Het ecologisme van Karl Marx – behoeft Marx’ baard een knipbeurt?

Afbeelding
Karl Marx (1818-1883). Foto: Public Domain
Karl Marx (1818-1883). Foto: Public Domain
Dit essay is overgenomen uit het boek ‘Als de laatste boom geveld is, eten we ons geld wel op. Het kapitalisme versus de aarde’. Het staat in dat ecosocialistisch betoog afgedrukt onder de titel ‘Behoeft Marx’ baard een knipbeurt?’ (pp. 131-143). Voor de literatuurverwijzingen, zie het boek.

Silent Spring (1962), van de hand van Rachel Carson, mag de geboor­teakte van het moderne ecologisme worden genoemd. In dat boek neemt de biologe de pesticiden van de chemische industrie op de korrel.

De belangrijkste oorzaken van de ecologische destructie, zo schrijft ze, zijn ‘de goden van winst en productie (...) in een tijdvak gedomineerd door de industrie, waarin het recht om ten koste van alles 1 dollar te verdienen zelden in vraag wordt gesteld’.

Sindsdien brachten enke­le socialistische denkers aandacht voor het ecologische vraagstuk op. Ecoanarchist Murray Bookchin publiceerde al enkele maanden voor Carsons Silent Spring verscheen het boek Our Synthetic Environment. In de laatste decennia van vorige eeuw ontwikkelden Bookchin en zijn partner Janet Biehl een sociale ecologie, ingebed in een libertair-soci­alistisch project.

Dichter bij huis overschouwde ook de Nederlandse filosoof Ger Harmsen de destructie van de natuur. Hij merkte op ‘dat in een maatschap­pelijke orde waar de mens een ding is geworden ook de natuur slechts een ding kan zijn, wel verzet maar geen verbazing kan wekken’.

In 1981 organiseerden de Jongsocialisten een congres over het thema ‘Ecologie en socialisme’, met daarin aandacht voor het werk van de Franse denker André Gorz. De Vlaamse filosoof Jaap Kruithof is allicht onze belang­rijkste socialistische denker met aandacht voor ecologie.

Sinds de publica­tie van zijn De mens aan de grens (1985) kaartte hij in tientallen lezingen, artikelen en radio- en tv-programma’s onze lichtzinnige omgang met de planeet aan:

“Toen in 1972 mijn vrouw en ik met de kinderen in de haven van Roscoff (Bretagne) duizenden vissen op het droge zagen spartelen, kreeg mijn dochter Karen een huilbui die ik nooit zal vergeten. Een religieus protest, begreep ik later. Wat is er aan de hand met de mens, de gevangene van een imperialisme dat alles durft te ver­nietigen? Kip kopend bij een slager, waar klanten hun stukje vlees bestelden en zich blijkbaar op hun gemak voelden, zag ik die winkel plots als hét symbool van onze destructiedrift. Het werd handig verborgen, alles keurig en glanzend.”

Ook de Duitse filosoof Rudolf Bahro was socialist en ecologist: hij voor­spelde dat het politieke milieuactivisme ‘de laatste aarzeling op weg naar het socialisme is’.

Maar dat zijn uitzonderingen. In het algemeen hebben socialistische denkers in de loop van de twintigste eeuw amper over milieuvraagstuk­ken geschreven. Het is een intrigerende vaststelling. Want een eenvou­dige analyse van de werking van het kapitalisme leert dat die productie­wijze tendeert naar de vernietiging van de planeet.

Dat ontging ook de Franse vroegsocialistische denkers van de negentiende eeuw niet. De ont­bossing, de steenkoolwinning, de vernietiging van bucolische plekken en zelfs de massale slacht van dieren: het kwam al aan bod in de geschriften van Charles Fourier, Auguste Blanqui en William Morris.

Toch heeft de moderne socialistische stroming het milieuvraagstuk stiefmoederlijk behandeld. Het is een blinde vlek die we bij alle tendensen – van sociaaldemocraten tot communisten van allerlei gezindte – terugvinden.

Wat verklaart die blinde vlek? Heeft het te maken met het gebrek aan aan­dacht van de grondleggers van het historisch materialisme voor de zaak? Het is een ingesleten opvatting. De sociaaldemocratische publicist Jac­ques Attali herkent in Karl Marx een ondubbelzinnige apologeet van de mondialisering en een expanderende economie, niet gehinderd door eco­logische bekommernissen.

Mainstream ecologisten zoals Herman Daly zien het niet anders. Ze zetten Karl Marx en Friedrich Engels in de hoek van de productivistische, prometheïsche hemelbestormers die geloven dat wetenschap en techniek onbeperkte productiemogelijkheden genereren en het socialisme de definitieve overwinning van de mens over de natuur zal vestigen.

