ACHTUNG, EUROPA! waarschuwing Thomas Mann in 1938 geldt nog steeds

Afbeelding
Thomas Mann in Hotel Adlon (1929). FOto: Bundesarchiv/CC BY-SA 3:0
Thomas Mann in Hotel Adlon (1929). FOto: Bundesarchiv/CC BY-SA 3:0
Achtung, Europa! Onder die ondubbelzinnige titel publiceerde de Duitse schrijver Thomas Mann (1875-1955) – dit jaar precies 150-jaar geleden geboren – in 1938 een aantal politieke opstellen over het nazisme. Het zijn waarschuwingen die een kleine eeuw later nog steeds gehoord moeten worden.

Thomas Mann schreef de teksten van zijn boek Achtung, Europa! vanuit Zwitserland en vanuit de VS, de landen waar hij in ballingschap verbleef na de machtsovername van Hitler in 1933.

De ondertitel Een eigentijdse waarschuwing laat even in het midden of hij bij het origineel hoort dan wel door de uitgever aan de Nederlandse vertaling is toegevoegd. Het laatste is het geval. En niet onterecht.

Wat Mann te zeggen heeft, is tegelijk historisch relevant – tijdsdocument én bewijs van zijn niet aflatende wil om de  Duitsers en de rest van Europa in de jaren dertig wakker te schudden – maar het is ook nog steeds een boodschap voor het Europa van nu.

Polarisering, militarisering, imperialisme, autoritarisme, populisme, decisionisme[1], nationalisme, afbraak van de internationale rechtsorde,... het zijn ontwikkelingen die niet alleen deel uitmaakten van de politieke constellatie van de jaren twintig en dertig van de vorige eeuw, ze bepalen ook de politieke horizon van onze epoque. Niet in dezelfde verhoudingen, maar wel als globaal krachtenveld.

Vandaar ook de huidige fascinatie voor de Republiek van Weimar (1918-1933), Duitslands woelige experiment met de democratie na de Eerste Wereldoorlog temidden van de gewelddadige machtsgrepen van links en rechts, de opkomst van het fascisme en de crisis van de wereldeconomie.

In leven en werk van Thomas Mann (1875-1955) tonen zich de vele maatschappelijke en ideologische spanningen van Duitsland dat in de lange overgang van de negentiende naar de twintigste eeuw door een fase van decadentie ging, een oorlog verloor, in 1918 met een schok in de politieke wervelwind van Weimar terechtkwam en vanaf 1933 meegesleurd werd in de nazistische afgrond.

Mann heeft die dramatische periode in romans als De Buddenbrooks (1901), De Toverberg (1924) en Dr. Faustus (1947) beschreven en in vele politieke lezingen en essays geanalyseerd, waarvan Betrachtungen eines Unpolitischen (1918) het bekendste en beruchtste is.

Hij schreef zichzelf een ‘ongewoon grote sensitiviteit’ toe “die mij als eenling in een sympathetische betrekking doet treden met al het hogere denken en zoeken van deze tijd”, zo noteert hij in juli 1919 in zijn dagboek.

Wat er ook van zij, doorheen het prisma van zijn biografie en zijn romans worden de paradoxen en trauma’s van een beslissende periode in de Europese geschiedenis zichtbaar en leesbaar.

Tussen verlichting en romantiek

In zijn eerste roman De Buddenbrooks – het epos van vier generaties van een Duitse koopmansfamilie – beschrijft Thomas Mann het verval van een burgerlijke morele traditie gekenmerkt door patriarchaat, familiesolidariteit, standsbesef, discipline, plicht, maat en zakenethiek.

De ondergang van de derde en vierde generatie Buddenbrooks in een pessimistische, kunstzinnig-esthetische overgevoeligheid was op een bepaalde manier  reeds aangekondigd door twee van de grote Duitse filosofen, Schopenhauer en Nietzsche, die ook op Mann een grote invloed hebben gehad.

Het ethos van het patriciaat maakt plaats voor de middelmatigheid van de kleinburgerij en het materialisme en individualisme van de moderne bourgeois. De ondergang van de Buddenbrooks staat symbool voor de ondergang van de burgerij in Duitsland en in Europa in de negentiende eeuw.

