De historische wortels van witte onschuld

Afbeelding
Bewerking van de cover van 'Uitverkoren'.
Bewerking van de cover van 'Uitverkoren'.
Uitverkoren legt de wortels van het Nederlandse racisme bloot. In een historische analyse van het Nederlandse zelfbeeld laten de auteurs van het boek zien hoe idealen van tolerantie, Verlichting en democratie verbonden zijn met de idee van christelijke en Witte superioriteit. Het Nederlandse zelfbeeld steunt daarbij op de idee van ‘Witte onschuld’ en maskeert zo het onderliggende racisme. Welke parallellen vallen er wat dat betreft te trekken met het Vlaamse zelfbeeld?

Wat is er met Nederland gebeurd? Die verzuchting horen we de afgelopen jaren steeds vaker als er in de media over Nederland bericht wordt. Nederland, ooit het land van vrijzinnigheid en tolerantie, zou in sneltreinvaart veranderd zijn in een van de Europese ‘gidslanden’ wat betreft het opzoeken van de grenzen van de rechtsstaat, institutioneel racisme en het terugdringen van migranten tot voorbij de buitengrenzen van Europa. De extreemrechtse Partij Voor de Vrijheid (PVV) zat tot voor kort in de Nederlandse regering en voerde beleid uit (of probeerde dat te doen) waar een partij als Vlaams Belang alleen maar van kan watertanden.

Toch zien veel Nederlanders, in weerwil van deze ontwikkelingen, hun land nog altijd als tolerant en vrijheidslievend. Het boek van Saskia Pieterse en Janneke Stegeman zoekt naar verklaringen voor deze ogenschijnlijke tegenstelling. De auteurs laten zien dat het beeld van een tolerante natie eigenlijk stoelt op een idee van culturele en raciale superioriteit die voortkomt uit het protestantse denken. Hiervoor gaan Pieterse en Stegeman terug naar de politieke en religieuze wortels van Nederland vanaf de 16e eeuw.

Hun inspiratie halen Pieterse en Stegeman uit het werk van hedendaagse kritische stemmen in het Nederlandse publieke en academische debat, zoals die van Gloria Wekker. Drie jaar terug werd zij nog zeer terecht geëerd voor haar belangrijke werk met de Amnesty International-leerstoel van de Universiteit Gent. Ze doorprikt in dat werk het positieve Nederlandse zelfbeeld als een vorm van ‘witte onschuld’, tevens de titel van haar invloedrijke publieksboek uit 2016. Witheid is een verzameling van associaties en beelden via welke een superieur zelfbeeld in een proces van eeuwen wordt opgebouwd.

Witte onschuld is een vorm van ‘agressief verdedigde onwetendheid’, zoals Pieterse en Stegeman zelf ook aangeven. Aan de identiteit van de witte Nederlander zouden geen speciale positieve connotaties verbonden zijn, want ‘Nederlanders denken nu eenmaal niet racistisch’. Niets is minder waar. Een racistisch denkpatroon valt binnen het Nederlandse protestantisme al in de 16e en 17e eeuw te ontwaren. Het idee dat de Afrikanen als nakomelingen van de Bijbelse Cham – de tweede zoon van Noach die door zijn vader vervloekt werd – minderwaardige mensen waren, was toen al diepgeworteld in het denken. Het vormde de legitimatie voor de ontmenselijking van slaafgemaakten in de koloniale handel.

Tolerantie als onderhuids racisme

Dat het Nederlandse kolonialisme van de vroegmoderne tijd al hand in hand ging met vroege vormen van racistisch denken is misschien geen nieuw inzicht. Uitverkoren legt echter het protestantse denken van Nederland op de snijtafel en gaat zo ver terug in het historische DNA van het land. De onderzoekers leggen zo op scherpzinnige wijze een constante bloot in het Nederlandse zelfbeeld als tolerante natie, een zelfbeeld dat nooit los lijkt te staan van een sterk cultureel en raciaal superioriteitsgevoel van de Nederlander.

De kracht van Uitverkoren is de inzet van veel sprekende voorbeelden die de door Pieterse en Stegeman geschetste ontwikkeling kracht bijzetten. Een daarvan is de Zeeuwse dominee Smytegelt. Hij is een van de weinigen die in de 17e eeuw al kritiek uitte op de slavernij. Je kunt zelfs zeggen dat hij op een moedige manier het standpunt vanaf de kansel verkondigde dat slavenhandel een vorm van ‘mensendieverij’ is en zeker om die reden door God bestraft zal worden. Hij keerde zich dan ook geheel tegen de slavernij als een verachtelijk gebruik waar meteen een einde aan moest komen.

