Israël bombardeert Qatar: hoe hier nog duiding over geven?
De bombardementen in Qatar waren een gerichte aanslag op het onderhandelingsteam van Hamas. Zij waren in Doha om te onderhandelen over een vredesvoorstel van de Verenigde Staten. Het doet denken aan de eerdere aanvallen op Iran. Ook deze volgden op een vredesvoorstel van VS-president Donald Trump.
Het lijkt een tactiek te zijn, gestolen uit slechte misdaadfilms: de tegenstander eerst naar de onderhandelingstafel lokken om dan een bom onder die tafel te laten ontploffen.
Qatar is een trouwe bondgenoot van de VS
Wat deze aanval op Qatar misschien nog schokkender maakt dan vorige aanvallen van Israël, is dat Qatar een trouwe bondgenoot is van de VS, met ook de grootste militaire basis van de VS in de regio.
Henry Kissinger, voormalig nationale veiligheidsadviseur van de VS, wist het al: “Het is gevaarlijk om een vijand van Amerika te zijn, maar een vriend van Amerika zijn is fataal.” Leiders van Arabische landen lijken soms te geloven dat samenwerken met de VS en Israël hen kan helpen om aan de macht te blijven, maar die medeplichtigheid heeft Qatar deze keer duidelijk niet beschermd.
Gespeelde verontwaardiging
Op welke manier moeten we hier verder nog duiding aan geven? We zouden kunnen schrijven dat Israël de vredesonderhandelingen opblaast, dat het niet geïnteresseerd is in vrede, maar dat kan je toch bezwaarlijk nog nieuws noemen.
Vandaag gaan we opnieuw een hele rits aan ‘veroordelingen’ te horen krijgen. Europese regeringsleiders zullen met gespeelde verontwaardiging spreken over ‘schendingen van het internationaal recht’ door Israël, alsof dat iets nieuws is.
Met gespeelde verontwaardiging spreken over ‘schendingen van het internationaal recht’
Het is precies zoals Omar El Akkad aangeeft in een uitstekend interview in De Standaard: “Ik kan niet geloven dat al die politieke leiders deze zomer tot een soort moreel ontwaken zijn gekomen. Noem me gerust een cynicus, maar volgens mij handelden ze op dat moment vanuit hun instinct tot zelfbehoud.”
“Ze keken door het raam en zagen dat de pro-Palestinabetogingen alsmaar groter werden en de woede en de frustratie bij de burgers steeds intenser. Dat alles werd te groot om te negeren. Ik denk niet dat al die leiders op dit moment iets substantieels willen veranderen. Hun verklaringen zijn holler dan hol. Ze beloven Palestina in een verre toekomst te erkennen, onder voorwaarden die geen enkel zichzelf respecterend volk kan aanvaarden.”
Als we het vandaag bij de vaststelling houden dat Israël stelselmatig het internationaal recht schendt, dan spelen we deze laffe houding van onze leiders in Europa in de kaart. Zij kunnen dan lekker verontwaardigd doen en ondertussen alles bij het oude laten.
Medeplichtigheid
Willen we als journalisten onze rol als vierde macht opnemen, dan moeten we onophoudelijk de medeplichtigheid van de Europese Unie en ook onze Vlaamse en federale regering in deze misdaden aantonen.
Want ja, Israël is nog steeds een geprivilegieerde handelspartner van de EU. En het is zoals Albina Fetahaj aantoont in haar analyse enkel onder druk van onderuit dat daar zachtjesaan misschien verandering in lijkt te komen. En ja, ook ons land heeft nog steeds banden van medeplichtigheid, terwijl, zoals professor Van Den Meerssche uitlegt, het internationaal recht oplegt om die banden te breken.
Je komt dichter bij de waarheid als je naar de kant van de onderdrukten luistert
Langzaamaan begint ook in de grote media het besef door te dringen dat een citaat van Netanyahu tussen aanhalingstekens zetten geen journalistiek is. Dat het er niet op aankomt om beide kanten te citeren, maar om uit te zoeken wat er echt gaande is, en dat je daarvoor vaak beter naar de kant van de onderdrukten kan luisteren.
Datzelfde besef zou ook mogen komen met betrekking tot onze eigen leiders. Als zij krokodillentranen wenen over de schendingen van het internationaal recht door Israël, is het niet de opdracht van de journalistiek om hen te citeren. Het is onze opdracht om hen te wijzen op hun eigen medeplichtigheid, die ook een schending van het internationaal recht is.
Hoop
In zijn interview in De Standaard toonde Omar El Akkad zich niet alleen maar cynisch. Hij balanceerde tussen cynisme en hoop. “Er is toch iets belangrijk gebeurd dat een beetje optimistisch stemt”, zo zegt hij.
“We waren getuige van de kracht van betogers, van mensen die de situatie in Gaza niet langer dulden. Ze zijn erin geslaagd om de politiek een beetje in de richting van rechtvaardigheid te duwen. Hopelijk is dit het begin van een beweging die het huidige systeem van geweld en straffeloosheid kan doorbreken. Wie weet.”
De regeringen in ons land hadden erop gehoopt dat die beweging zou gaan liggen nadat ze tot akkoorden waren gekomen om een aantal halfslachtige maatregelen te nemen. De massale opkomst op de tweede Rode Lijn-actie afgelopen zondag toont echter aan dat de beweging voor menselijkheid niet tevreden kan zijn met een compromis over medeplichtigheid aan genocide. Ze gaat door tot er alles aan gedaan wordt om de genocide te stoppen.
Lees ook: Europa voorbij het Associatieverdrag EU-Israël Dimitri Van Den Meerssche: "De Belgische regering verkiest Israël boven het internationaal recht" De rode lijn: "We willen meer dan halve maatregelen”