Het idee van decadentie en cultureel verval heeft een sterke greep op het artistieke en intellectuele leven in (de tweede helft van) de negentiende eeuw, die paradoxaal ook de eeuw is van het optimisme, de technische en industriële ontwikkeling en het imperialisme.

De Europese negentiende eeuw is een complexe eeuw: de eeuw van de burger, van het geld, van de vooruitgang en de vernieuwing en van Europa als het continent van het alles verhelderende morgenlicht. Tegelijk is het de eeuw van de groeiende twijfel, van het wantrouwen, van de melancholie, van het gevoel van verlorenheid en decadentie, van wat Oswald Spengler ‘de ondergang van het Avondland’ heeft genoemd.

Wetenschap, vooruitgang en technisch kunnen hebben tijdens de negentiende eeuw aan een razend tempo komaf gemaakt met religie, traditionele zekerheden, gemeenschapsgevoel en spirituele oriëntatie. Maar ondanks die bevrijdende rol, wordt al snel duidelijk dat ze er niet in slagen om de leegte op te vullen met nieuwe vormen van betekenis en samenhang.

Afbeelding
'De slaap van de rede baart monsters'. Francisco Goya/Public Domain
'De slaap van de rede baart monsters'. Francisco Goya/Public Domain

De Europese burger kan met andere woorden niet anders dan een oppervlakkig en niet authentiek bestaan leiden en zijn doodsangst verbergen achter zo veel mogelijk goedkoop amusement en materiële consumptie. Goya maakte niet toevallig net voor het begin van de negentiende eeuw zijn visionaire ets De slaap van de rede baart monsters.

De complexiteit van de negentiende eeuw komt voort uit de dubbele matrix van de verlichting en de romantiek die tegen het einde van de negentiende zo innig met elkaar vervlochten raken dat een explosie onvermijdelijk is.

Als zoon van een welgestelde, hardwerkende en gerespecteerde koopman uit Lübeck en van een melancholische, flirterige en artistiek aangelegde half-Braziliaanse moeder was Thomas Mann haast voorbestemd om dit conflict tussen burger en bohème in zichzelf uit te vechten. Dat hij een leven lang met zijn homoseksualiteit heeft geworsteld, maakt die spanning nog intiemer en persoonlijker.

De uitgewiste horizon

In zijn panoramische studie De uitgewiste horizon. Europa’s obsessie met cultureel verval 1835-1914 neemt de Nederlandse historicus Cor Hermans De Buddenbrooks van Mann als centrum van zijn onderzoek.

Vertrekkende van Manns literaire en intellectuele affiniteiten met andere Europese auteurs als Baudelaire, Wagner, Nietzsche, Flaubert, Dostojewski, Toergenjev, Ibsen, Tsjechov, Kierkegaard en Freud ontwikkelt Hermans in concentrische cirkels rond Mann’s debuut een cultuurgeschiedenis van het idee van het Europese verval in de negentiende eeuw.

Als historicus hanteert Cor Hermans een opvallende techniek. Hij plaatst de fictieve gebeurtenissen en de personages uit de roman van Mann op hetzelfde niveau als de historische gebeurtenissen en feiten.

Zo verwijst het wat ongebruikelijke beginjaar van Hermans analyse – 1835 – in de eerste plaats naar het jaar waarin de Buddenbrooks-saga begint. Die dialoog tussen feit en fictie had nog scherper en uitdagender gekund, maar dat neemt niet weg dat De uitgewiste horizon een  indrukwekkend geïnformeerde ‘familiefoto’ is van de belangrijkste cultuurpessimisten van het negentiende-eeuwse Europa.

Aan de hand van de levensloop en de geschriften van deze sombere mannenclub schetst Hermans een veelkleurig literair en filosofisch mozaïek van de nachtzijde van de negentiende eeuw, bevolkt door de stadsfiguur bij uitstek, de flaneur – Hermans beschrijft niet toevallig ook een reeks iconische en minder iconische Europese steden als Parijs, Wenen, Venetië, Bayreuth, maar ook Baden-Baden, Bad Tölz en zelfs Yonville (het fictieve Normandische dorpje waar Madame Bovary uit de gelijknamige roman van Flaubert woont) – de anonieme massamens, de dandy die van zijn leven een kunstwerk maakt, de maatschappelijk vrijzwevende bohème, de psychisch zieke, de melancholische revolutionair, de wereldvreemde romanticus, de oversensitive estheet...

