wel goed ondersteund. 

Binnen de sociale dienst ontstaat er daardoor een informele kennis van wie dossiers grondig opvolgt en wie minder aanwezig is. Voor bewoners kan die keuze een groot verschil maken. 

“Als ik terug moet, maak ik er een einde aan”

Een negatieve beslissing betekent voor sommigen meer dan een administratieve uitkomst. “Als ik terug moet, maak ik er een einde aan”, zei Mohamed uit Mali. 

Ook op medisch vlak zijn er beperkingen. In het centrum gelden regels rond hygiëne en opvolging. Personeel wordt regelmatig getest op besmettelijke ziektes zoals tuberculose. Tegelijk blijft het risico op besmetting een constante bezorgdheid in een omgeving waar mensen dicht op elkaar leven. 

De samenwerking tussen sociale en medische dienst speelt daarin een rol. Tijdens gesprekken met de medische dienst komt vaak informatie naar boven die relevant is voor de begeleiding. Tegelijk is er medische vertrouwelijkheid. Zo wordt niet altijd  gedeeld wanneer een bewoner een besmettelijke ziekte heeft, zoals TBC, wat tot onduidelijkheid kan leiden in de omgang. Die samenwerking verschilt van centrum tot centrum. 

De noden zijn groot en verschillen sterk. Niet elke situatie kan even intensief worden opgevolgd. Veel gebeurt binnen de mogelijkheden van het centrum en de beschikbare tijd. 

Tussen regels en realiteit 

Het opvangcentrum werkt volgens duidelijke regels en procedures. Ze zorgen voor structuur in een omgeving waar veel mensen samenleven en waar plaatsen schaars zijn. Tegelijk botsen die regels in de praktijk met de situaties van bewoners.  

Voor sociaal assistenten betekent dat voortdurend afwegen. Tussen wat kan en wat nodig is. Tussen regels en mensen. 

Die spanning is niet uitzonderlijk, maar structureel. Beslissingen worden genomen binnen een kader dat weinig ruimte laat voor maatwerk. Wat mogelijk is, weegt vaak zwaarder dan wat nodig is. 

Tegelijk blijft de druk op het opvangnetwerk groot. In Brussel slapen duizenden alleenstaande mannen op straat bij gebrek aan plaats. Elke kamer telt. 

Slot

In het centrum gaan de dagen verder. Mensen wachten op een beslissing, op  nieuws, op een volgende stap. 

Het dossier van Amina blijft openstaan. Ze is erkend, maar heeft geen plek om naartoe te gaan. Het ziekenhuis blijft bellen. 

Alles klopt in haar dossier. 

Alleen niet waar ze naartoe kan. 

Houda tikte op mijn venster en had mijn bureau haar eigen plek gemaakt. Ze kwam tekenen, met stiften en papier. Veel kleuren. Ze kende iedereen in het centrum en liep overal binnen. 

Ze is naar België gekomen voor een levertransplantatie. Haar moeder Fatma was donor. Terugkeren naar Algerije is geen optie, omdat de opvolging en medicatie daar niet beschikbaar zijn. De grootmoeder ligt op sterven en Fatma weet niet wat ze moet doen. 

Houda stelde onophoudelijk vragen. Dingen die kinderen normaal niet vragen. Ze vroeg dan: “Zal die mevrouw ook een transfer krijgen?” 

Het centrum loopt stilaan leeg. 

Het raam blijft leeg. Haar vraag blijft hangen. Net als zij. 

Afbeelding
ang in het opvangcentrum van Bredene, waar bewoners vaak lange tijd wachten. (Foto: eigen beeld)

 

 

* De voornamen in dit artikel zijn gewijzigd om de privacy van de betrokkenen te beschermen. 

Afbeelding
https://www.dewereldmorgen.be/steun-ons
Steun ons | De Wereld Morgen

Vandaag op de hoogte van de wereld van morgen?