Financieel feodalisme: hoe Blackrock en co. de wereld overnemen
Sinds de financiële crisis van 2008 hebben we enorme veranderingen gezien in de machtsstructuur van bedrijven. De crisis heeft met name de ondergang van het neoliberalisme en de opkomst van een nieuw financieel kapitaal (NFC) bezegeld.
‘Financieel kapitaal’ definieerde Rudolf Hilferding als de fusie tussen geldkapitalisten en industriële kapitalisten. In de praktijk betekende dit het ontstaan van een regime van corporate governance (ondernemingsbestuur) waarin financiers rechtstreeks invloed uitoefenen op de industrie.
Vandaag zien we een nieuwe vorm van financieel kapitaal ontstaan via de opkomst van vermogensbeheerdersVandaag zijn we getuige van de opkomst van een nieuwe, historisch specifieke vorm van financieel kapitaal door de opkomst van vermogensbeheerders, met name de ‘Grote Drie’ (B3), BlackRock, Vanguard en State Street.
Vermogensbeheerders verzamelen het overtollige geld van grote institutionele beleggers zoals pensioenfondsen, verzekeringsinstellingen of zeer vermogende individuen, en beleggen dit namens hen. Voor het beheer van die kapitalen vragen zij een kleine vergoeding.
Sinds de financiële crisis hebben de B3 een ongekende hoeveelheid activa vergaard die ze in beheer hebben. Dat heeft geleid tot een enorme concentratie en centralisatie van geldkapitaal door het verwerven van grote belangen in bedrijven in de hele economie.
De organisatie van geldmarkten, is cruciaal geworden voor de productie van kredietZij vormen de grootste aandeelhouders in meer dan 40 procent van de beursgenoteerde Amerikaanse bedrijven en in 88 procent van de S&P 500 (belangrijke beurs in de VS, nvdr). Dit nieuwe tijdperk wordt door Stephen Maher en Scott Aquanno het New Finance Capital (NFC) genoemd.
Hertekening van het kapitalisme
Het NFC is het resultaat van belangrijke veranderingen in de manier waarop het kapitalisme na de Tweede Wereldoorlog functioneerde, vooral door de groei enerzijds van financiële activa zoals aandelen, obligaties[1] en derivaten,[2] en anderzijds door de financiering van bedrijven via kapitaalmarkten in plaats van banken.[3]Ten eerste wordt op activa gebaseerde accumulatie gekenmerkt door het toenemende belang van ‘niet-contante financiële activa’ zoals aandelen, termijncontracten, hypotheekleningen of andere verhandelbare schulden.[4]
Ten tweede verwijst marktgebaseerde financiering naar de manier waarop financiële systemen hun kredietverlening zijn gaan organiseren rond het creëren, bezitten en verhandelen van zeer liquide activa, zoals contant geld, zichtrekeningen, spaartegoeden en kortlopende staatsobligaties.
Door hun dominantie in de geldkapitaalcircuits zijn de B3 systemisch onmisbare spelers geworden in het hedendaagse kapitalismeDe markt voor laagrisico, zeer liquide, kortlopende schuld, is cruciaal geworden voor de productie van krediet. Maar, omdat bedrijven, banken en andere financiële instellingen aan hun financieringsbehoeften moesten voldoen (of hun overtollige middelen winstgevend moesten investeren), is de markt voor kredieten met een laag risico buiten de traditionele bankleningen gegroeid.
Zoals Maher en Aquanno in hun werk benadrukken, hebben de B3 macht vergaard door hun centrale positie op de aandelen- en geldmarkten. Door hun dominantie in deze geldkapitaalcircuits zijn zij systemisch onmisbare spelers geworden in het hedendaagse kapitalisme.
Veranderende rol van de staat
Veranderingen in de vermogensopbouw van privékapitaal gaan altijd hand in hand met verschuivingen in de economische rol van de staat. Sinds 2008 zien we in het bijzonder een versnelde ontwikkeling van wat Maher en Aquanno de risicostaat noemen.[5]In grote lijnen wordt deze staat gekenmerkt door een focus op het beperken van financiële risico's, het handhaven van lage rentetarieven[6] en het opdrijven van de prijzen van aandelen, vastgoedprijzen en andere beleggingen.
Na de crisis vond er een uitbreiding plaats van de staatsmacht binnen de normale werking van kapitalistische marktenBeleidsmaatregelen die na de crisis tot gangbare staatsactiviteiten zijn geworden, zoals kwantitatieve versoepeling[7] en het optreden als laatste redmiddel op de geldmarkten, hebben geleid tot een uitbreiding van de staatsmacht binnen de normale werking van kapitalistische markten.
Ontwikkelingshulp ten voordele van NFC
Wat minder vaak wordt belicht, is hoe de staat actief heeft meegewerkt aan het omvormen van het ontwikkelingsbeleid ten behoeve van het NFC.Een cruciale kwestie voor ontwikkelingslanden is namelijk het opbouwen van de infrastructuur die nodig is voor verdere economische activiteit. Maar dit vereist investeringen in infrastructuur zoals vervoer, water, energie, irrigatie, enzovoort.