Met verwijzingen naar wetenschap, beeldende kunst, muziek, filosofie en literatuur weet Hermans rond De Buddenbrooks een netwerk van verbanden te leggen dat even dicht is als het spoorwegennet dat zich in de negentiende eeuw over Europa verspreidt.

Het gevoel van verval en ondergang is in  Europa zo sterk en alomtegenwoordig dat de oorlogsverklaringen van 1914 door velen aanvankelijk verwelkomd worden als het teken van een zuiverend geweld en als voorbode van een noodzakelijke culturele regeneratie.

In een brief aan een collega schrijver heeft Thomas Mann het in 1913 expliciet over de komende oorlog als ‘een morele schoonmaak’ waarbij ‘de ernst van het leven grandioos zal triomferen over alle sentimentele verwarring’.

Aantekeningen van een apolitieke

Op het ogenblik dat de Eerste Wereldoorlog uitbreekt, is Mann bijna veertig en een gevierd schrijver in Duitsland. Hij werkt aan de roman die later De Toverberg zal worden, maar de oorlog dwingt hem het schrijven te onderbreken.

Hij begint koortsachtig notities te maken voor een ander boek dat in 1918 zal verschijnen en waarin hij zijn visie op Duitsland en politiek omstandig uiteenzet onder de titel Betrachtungen eines unpolitischen.  

Het dikke boek verschijnt bijna gelijktijdig met het eerste deel van Oswald Spenglers beroemde en beruchte werk Der Untergang des Abendlandes (1918). Aanvankelijk herkent Mann veel van zijn eigen positie in het sombere ondergangsvisioen van Spengler.

Het is meer dan een anekdote om hier te vermelden dat Thomas’ broer Heinrich, eveneens een schrijver en essayist, er een heel andere mening op nahoudt. Heinrich is gevormd door het Franse rationele denken, de kosmopolitische geest van de verlichting, de ideeën van vooruitgang en democratie.

In 1915 verschijnt van hem een essay over Emile Zola die op dat ogenblik de incarnatie was van de schrijver als maatschappelijk en politiek geëngageerd intellectueel vanwege zijn beroemde verdediging van de valselijk van spionage beschuldigde Joodse officier Alfred Dreyfus.

In zijn Betrachtungen eines Unpolitischen gaat Mann op zoek naar het culturele conflict dat onder de oorlog schuilgaat. De oorlog is voor hem de heroïsche strijd van Duitsland tegen het Westen dat zijn decadente normen wil opleggen. Hij hanteert het begrippenpaar ‘cultuur’ en ‘beschaving’ - dat ook Spengler gebruikt - om het conflict  te beschrijven.

Duitsland staat voor ‘cultuur’ en Frankrijk voor ‘beschaving’ (civilisation). ‘Beschaving’ met zijn nadruk op ‘Geist’ (esprit), politiek, democratie, rede, vooruitgang, kosmopolitisme, commercie, vrede is voor Mann de decadente fase van ‘cultuur’, die staat voor ‘genie’, noodlot, nationalisme, vitaliteit, traditie, conflict. Mann verdedigt Duitsland (en de oorlog) als een ‘zedelijke reactie’ tegen de westerse beschavingsideeën.

Het zal niet verwonderen dat de Betrachtungen voor een groot gedeelte een literaire broedertwist zijn, die pas in 1922 wordt bijgelegd op een ogenblik dat Thomas Mann de Republiek van Weimar begint te verdedigen. We zijn goed op de hoogte van de intellectuele ontwikkeling van Mann tussen 1918 en 1922 omdat de dagboeken uit die jaren aan zijn destructiedrift ontsnapten.

De dagboeken tonen een denker die zich langzaam en niet zonder pijn en tegenzin losmaakt van de apolitieke culturele positie die hij tot dan toe heeft ingenomen en begint te begrijpen dat de republiek (de democratie) het enige valabele politieke antwoord is op de complexiteit van de moderniteit en op het fascisme.

Aanvankelijk is Mann een koele minnaar - een zogenaamde ‘Vernunftrepublikaner’ (republikeins met het hoofd meer dan met het hart) - maar met de jaren worden democratie en kosmopolitisme voor hem fundamentele waarden voor de moderne politieke samenleving.