Om de milieublindheid van orthodoxe marxisten te illustreren, wordt verwezen naar de ecocide van het stalinistische regime in de Sovjet-Unie, uitspraken van Mao dat de mens de natuur moet ‘veroveren’ en een bevlo­gen speech van een overenthousiaste Leo Trotski die zijn gehoor ooit voorhield dat het socialisme ‘bergen zal verplaatsen, zeeën zal indammen en rivieren zal verleggen’.

Niet alleen antimarxisten zijn gevoelig voor die argumenten. Ook een ecosocialist als Michael Löwy is van mening dat Marx en Engels niet vrij zijn van productivistische ontsporingen. Volgens Löwy moet het ecosoci­alisme het marxisme ‘van zijn productivistische afval ontdoen’.

Een andere ecosocialist, Daniel Tanuro, heeft het over ‘de spanningen, onopgeloste vraagstukken en gebreken’ in het ecologische denken van Marx. Is het his­torisch materialisme inherent onbekwaam om het ecologische vraagstuk ten gronde te analyseren en een politieke ecologie vorm te geven? Schuilt er een deficiënt gen in het socialistisch denken dat socialisten onvermo­gend maakt de strijd voor een gezonde planeet in een correct kader te plaatsen? Moet Marx’ baard worden bijgeknipt?

Karl Marx (1818-1883) en Friedrich Engels (1820-1895) hadden de handen vol met de creatie van een wetenschappelijke methode en een begrippen­kader om het kapitalisme te analyseren, naast hun inzet in de dagelijkse organisatie van de arbeidersbeweging van hun tijd.

Het ontbrak hun aan tijd om een afgeronde analyse van de ecologische problemen uit te wer­ken, zoals dat ook het geval was voor kwesties als de plaats en functie van religie, kunst of de zogenoemde ‘Aziatische productiewijze’.

Toch zou het fout zijn om Marx en Engels als productivisten weg te zetten. Wel inte­gendeel: de arbeidswaardetheorie – de kern van hun analyse van de kapi­talistische productiewijze – verwerpt een ‘fysiocratische’, statische opvat­ting over milieu en natuur. Net zoals Thomas Malthus doet, wanneer hij stelt dat de natuur een geschenk voor de mens is.

Volgens Marx en Engels zijn arbeid en natuur de twee bronnen van rijkdom waarop het kapitalisme roofbouw pleegt. In Het Communistisch Manifest (1848) staat kernachtig uitgelegd dat het kapitalisme, in tegen­stelling tot prekapitalistische productiewijzen, geen beperkingen aan zijn expansie en de exploitatie van de aarde aanvaardt. Creatieve destructie of destructieve creativiteit is zijn modus operandi:

“De bourgeoisie kan niet bestaan zonder de productiemiddelen, dus de productieverhoudingen, dus de gezamenlijke maatschappelijke verhoudingen voortdurend te revolutioneren. (...) De voortdu­rende omwenteling van de productie, het onafgebroken door elkaar schudden van alle sociale structuren, de eeuwige onzekerheid en beweging onderscheidt de bourgeoisperiode van alle andere. (...) De behoefte aan een steeds uitgebreider afzet van haar produc­ten jaagt de bourgeoisie over de hele aardbol. Overal moet zij zich nestelen, overal haar huis bouwen, overal relaties aangaan. (...) De bourgeoisie heeft in haar nauwelijks honderdjarige klassen-heerschappij kolossaler productiekrachten geschapen dan alle ver­dwenen geslachten samen. Onderwerping van de natuurkrachten, machinerie, aanwending van de scheikunde in nijverheid en land­bouw, stoomvaart, spoorwegen, elektrische telegrafie, ontginning van gehele werelddelen, het temmen van rivieren, het tevoorschijn toveren van volkeren – welke vroegere eeuw vermoedde dat zulke productiekrachten in de schoot van de maatschappelijke arbeid sluimerden?”

Wat dat in concreto betekent, wordt aanschouwelijk voorgesteld in De ont­dekking van Frankrijk, een boek van Graham Robb. Hij beschrijft hoe het land in 1789 aan de vooravond van de Franse Revolutie vrijwel maagdelijk, onontgonnen gebied was.

Mensen die vijftig kilometer van elkaar woon­den, verstonden elkaar amper. Ze legden afstanden af die bijna evenveel tijd kostten als ten tijde van de Romeinse bezetting: het land was ‘drie weken lang en drie weken breed’. In Parijs leefde het idee dat in bepaalde streken geen mensen woonden. Frankrijk was een land dat bestond uit honderden ‘republieken’; het was ‘een land van vreemdelingen’.

Zelfs een halve eeuw later stelde Karl Marx in zijn De achttiende Brumaire van Louis Bonaparte (1852) nog vast dat de meeste mensen op hun eigen stukje land in de eigen behoeften voorzien, “door middel van een ruil met de natuur en niet door iets uit te wisselen met de samenleving. (...) De grote massa van de Franse natie wordt gevormd door het eenvoudigweg bij elkaar voegen van soortgelijke eenheden, zoals een zak aardappelen bestaat uit vele aardappelen die in een zak zitten”.