Smytegelts felle kritiek op de slavernij betekende nochtans niet dat hij de slaafgemaakten als gelijken van de Nederlanders beschouwde. Zijn slavernijkritiek ging hand in hand met een racialisering van de slaafgemaakte Ander. Hij bekritiseerde de onzedelijkheid van de ‘natuurvolken’ en gebruikte een verwijzing uit de Bijbel naar ‘de kinderen van de Moren’ om aan te geven dat de zwarte medemens afkomstig is van een stam die van aanvang aan verdorven zou zijn.

Witte zondaren worden door Smytegelt vergeleken met mensen die nog ‘in de natuur zijn’. Die laatsten kennen geen beschaving en beschikken als ‘vreselijke monsters’ en als ‘slang- en addergebroed’ enkel over een ‘bevlekt en duister verstand’. Achter het beeld van de Ander schuilt altijd het beeld van een Zelf dat hiervan het tegenbeeld is: de rationale, zedelijke Nederlander, die de juiste versie van het christendom aanhangt (het calvinisme) en via die levensbeschouwing ver uitstijgt boven de ‘natuurvolken’.

Ook bekering tot het protestantisme kon de gekleurde ‘heidenen’ in de koloniën volgens de calvinistische Nederlanders evenwel niet helpen. Terwijl in de 18e eeuw de protestantse zending wel steeds grotere vormen aannam, vonden veel calvinisten toch dat mensen van kleur niet gedoopt mochten worden. De achterliggende reden hiervoor was enerzijds economisch: christenen mochten niet tot slaaf gemaakt worden en bijgevolg zouden christelijke slaafgemaakten vrijgelaten moeten worden. Anderzijds huldigden velen de opvatting dat slaafgemaakten door hun etniciteit nooit tot een goed begrip van een hogere waarheid in staat zouden zijn. Een slaafgemaakte bekeerling had misschien een ‘witte ziel’, maar altijd nog een ‘zwart vel’. Zijn of haar geestelijke ‘witmaking’ door kerstening zou daarom tijdelijk zijn: teruggekeerd in Afrika zou die persoon weer snel gedoemd zijn om in geestelijke slavernij te vervallen.

Witte superioriteit

Een constante in het denken over tolerantie, democratie en Verlichting in de Nederlandse protestantse traditie is de idee van witte suprematie. In de 18e eeuw was een algemene gedachte dat alleen witte christenen tot werkelijke Verlichting zouden kunnen komen. Voor mensen met een zwarte huid, maar ook voor Joden, zou ware Verlichting moeilijk, zo niet onmogelijk zijn. Hoewel velen de mond vol hadden over algemene mensenliefde, verraadt het Verlichtingsdiscours in Nederland een vorm van raciale hiërarchie, die bepaald wordt door de idee van de Nederlandse witte protestantse natie als het door God uitverkoren volk.

De stichtingsmythe van de Nederlandse Republiek als een met Gods hulp vrijgevochten natie, een uitverkoren volk dat die positie heeft overgenomen van de Joden, ligt volgens Pieterse en Stegeman ten grondslag aan het geracialiseerde Nederlandse zelfbeeld. In de 18e eeuw werden aan die uitverkorenheid ook lichamelijke kenmerken gekoppeld. De witheid van de Nederlanders werd met hun edele denken in verband gebracht, terwijl het zogeheten primitieve karakter van natuurreligies af te lezen zou zijn aan de schedels en huidskleur van die ‘natuurvolken’.

Sommige van deze 18e- en 19e-eeuwse verdedigers van de idee van Nederlandse uitverkorenheid waren tegelijk felle pleitbezorgers van de strijd tegen slavernij. Dit lijkt een tegenstelling, maar ze valt te verklaren vanuit een paternalistische houding van de verlichte, christelijke ‘abolitionist’, die de weinig ontwikkelde slaafgemaakten wilde helpen bij hun bevrijding. Dit gevoel van morele superioriteit komt bijvoorbeeld tot uiting in het pleidooi van de slavernijkritische predikant Konijnenburg voor het inrichten van de plantages tot ‘kweekscholen’ van wetenschap en beschaving. Zwarte medemensen zouden namelijk niet met hun vrijheid kunnen omgaan en hadden na hun vrijlating de meer verlichte witte leraren nodig die ze hielpen om het juiste pad te volgen en zo braaf en deugdzaam te worden.