Experiment en ondergang van Weimar

Hoe chaotisch en gewelddadig, maar ook hoe creatief en experimenteel Weimar is geweest, maakt de Nederlandse historicus Frits Boterman duidelijk in zijn boek Het Weimarexperiment. Een politieke en culturele geschiedenis van Duitsland 1918-1933.

Het is Botermans expliciete bedoeling om van Weimar een veel ruimere interpretatie te geven dan een louter politieke of sociale. De ondergang van Weimar heeft niet één enkele (politieke) oorzaak – het vernederende Verdrag van Versailles of de onhoudbare opkomst van het fascisme of de economische instorting na de beurscrash van 1929… - maar is het gevolg van een ‘culture war’ tussen elkaar uitsluitende utopieën of toekomstvisies.

Net als De uitgewiste horizon is ook Het Weimar experiment in laatste instantie een boek over Europa en over de ideeën die dit continent hebben vormgegeven. Terwijl Cor Hermans de nadruk legt op de sombere vervalsromantiek die het optimistische verlichtingsdenken van de negentiende eeuw als een schaduw begeleidt, concentreert Frits Boterman zich op de draaikolk van politieke ideeën - een complexe erfenis van zowel romantiek als verlichting – waarin Duitsland tijdens het interbellum terechtkomt, maar die ook in de rest van Europa weerklank vinden en tot op de dag van vandaag blijven resoneren.

Boterman ziet Weimar in de eerste plaats als een intellectueel slagveld van radicale ideeën die elkaar na de Eerste Wereldoorlog in alle hevigheid bestrijden en het krachtenveld van de kwetsbare republiek weinig rust en evenwicht geven.

Hij onderscheidt er een zevental: 1) de republikeinse droom, 2) de marxistische utopie, 3) de conservatieve revolutie, 4) de kunst, 5) de Amerikaanse droom, 6) het nazisme en 7) de eugenetische toekomst.

Het zijn zeven toekomstvisies die in heel Europa op elkaar botsen, maar vooral in Duitsland met getrokken messen tegenover elkaar staan: het zijn evenzoveel reacties op het nationale trauma van de nederlaag, op het ongemak met de in Duitsland nieuwe politieke regeringsvorm van de democratie en op de uitdagingen van de moderniteit (de urbanisatie, de techniek, de media) en de daarmee samenhangende vervreemding en Entzauberung.

Uiteindelijk gaat het tijdens het interbellum in Duitsland om de fundamentele keuze tussen een open, liberale en democratische of een gesloten, conservatieve en autoritaire samenleving.

Ook Thomas Mann zoekt naar een evenwicht in dat extreme krachtenveld dat tijdens en na de Eerste Wereldoorlog ontstaat en vaak diepe wortels heeft in de negentiende eeuw. Hij neemt nooit expliciet afstand van zijn Betrachtungen, maar in de jaren na het einde van de oorlog wordt het hem duidelijk dat het innemen van een apolitieke en culturele positie niet langer houdbaar is in de strijd tegen het oprukkende nazisme.

Midden jaren dertig schrijft hij: “Het is onjuist en levensgevaarlijk om hoogmoedig neer te kijken op het politiek-maatschappelijke domein.” Metafysica en socialisme tegen elkaar uitspelen is niet langer geoorloofd, aldus Mann.

Vergelijk dit met een opmerking uit 1918 in zijn dagboek: "Gedachten van zuiver geestelijke aard werken als een lafenis na het verbitterde piekeren over de ordinaire humbug van de politiek.”

In zijn roman De Toverberg doet Mann literair verslag van deze ideologische tegenstellingen in de figuur van Hans Castorp, een jonge ingenieur, die in een Zwitsers sanatorium - symbool voor de westerse beschaving aan de vooravond van de Eerste Wereldoorlog - heen en weer geslingerd wordt tussen de ideeën van enerzijds Ludovico Settembrini, vertegenwoordiger van de verlichting, de democratie en het humanisme, en anderzijds de jezuïtische communist Leo Naphta, woordvoerder van het nihilisme, de irrationele en donkere kanten van de mens. 

