Is vakantie ‘opium van het volk’?
In een column in De Standaard vraagt Ignaas Devisch zich af of vakantie vergelijkbaar is met hoe Marx religie zag als ‘opium van het volk’, een soort vlucht of ontsnappingsroute.
Zijn tekst is vlot en onderhoudend geschreven en leest als een filosofische cocktail op een zonovergoten terras. Maar net als sommige cocktails is het vooral suiker, alcohol en lucht. Zijn analyse raakt kant noch wal voor wie niet leeft vanuit een professorenbureau of filosofische leestafel.
Hij beschrijft vakantie als een soort decadent escapisme voor mensen die het eigenlijk “almaar beter hebben”. Alsof onze bevolking een nest verwende leeglopers is, op zoek naar de perfecte Instagramfoto in een exclusieve exotische plek of de ideale toeristenbestemming “waar nog geen toeristen zijn geweest”.
Zijn kijk op vakantie is niet alleen wereldvreemd, ze is ook blind voor wat er écht speelt bij een groot deel van de bevolkingIk weet niet welke vriendenkring die man heeft, hij verschilt in elk geval grondig van de mijne. Zijn kijk op vakantie is niet alleen wereldvreemd, ze is ook blind voor wat er écht speelt bij een groot deel van de bevolking.
Verveling of burn-out?
Wat Devisch compleet negeert, is de context waarin mensen vandaag vakantie nemen. De werkvloer is in veel sectoren een mentaal of fysiek mijnenveld geworden. Sinds 2016 is het aantal mensen met burn-out of gelijkaardige uitval in België bijna verdubbeld.Momenteel zit één op tien van de actieve werkende bevolking, dat is meer dan een half miljoen mensen, langdurig thuis. Bijna 40 procent daarvan is omwille van een psychosociale stoornis. Volgens de berekeningen van het Federaal Planbureau stevenen we af op 600.000 langdurig zieken tegen 2035.
En dan gaat dit enkel over arbeiders, bedienden en zelfstandigen die het niet meer trekken. Daarnaast zitten nog heel wat mensen op de rand van een burn-out of hebben het verdomd moeilijk, maar blijven ze doorwerken omdat ze het anders financieel niet trekken: studerende kinderen, afbetaling huis, gevolgen echtscheiding, enzovoort.
Het is niet de “dagelijkse sleur” maar de uitputting die mensen murw slaat en naar vakantie doet snakkenDe cijfers liegen in elk geval niet: het is niet de “dagelijkse sleur” waar Ignace Devisch het over heeft, maar de uitputting die mensen murw slaat en naar vakantie doet snakken.
De moraalfilosoof vraagt zich af of we “niet gewoon te veel van het leven verwachten en daar geen blijf mee weten”? Vraag dat maar eens aan dat legertje overwerkte mensen.
De 38-urenweek is allang een mythe. Flexibel werken betekent vaak altijd beschikbaar zijn. De krapte op de arbeidsmarkt maakt dat wie werkt, almaar meer moet presteren. En zelfs buiten kantooruren blijft de stress nazinderen: WhatsApp-groepen, e-mails, deadlines, targets. We leven niet in een samenleving van verzadiging of verveling, maar van overdrive.
In die context is vakantie geen “ontsnapping” of “compensatie”, maar een laatste reddingsboei. Een kans om opnieuw mens te worden, om even niet geleefd te worden door schema’s, productiviteit of permanent presteren. De hang naar vakantie toont hoeveel mensen snakken naar ademruimte.
Vergeten groep
Nog een cruciaal punt dat in zijn betoog ontbreekt: niet iedereen hééft vakantie. In België kan 1 op 5 van de gezinnen zich geen vakantie buitenshuis veroorloven, dat gaat over 2,5 miljoen Belgen.Voor mensen met een laag inkomen is dat zelfs meer dan 40 procent. Alleenstaande ouders, gepensioneerden, mensen in precaire jobs — zij blijven thuis. Niet omdat ze dat niet zouden willen maar uit financiële noodzaak.
De echte vraag is waarom vakantie zo noodzakelijk geworden isVoor velen van hen weegt dat zwaar. Terwijl sommigen op adem komen op een Grieks eiland, blijven anderen werken in de hitte of zitten ze thuis opgesloten in een slecht geïsoleerd appartement. Zij kennen geen “escapisme”, zelfs al zouden ze het nodig hebben.
Noodzakelijk pauze
Devisch vraagt zich af “waaraan we willen ontsnappen”. Hij suggereert dat het ligt aan een innerlijke leegte, een soort postmoderne malaise. Maar de realiteit is veel concreter. Wat mensen willen ontvluchten is geen existentiële leegte, maar de dagelijkse ratrace. De hoge werkdruk. De lage lonen. De absurde huurprijzen. De permanente stress. Het gebrek aan ademruimte.Het echte ongemak is niet dat we “te veel van het leven verwachten”, zoals hij stelt. Het is dat het leven voor veel mensen structureel te weinig geeft: te weinig tijd, te weinig rust, te weinig zekerheid. En het weinige dat er nog is — zoals betaalbare vakantie — komt voor velen dan ook nog eens onder druk te staan.
Voor Devisch gaan mensen zoveel mogelijk op vakantie: “dat je minstens vijf keer per jaar op reis moet zijn geweest, is stilaan een burgerlijke plicht”. Maar de echte vraag is niet waarom mensen zoveel vakantie nemen; maar eerder waarom vakantie zo noodzakelijk geworden is. En ook, waarom zoveel mensen het zich niet kunnen veroorloven.
In plaats van de draak te steken met mensen die op vakantie gaan, zouden we beter kijken naar het systeem dat die nood creëertDe vakantie is geen vluchtroute voor wie “het goede leven uiteindelijk niet genoeg” is. Ze is een pauze voor wie wil blijven functioneren. Ze is geen “burgerlijke plicht”, maar een sociale noodzaak.
In plaats van de draak te steken met mensen die op vakantie gaan, zouden we beter kijken naar het systeem dat die nood creëert — en naar de groep mensen die geen vakantie kan nemen.
Ik wens de vele vakantiegangers dezer dagen en weken uit de grond van mijn hart veel plezier en genot. Het is mijn diepste hoop ook dat iedereen op vakantie zou kunnen gaan. Een zorgzame samenleving zou daarin moeten kunnen voorzien.
En nu ga ik mijn koffers pakken voor een weekje vakantie bij mijn broer in Frankrijk.