De community ruimte is een vrije online ruimte (blog) waar vrijwilligers en organisaties hun opinies kunnen publiceren. De standpunten vermeld in deze community reflecteren niet noodzakelijk de redactionele lijn van DeWereldMorgen.be. De verantwoordelijkheid over de inhoud ligt bij de auteur.

Analyse

De concurrentiepositie is een patronale en geen syndicale zaak

Afbeelding
Foto: Deposit Photos.
Foto: Deposit Photos.
De laatste jaren klinkt het gejammer van het patronaat over ‘de concurrentiepositie van onze industrie’ steeds luider. Daarom publiceert de Jo Cottenier Stichting twee uitgebreide citaten over de concurrentiepositie uit het boek 'De Tijd Staat Aan Onze Kant -Vakbondsmilitant in de jaren ’90', geschreven door Jo Cottenier en Kris Hertogen in 1991, maar nog altijd actueel.

De logica van de concurrentiepositie is uiterst vernietigend voor het klassenbewustzijn. Door het concurrentiekader aan te nemen, wordt het syndicalisme in zijn kern ondermijnd. Alle arbeiders hebben dezelfde belangen, terwijl de patroon hen concurrent wil maken.

Concurrentiepositie of de noden van de werkers

Er is een radicaal onderscheid tussen twee uitgangspunten: ofwel de kapitalistische concurrentiestrijd ofwel de noden en belangen van de werkende klasse. Wie zich opsluit in de logica van de concurrentiestrijd wordt meegezogen in het verdedigen van de winstvoet, de productiviteit, de laagste productiekost en dus in het opdrijven of minstens tolereren van de uitbuiting.

Syndicalisten laten de concurrentiecijfers waar ze thuishoren, in de patronale hoofdkwartieren, en bestuderen de cijfers van de sociale ongelijkheid en onrechtvaardigheid. De vakbonden nemen hun taak op als ze uitgaan van de realiteit van de lonen, de werkomstandigheden, de groeiende economische uitbuiting en niet van het patronale winststreven.

Voortdurende chantage met sluiting

Elke verovering uit het verleden werd door het patronaat bekampt met chantage van sluiting en failliet. Het patronaat zal altijd de concurrentiepositie inroepen; eisen zoals de 8-urendag, de 40 urenweek zijn altijd begonnen met doorbraken in het patronale front. Als het patronaat gelijke concurrentievoorwaarden wil, hoeft het die doorbraken maar zo snel mogelijk te veralgemenen.

Afbeelding
.

Concurrentiepositie = de uitbuiting verhogen

De inzet van de concurrentiepositie is de hoogste uitbuiting. Het kan best zijn dat allianties met het patronaat voor de concurrentiepositie tijdelijk bepaalde voordelen opleveren, zoals behoud of winst van werkgelegenheid. Men betaalt die echter dubbel en dik terug. Men wordt harder uitgebuit en de ene toegeving brengt de volgende mee.

Want men verliest op het vlak van de krachtsverhoudingen, en dat zal het patronaat niet ongebruikt laten. Het kan dus best zijn dat het een zeer kortstondige ‘overwinning’ wordt.

Het patronaat kent geen dankbaarheid maar alléén concurrentiepositie. Wat vandaag een overwinning is kan morgen een nederlaag worden wanneer elders nog goedkoper kan geproduceerd worden. Inleveren en toegeven biedt geen enkele garantie op werk of wat dan ook. Integendeel, elke zwakheid wordt vroeg of laat uitgebuit.

Concurrentiepositie = oorlog tegen de werkers

Meegaan met de patronale belangen is een oorlogsverklaring aan andere arbeiders. De waanzin bereikt een hoogtepunt wanneer arbeiders uit filialen van dezelfde groep tegen elkaar worden uitgespeeld. Waardoor de arbeiders van alle filialen verliezen. In het ene filiaal gaan werkplaatsen verloren en in het ‘winnende’ filiaal worden de werkomstandigheden verslechterd. Deze verslechterde omstandigheden worden dan de nieuwe norm voor alle filialen om uiteindelijk de norm te worden voor alle producenten in de betrokken sector.

Concurrentiepositie = grotere plundering van het Zuiden

Afbeelding
Foto: Deposit Photos.
Foto: Deposit Photos.

Het multivezelakkoord regelde, sinds 1973, de internationale handel in kleding en textiel. Het akkoord werd destijds in het leven geroepen door de Wereldhandelsorganisatie (WHO) om de textielindustrie in de rijkere landen te beschermen tegen de goedkope import uit lagelonenlanden. Het akkoord eindige omstreeks 2005.

Meedraaien in de concurrentiepositie leidt tot grotere plundering en onderdrukking van de Derde Wereld. Wat zal het standpunt zijn wanneer jonge Derde Wereld-industrieën beginnen uit te voeren, technologieoverdracht eisen of hun markten afschermen voor ‘onze’ monopolies?

In de textielindustrie maken patroons en sommige vakbondsleiders één front tegen de afschaffing van de multivezelakkoorden zoals dat door de Derde Wereld wordt geëist. Volgens de Wereldbank kosten die akkoorden 8 miljard $ per jaar aan de derde wereld.