Tussen 1935 en 2025

Het is goed in het achterhoofd te houden dat alle opstellen uit Achtung Europa! geschreven werden voor het uitbreken van de oorlog, voor de inval van Hitler in Polen op 1 september 1939. Mann heeft intussen begrepen dat er geen plaats voor hem meer is in Duitsland. Wat hij doet: Duitsland met zich meenemen.

Zijn grote literaire reputatie en zijn Nobelprijs Literatuur in 1929 hebben van hem een intellectueel en een schrijver van wereldformaat gemaakt die met recht kan claimen dat het ware Duitsland – het Duitsland met zijn grootse literaire, filosofische en muzikale cultuur – met hem meereist. Het ergste moet op dat moment nog komen.

Precies die onduidelijke situatie en dat bange voorgevoel resoneren met onze groeiende schrik voor een afbrokkeling van de democratie en het internationale recht, voor de opkomst van autoritaire regimes en voor de mogelijkheid van oorlog (voor zover die niet al een werkelijkheid is).

Je leest de opstellen van Mann voortdurend op twee niveaus: historisch en als waarschuwing voor nu. Soms is het onmogelijk om beide van elkaar te onderscheiden, zeker wanneer hij het heeft over “de verkrachting van het heldere verstand, de verloochening en verkrachting van de waarheid ten gunste van de macht en het staatsbelang, het appel aan de doffe instincten, het zogenaamde ‘gevoel’, het vrijspreken van de dommen en de slechten van de tucht van het verstand en geest, het vrij spel geven aan gemeenheid.” 1935 en 2025 schuiven  naadloos over elkaar heen!

Historisch wordt duidelijk dat Mann bepaalde dingen verkeerd heeft ingeschat. Zo ging hij ervan uit dat het Duitse volk helemaal geen zin had in een oorlog, er niet op voorbereid was en daar ook niet mee zou instemmen.

In 1937 schrijft hij: “Bij elke rustige beschouwing merk je dat het met de dictatuur niet goed gaat, dat ze in feite al weerlegd is, en voordat zij zich in de praktijk ad absurdum heeft ontwikkeld, zal zij zich door de jeugd verlaten zien.” Het volk en de jeugd hebben zich niet tegen Hitler gekeerd en zijn hem en aanvankelijk vol overtuiging in zijn oorlog gevolgd.

Scherp is Mann in zijn analyse van de laksheid van Groot-Brittannië in zijn omgang met de expansiepolitiek van Hitler. Waar de essays nog steeds pijnlijk de zenuw van ons tijdperk raken is hun verwijt dat er vanwege Europa te laat is ingegrepen.

Mann beweert meer dan eens dat Hitler zou zijn teruggedeinsd bij meer weerstand van Frankrijk en vooral van Groot-Brittannië. Het brengt hem tot twee definities van oorlog die het overdenken waard blijven: ‘Oorlog is morele luiheid’ en ‘oorlog is niets anders dan bangigheid voor de opgaven van de vrede’. 

De echo’s of resonanties tussen toen en nu zijn veel meer dan oppervlakkige toevalligheden. De nazi’s nemen de pose aan van ‘eerherstellers’, aldus Mann. Ze doen alsof ze aan de Duitsland hun eergevoel moeten teruggeven. Ze doceren een ‘optimistische heroïek’.

Het is onmogelijk om hierbij niet aan de retoriek van Trump en Poetin te denken. Hij heeft het over “een schandelijk pragmatisme dat weigert het verschil tussen waarheid en leugen te erkennen, dat de geest loochent ten bate van het nut en zonder scrupules misdaden pleegt of goedpraat wanneer zo het nut, of wat daarvoor doorgaat, wordt gediend.”

Broeder Hitler

Broeder Hitler is een merkwaardig, intrigerend en provocerend opstel uit 1938 waarin Mann ingaat op de fascinatie voor de Führer: “Je kunt er onmogelijk onderuit een zekere, met afschuw gemengde bewondering te koesteren voor dit fenomeen. (...) We moeten berusten in het historische lot getuige te zijn van het genie op dit niveau van zijn verschijningsvormen”. Ook al is die verschijningsvorm niet meer of minder dan “de verloedering van de Grote Man”. Ook die verloedering is zeer eigentijds.

