Opinie

Academische vrijheid is geen vrijgeleide voor racisme

Afbeelding
Nathan Cofnas. Foto: Nathan Cofnas
Nathan Cofnas. Foto: Nathan Cofnas
Na de aanstelling van Nathan Cofnas aan de UGent ziet jurist Pierre Thiriar hoe een fundamenteel debat telkens wordt platgeslagen tot een valse tegenstelling: ofwel ben je voor academische vrijheid, ofwel ben je tegen racisme. Alsof die twee niet tegelijk kunnen bestaan. Alsof het recht zwijgt waar de ideologie spreekt.

Begin 2026 werd bekend dat de Universiteit Gent de Amerikaanse wetenschapsfilosoof Nathan Cofnas had aangesteld als postdoctoraal onderzoeker. Cofnas verdedigt openlijk wat hij zelf "race realism" noemt: de opvatting dat biologisch afgebakende rassen bestaan en dat genetische factoren cognitieve verschillen tussen die rassen verklaren. 

In zijn publieke discours trekt hij daaruit vergaande conclusies: dat zwarte mensen in een echte meritocratie zouden verdwijnen uit vrijwel alle prominente maatschappelijke posities, dat overheden de raciale samenstelling van de samenleving moeten bewaken. Wat volgde was een golf van protest: meer dan vierhonderd medewerkers en studenten die open brieven tekenden, en een rector die zich blijft verschuilen achter gevolgde procedures.

Het debat over de aanstelling van Nathan Cofnas aan de Universiteit Gent werd razendsnel herleid tot een karikatuur: ofwel ben je voor academische vrijheid, ofwel ben je tegen racisme. Handig, want wie het debat zo kadert, hoeft niet langer in te gaan op de inhoud. Elke kritiek kan meteen worden weggezet als een aanval op een fundamenteel principe.

Maar zo werkt het recht niet.

De vraag is niet of academische vrijheid belangrijk is, dat is ze, evident. De vraag is wat zij beschermt en wat niet. Beschermt zij elk discours dat zich als wetenschap presenteert? Nee. Het recht maakt al decennialang een duidelijk onderscheid tussen vrije meningsuiting en uitingen die aanzetten tot discriminatie of gestoeld zijn op ideeën van rassuperioriteit. Dat onderscheid geldt ook binnen de universiteit. Het verdwijnt alleen zodra het debat ideologisch wordt opgevoerd.

Het recht beschermt het debat, maar niet de normalisering van discriminatie

Wie de teksten en publieke uitspraken van Cofnas leest, ziet geen onschuldige academische provocatie. Hij verdedigt niet alleen de stelling dat raciale groepen biologisch te onderscheiden zijn en verschillen in cognitieve capaciteiten vertonen. Hij verbindt daar ook expliciete conclusies aan over wie waar thuishoort in de samenleving. In zijn logica is structurele ondervertegenwoordiging van bepaalde groepen geen probleem, maar een natuurlijk gevolg van biologische realiteit. Dat is geen neutrale hypothese meer. Dat is een normatief project dat ongelijkheid legitimeert.

En precies daar ligt de juridische grens. Het recht beschermt het debat, maar niet de normalisering van discriminatie. Wie dat onderscheid weigert te maken, verwart vrijheid met straffeloosheid.

Er speelt bovendien nog iets anders, dat in het publieke debat zelden wordt benoemd. De casus-Cofnas staat niet op zichzelf. Ze past in een bredere strategie waarbij academische posities worden gebruikt om ideeën salonfähig te maken die buiten de universiteit weinig geloofwaardigheid hebben. Het mechanisme is eenvoudig: een aanstelling verleent legitimiteit. “Onderzoeker aan een universiteit” klinkt als een kwaliteitslabel, ook wanneer de onderliggende wetenschap zwaar wordt betwist. De instelling fungeert zo - al dan niet bewust - als versterker van een discours dat zij zelf niet zou onderschrijven.

Dat is geen detail. Dat is precies waarom dit debat niet alleen over vrijheid gaat, maar ook over verantwoordelijkheid.

Want universiteiten zijn geen vrijblijvende fora waar alles kan worden gezegd zolang het maar als “onderzoek” wordt verpakt. Het zijn publieke instellingen, gefinancierd met gemeenschapsgeld en belast met een maatschappelijke opdracht. Ze bepalen mee wat als kennis geldt, wie een stem krijgt en welke ideeën legitimiteit verwerven. Wie dat reduceert tot een abstract principe van onbeperkte vrijheid, miskent wat een universiteit is.

Een leeromgeving waarin bepaalde groepen systematisch als inferieur worden voorgesteld, is geen neutrale ruimte

De gevolgen zijn bovendien niet theoretisch. Een leeromgeving waarin bepaalde groepen systematisch als inferieur worden voorgesteld, is geen neutrale ruimte. Ze is een uitsluitingsmechanisme. En ze ondergraaft precies datgene wat men zegt te verdedigen: een vrije academische gemeenschap.

Het is daarom intellectueel oneerlijk om elke kritiek op dergelijke aanstellingen af te doen als een aanval op academische vrijheid. Dat is geen verdediging van een principe, maar het misbruik ervan. Een principe dat als schild wordt gebruikt om inhoudelijke discussie te vermijden, verliest zijn betekenis.

Wie academische vrijheid ernstig neemt, moet ook haar grenzen durven benoemen. Niet om haar te verzwakken, maar om haar geloofwaardig te houden.

 

Pierre Thiriar is jurist en docent aan de AP Hogeschool Antwerpen en de UAntwerpen. Hij vertolkt hier louter zijn opinie in eigen naam. Hij heeft zijn analyse ook uitgebreider uitgewerkt in: Geen vrijgeleide - academische vrijheid en haar grenzen in het recht. 

Afbeelding
Word DWM Bondgenoot
Steun ons | De Wereld Morgen

Vandaag op de hoogte van de wereld van morgen?