Concurrentieposities = verlies van werkplaatsen

Méér werk door een betere concurrentiepositie? Sinds het begin heeft het kapitalisme de concurrentie onder de arbeiders voor werkplaatsen gebruikt. Eerst op lokaal vlak, daarna nationaal, nu internationaal. De hardst werkende en de minste kostende ‘krijgt’ werk. Het zijn dus geen nieuwe werkplaatsen, ze worden steeds aan andere werkers ontnomen.

De uitgespaarde productiekost kan morgen gebruikt worden om te rationaliseren en werkplaatsen te liquideren. Maar zelfs al kan inleveren of buigen voor het patronaat soms (tijdelijk) enkele werkplaatsen opleveren die men van andere arbeiders afpakt, negen keer op de tien dient de ‘concurrentiepositie’ om werkplaatsen te liquideren door rationalisaties.

Concurrentiepositie = spiraal zonder einde

Het is een spiraal zonder einde. Indien alle arbeiders evenveel inleveren om ‘hun’ patroon te ondersteunen in zijn concurrentiepositie, haalt de inlevering niets uit, behalve een algemene verhoging van de uitbuitingsgraad. Het concurrentievoordeel speelt slechts in die mate dat men sneller is dan de concurrent. De norm van de grootste uitbuiter wordt dan de norm van alle uitbuiters. Er is nooit een evenwicht, noch een einde. Deze spiraal kan alleen doorbroken worden wanneer de werkers elkaar steunen in het bieden van weerstand. (Citaat blz 70-72)

 

                                                                  *                *                *

 

De eerste taak van de vakbond is het klassenbewustzijn ontwikkelen.

Klassenbewustzijn is niet enkel een kwestie van krachtsverhouding in de economische strijd voor werk, loon, werkomstandigheden. Het is een kwestie van opstelling als klasse tegenover de andere klassen in de maatschappij.

Marx: de vakbond moet de concurrentie tussen de werkers opheffen

In de ontstaansperiode van het kapitalisme zag Marx als eerste taak van de vakbonden, de verdeling die het patronaat aan de werkers oplegde te doorbreken, de gehele klasse in één organisatie te verenigen. Of zoals Marx het stelde: ”de arbeiders moeten ophouden mekaar als concurrenten te bekijken om beter concurrentie te voeren tegen het patronaat.”

De opsplitsingen in beroepen, fabrieken, sectoren en streken werden door het patronaat uitgespeeld om de arbeidskracht zo goedkoop mogelijk te verwerven, om chantage te plegen op de werkvoorwaarden.

Op bijna identieke wijze speelt het internationale kapitaal vandaag in op de concurrentie tussen de arbeiders van verschillende landen. Het patronaat internationaliseert maar probeert in elk land de arbeidersklasse op te hitsen tot een economische oorlog tegen ‘de internationale concurrentie’.

Belang van een internationalistische geest

Men kan geen echt klassenbewustzijn hebben zonder een internationalistische geest, d.w.z. zonder de eigen strijd te situeren in het internationale strijdperk, waarin het kamp van de bevrijding van de volkeren en de arbeidersklasse het hoofd biedt aan het kamp van het imperialisme en het wereldkapitalisme.

Een arbeider of vakbondsmilitant van vandaag is zich niet bewust van wat het begrip ‘arbeidersklasse’ inhoudt, als hij de essentiële mechanismen van het imperialisme, en van de hiermee gepaard gaande tegenstellingen, niet begrijpt en als hij de verschillende manieren van uitbuiting van de Derde Wereld en de rol die deze in de anti-imperialistische strijd speelt, niet begrijpt. 

Hij heeft geen echt klassenbewustzijn als hij niet beseft dat een groot deel van de Westerse rijkdom gestolen is in de Derde Wereld, dat het levensniveau en het technologisch niveau van het Westen nooit zo’n hoogte had bereikt zonder de plundering van het Zuiden. Deze dimensie is fundamenteel want zij bepaalt de hele opstelling voor het vakbondswerk.

Samenwerking met ‘onze industrie’ vermijden

Als het vakbondswerk niet doorlopend rekening houdt met dit standpunt, zal het aan juistheid en doeltreffendheid inboeten, hoe groot de geleverde inspanningen ook zijn. Als men de klassenstrijd essentieel bekijkt vanuit ‘onze’ ondernemingen, vertrekkende vanuit België en vanuit het enge gezichtspunt van het onmiddellijke welzijn, dan kan men moeilijk vermijden dat men tot een samenwerking komt met het Belgische imperialisme ten koste van de belangen van de Derde Wereld – met inbegrip van de migranten en de politieke vluchtelingen.

Dan steekt men onvermijdelijk arbeiders van andere filialen of andere landen een mes in de rug. Want de gemakkelijkste manier om gunsten te bekomen van het kapitaal is zich van het lot van de andere werkers niets aan te trekken.

De chantage van het patronaat verwerpen

Nog veel scherper dan vroeger, wordt er chantage gepleegd door het patronaat met de concurrentiepositie en de internationale ‘economische dreiging’. Het hoofdprobleem in de vakbonden is méér dan ooit, het behouden of verwerven van een onafhankelijke klassepositie. Zich niet laten meeslepen door de druk tot klassencollaboratie tegen de ‘gemeenschappelijke’ buitenlandse belagers van werkplaatsen. (Citaat blz 158-1589)

 

Lees ook: BASF-Antwerpen schrapt 600 banen, maar keert wel miljarden dividenden uit

 

Vandaag op de hoogte van de wereld van morgen?