Bij gebrek aan voldoende middelen vragen veel ontwikkelingslanden zich af hoe ze financiering voor deze projecten kunnen verkrijgen. Het antwoord van westerse instellingen is dat deze landen van hun infrastructuurprojecten aantrekkelijke investeringen moeten maken.
Hoe kunnen ontwikkelingslanden buitenlands kapitaal aantrekken? Het baanbrekende werk van Daniela Gabor over de ‘Wall Street Consensus’ (WSC) schetst de praktijken, instellingen en beleidsmaatregelen die door westerse instellingen worden bevorderd om ontwikkeling te financieren.
PPP’s worden beschermd tegen risico's die verbonden zijn aan nationalisatie, hogere lonen of klimaatregelsDe WSC stelt voor om publiek-private partnerschappen (PPP’s) te gebruiken om de nodige infrastructuur te realiseren. Dit zijn overeenkomsten waarin de privésector zich verbindt tot de financiering, bouw en beheer van openbare diensten.
Deze projecten worden dan omgezet in ‘belegbare’ effecten met verschillende risicoprofielen om het privékapitaal van vermogensbeheerders aan te trekken.
Er is echter een belangrijk addertje onder het gras. De staat en/of multilaterale instellingen ontdoen deze projecten van risico's, zodat vermogensbeheerders ze als investeerbaar beschouwen.
Dit houdt in dat betalingsstromen aan PPP-exploitanten en investeerders worden veiliggesteld door hen te beschermen tegen risico’s die verbonden zijn aan progressief beleid, zoals nationalisaties, hogere lonen en – ironisch genoeg – klimaatregels.
PPP's en andere vormen van financiële gebondenheid zijn erger dan privatisering omdat ze diepgaande bedrijfscontrole creërenDe risico's worden dus overgeheveld naar de staatsbalans, waardoor de staat nog meer wordt geconsolideerd als beschermer van het kapitaal.
Erger dan privatisering
Het project van het NFC om nieuwe waardeketens te verzilveren, vindt niet alleen plaats in ontwikkelingslanden. Ook in de rijkere landen dringen vermogensbeheerders al meer dan tien jaar aan op uitbreiding van de investeringen in ‘alternatieve activa’, met name in infrastructuur.Samenvattend kan worden gesteld dat de opkomst van het NFC een weerspiegeling is van veranderingen in de strategieën van staten om accumulatie te ondersteunen.
In veel opzichten zijn PPP's en andere vormen van financiële gebondenheid erger dan louter privatisering van activa, omdat ze diepgaande verbanden van bedrijfscontrole creëren die moeilijk te doorgronden zijn.
Het doel voor socialisten en andere progressieve krachten is om terug te vechten tegen bedrijfscontrole en collectieve productie verder te bevorderen. Het alternatief is barbarij.
Davide Ventrone is een Canadese onderzoeker en schrijver op het gebied van politieke economie, verbonden aan het Institute of Political Economy van Carleton University. Hij focust op arbeid, financiën en socialistische transitie, en publiceert kritisch over thema’s als ethische en duurzaam beleggen en financiële macht.
Dit is een licht bewerkte vertaling van een artikel dat eerder verscheen op de substack van Grace Blakeley. Daar kun je je ook inschrijven voor haar nieuwsbrief. De vertaling is van Jan Reyniers.
Notes:
[1] Obligaties zijn schuldbewijzen waarmee overheden of bedrijven geld lenen van beleggers, in ruil voor een vaste rente en terugbetaling op een afgesproken datum. Op de geldmarkt gaat het vaak om kortlopende obligaties met een looptijd van minder dan één jaar, gebruikt voor tijdelijke financiering.[2] Derivaten zijn financiële contracten waarvan de waarde is afgeleid van een onderliggende waarde, zoals aandelen, grondstoffen of rentevoeten. Voorbeelden zijn futures (afspraken om iets in de toekomst te kopen of verkopen tegen een vaste prijs) en opties (het recht, maar niet de plicht, om dat te doen).
[3] Stephen Maher en Scott M. Aquanno, The Fall and Rise of American Finance: From JP Morgan to Blackrock (Verso, 2023), 144–47.
[4] Stephen Maher en Scott M. Aquanno, “The New Finance Capital: Corporate Governance, Financial Power, and the State,” Critical Sociology 48, nr. 1 (januari 2022): 90, https://doi.org/10.1177/0896920521994170.
[5] Maher en Aquanno ontlenen hun concept van de ‘risicostaat’ aan Gabor's ‘de-risking state’, maar hun theorie (en die van mij) wijkt op bepaalde punten af. In het bijzonder hanteren zij een Marxistische benadering van de staatspolitiek, die beïnvloed is door Nicos Poulantzas.
[6] Er is veel discussie over de vraag of het regime van de B3 noodzakelijkerwijs gebaseerd is op lage rentetarieven. Maher en Aquanno stellen dat het een systematische stijging van de rentetarieven zou kunnen volhouden, terwijl anderen, zoals Benjamine Braun, sceptischer zijn.
[7] Kwantitatieve versoepeling (quantitative easing) is een beleid waarbij een centrale bank op grote schaal staatsobligaties of andere financiële activa opkoopt om extra geld in het financiële systeem te pompen. Dit moet de rente verlagen, investeringen aanmoedigen en de economie stimuleren wanneer klassieke renteverlagingen niet meer volstaan.