Vlaamse Witte onschuld

Het is zeer te hopen dat Uitverkoren het publieke debat in Nederland over witte onschuld verder aanwakkert én historisch kan verdiepen. Terecht trekken de auteurs dan ook de lijn door naar vandaag de dag. Belgische lezers kunnen zich bovendien de vraag stellen hoe het zit met die ‘witte onschuld’ hier te lande. De Belgische identiteit was in de 19e en 20e eeuw nadrukkelijk verbonden met het koloniale project van Leopold II. De kritische reflectie die nodig is op die identiteit en deze erfenis kwam de afgelopen jaren o.a. naar voren in de discussie over de herinrichting van het Afrikamuseum in Tervuren, waarbij ook het aspect van witte onschuld zijdelings ter sprake kwam.

Dit kritisch doorlichten van de Belgische identiteit is natuurlijk een goede zaak, maar tegelijk is de Belgische identiteit sowieso al een instabiel construct. Een meer urgente vraag is misschien: hoe zit het in dit opzicht met de Vlaamse identiteit? De protesten aan de Vlaamse kant tegen het Belgische koloniale verleden onder Leopold II lijken antipathieën te activeren die diepgeworteld zijn in Vlaanderen (die tegen het koningshuis in het bijzonder). De Vlaamse identiteit blijft daarbij grotendeels buiten schot. Ze lijkt immuun te zijn voor een antikoloniale doorlichting, omdat ze nog altijd is gebouwd op een idee van slachtofferschap dat de Vlaming zou delen met andere slachtoffers van politieke en culturele onderdrukking door de Belgische staat, zoals in Belgisch-Congo.

De Vlaamse identiteit is zo een perfect voorbeeld van een nationale identiteit in wording die gebaseerd is op de idee van witte onschuld. Zoals sommige Nederlanders zich in de 17e en 18e eeuw zogenaamd solidair verklaarden met de vrijheidsstrijd van slaafgemaakten, zo deden dat ook heel wat progressieve flaminganten die zich in de 19e en 20e eeuw als abolitionist ‘outen’. Ook hier overheerste echter het paternalisme, en heel vaak ook een onderhuids racisme, zoals bij auteurs als Conscience. Nota bene Leopold II zelf verkocht zijn project als een ‘abolitionistisch’ project: de Belgen zouden de Afrikaanse onderdanen beter behandelen dan veel andere koloniale naties. Precies dat beloofden de Nederlanders ook in de 17e en 18e eeuw. Niets was natuurlijk minder waar, in beide gevallen.

Recente studies laten zien hoe sterk ook Vlaamse steden al vroeg en intensief betrokken waren bij de koloniale handel. Een voorbeeld is het onderzoek van Stan Pannier naar de grootschalige betrokkenheid van handelaren in Oostende bij de slavenhandel in de 18e eeuw. De vraag hoe die handel gelegitimeerd werd aan de hand van vroege voorbeelden van onderhuids of expliciet racisme, wellicht al in de 18e eeuw, is nog niet onderzocht. Het is voor velen misschien wel duidelijk dat het Vlaamse zelfbeeld doordrongen is van racistisch denken, maar hoe dit historisch precies samenhangt met de idee van witte onschuld is nog nauwelijks onderzocht. Zeker in tijden waarin Vlaamse racisten breeduit schermen met de ‘waarden van de Verlichting’ als stok om mensen van kleur mee te slaan, schreeuwt het boek van Pieterse en Stegeman om een vergelijkbaar onderzoek dat juist die Verlichting demaskeert als een constructie van witte onschuld die steun biedt aan racistisch denken.

Afbeelding
 Saskia Pieterse &  Janneke Stegeman, Uitverkoren
Hoe Nederland aan zijn zelfbeeld komt. 
Athenaeum, 2025. ISBN 9789025316969
Saskia Pieterse & Janneke Stegeman, UitverkorenHoe Nederland aan zijn zelfbeeld komt. Athenaeum, 2025. ISBN 9789025316969

Vandaag op de hoogte van de wereld van morgen?