In zijn roman Doctor Faustus beschrijft Mann de aantrekkingskracht van het demonische in de figuur van de componist Adrian Leverkühn die zijn ziel verkoopt aan de duivel om perfecte composities te kunnen schrijven. De roman is een afrekening met een nihilistische tendens in de Duitse traditie en met de fascistisch-demonische trekken van de Duitse aard.

De terugval in de barbarij is voor Mann een ouder fenomeen dan de oorlog. “Het wegkruipen in het collectieve” ziet hij als “een voorbeeld van het populaire bederf van grote, eerbiedwaardige Europese intuïties in hun moderne uithollende toepassing door de massa’s.”

Wat er aan de hand is in Europa is voor Mann het gevolg van de  opkomst van de massamens die zich niet meer bewust is van de grondslagen van Europa gesitueerd in de ‘generositeit van de negentiende eeuw’ met zijn wetenschappelijke ontwikkelingen en zijn sociale vooruitgang.

“De moderne mens is slachtoffer en product van wilde, verwarrende en tegelijk prikkelende indrukken die hem bestormen.” En dat gaat gepaard met “het afsterven van beschavende, welwillend-strenge begrippen als cultuur, geest, kunst, idee.”

Mann blijft Europa verdedigen in een idealistisch en humanistisch vocabulaire. Woorden als waarheid, waarachtigheid, zedelijkheid, menselijkheid, geest gebruikt hij meer dan democratie of republiek.

Hij stelt zich een ideaal Duitsland voor waarin Marx Hölderlin zou hebben gelezen en omgekeerd. Een Duitsland dat de synthese is van idealisme en materialisme, spiritualiteit en economische analyse, poëzie en politiek.

Mann is en blijft humanistisch-burgerlijk in zijn pleidooi voor maat en waarde: “Nodig is bezinning op een soevereine maat, waarmee feiten, mensen, kunstwerken te toetsen zijn en hun zuiver menselijke waarde krijgen.”

Goethe duikt opvallend veel op in zijn lezingen, zoals met deze gevleugelde woorden: “Vandaag de dag gaat het erom wat iemand weegt op de weegschaal van de menselijkheid.” Mann pleit voor een militant en strijdvaardig humanisme waarin de kunsten een centrale rol spelen.

Het gaat Mann om een strijd die zowel ethisch als esthetisch is: kunst noemt hij “het paradigma van het menselijke”.

Het bij momenten idealistische pathos van Mann – uitgedrukt in oneigentijdse prachtige gedragen zinnen en uitgebalanceerde gedachten – weet er ons paradoxaal aan te herinneren wat er met de democratie op het spel staat: dat democratie meer is dan een politiek-technische organisatie van de macht van meerderheid en minderheid, maar in onze complexe moderniteit de enige samenlevingsvorm is die onze menselijkheid politiek weet te vertalen.

De diepere inzet van de democratie is de menselijke waardigheid. Daaraan afgemeten loopt er heel veel fout in onze wereld, onze democratieën incluis.

Thomas Mann. Achtung Europa! Een eigentijdse waarschuwing. Arbeiderspers, Amsterdam, 2025, 262 pp. ISBN 978 9029 5530 01 - Vertaald door Piet Meeuse en Barber van de Pol. Met een voorwoord van Arnon Grunberg,

Frits Boterman. Het Weimar-experiment. Een politieke en culturele geschiedenis van Duitsland 1918-1933. Walburgpers, Zutphen, 2024, 455 pp. ISBN 978 9464 5637 95

Cor Hermans. De uitgewiste horizon. Europa’s obsessie met cultureel verval 1835-1914. Boom, 2023, 621 pp. ISBN 978 9024 4653 47

Erwin Jans (1963) is dramaturg en hoofdredacteur van het literaire tijdschrift DW B. Hij werkt op Toneelhuis en publiceert uitgebreid over theater, literatuur en cultuur.

Note:

[1] Decisionisme verwijst naar de leer van Carl Schmitt die stelt dat niet de uitgangspunten maar het besluit van de juiste autoriteit de geldigheid van een wet bepalen. In de sociale wetenschappen staat het decisionistische model tegenover het technocratische model, waarbij experts hun kennis aanleveren en beleidsmakers en politici de beslissingen nemen, los van de expertise van wetenschappers.

Vandaag op de hoogte van de wereld van morgen?