Het kapitalisme zou in zijn permanente staat van Sturm-und-Drang deze statische verhoudingen revolutioneren. Cijfers illustreren dat: in 1828 telde Frankrijk amper 22 kilometer spoorwegen, zestig jaar later was dat al meer dan 35.000 kilo­meter. Auto’s, treinen, later ook vliegtuigen: ze zorgen voor wat Marx ‘de vernietiging van ruimte door tijd’ noemde.

De marxistische econoom Ernest Mandel beschrijft in zijn beroemde inleiding op Het kapitaal van Marx de creatieve destructie of destructieve creativiteit van het kapitalisme zo:

“Marx de dialecticus (...) benadrukt de beschavende, progressieve aspecten van het kapitalisme, zijn machtige impulsen om de sociale productiekrachten te ontwikkelen, zijn onophoudelijke zoektocht naar nieuwe manieren en middelen om op arbeid te besparen, naar nieuwe noden en nieuwe sectoren van massaproductie. Het helpt om de onmetelijke mogelijkheden van de mens te ontplooien. Tezelfdertijd toont hij aan hoe de specifieke kapitalistische vorm van deze ontwikkeling de kracht van technologie, machines en ruilwaarden “die gek worden” (dat wil zeggen: die doelen op zich worden) tien keer verergert. Het kapitalisme onder­werpt mensen aan machines, in plaats van machines te gebruiken om mensen van mechanisch, repetitief werk te bevrijden. (...) Als het kapitalisme niet wordt omvergeworpen (...) houdt deze contra­dictie de mogelijkheid in zich van een gestaag toenemende trans­formatie van de productiekrachten in krachten die vernietigen, in de letterlijke zin van het woord: niet enkel krachten die rijkdom vernietigen (crisissen en oorlogen) en ook menselijke rijkdom en menselijk geluk vernietigen, maar ook krachten die het leven zelf vernietigen.”

In Het kapitaal legt Marx uit dat in het arbeidsproces ‘de mens zijn stof­wisseling met de natuur regelt en controleert’. Het is geen toeval dat hij niet spreekt van ‘de relatie’ van de mens met de natuur, maar van ‘de stof­wisseling’ of ‘het metabolisme’ tussen beide; van zijn ‘Stoffwechsel mit der Natur’. Zo benadrukt hij de biofysische, wederkerige aard van hun relatie. Marx en Engels vatten de natuur op als het anorganische lichaam van de mens, woorden die hun levende, dynamische betrekkingen tot uit­drukking brengen. Marx’ ecologische besef was diepgeworteld:

“De mens leeft van de natuur, dat wil zeggen, de natuur is zijn lichaam, en hij moet voortdurend ermee in dialoog gaan als hij niet wil sterven. Zeggen dat het fysieke en mentale leven van de mens verbonden is met de natuur betekent gewoonweg dat de natuur verbonden is met zichzelf, want de mens is een onderdeel van de natuur.”

De eerste zin van Het kapitaal vat kernachtig samen hoe het kapita­lisme aan ons verschijnt: ‘De rijkdom van de maatschappijen waarin de kapitalistische productiewijze heerst, heeft de vorm van een kolossale opeenhoping van waren.’ Het kapitalisme, zo stelt Marx, verzakelijkt het universum tot een massa koopwaren waarbij de ruilwaarde van goederen (in geld uitgedrukt) zich in zekere zin losmaakt van de gebruikswaarde (van de inhoud, de nuttigheid). Want de gebruikswaarde van een brood is voor een hongerige dakloze veel groter dan voor een weldoorvoede bur­ger, hoewel de ruilwaarde (prijs) voor beiden dezelfde is.

De Verdinglichung of verzakelijking van de wereld is de échte protagonist in The Great Gatsby (1925), de grote roman van F. Scott Fitzgerald. In het boek worden de diepste gevoelens en aspiraties van de protagonisten gecorrumpeerd en uitgehold door de fascinatie voor geld en uiterlijke tekenen van rijkdom. Geld wordt een fetisj, krijgt een macht die menselijke relaties transfor­meert in een wasteland (T.S. Eliot). Vervreemding is in een kapitalistische samenleving de natuurlijke staat van de mens.

De natuur zelf ontsnapt niet aan die verzakelijking. Marx stelt vast dat met de opkomst van het kapitalisme ‘de natuur een zuiver object voor de mens wordt, een gebruiksvoorwerp. De natuur wordt niet langer opgevat als een kracht op zich, en de theoretische ontdekking van haar zelfstan­dige wetmatigheden worden als een list ingezet om haar aan de menselijke noden te onderwerpen, als een voorwerp van consumptie of als een productiemiddel.’

In Marx’ woorden weerklinkt misprijzen voor wat de natuur wordt aangedaan: “Vanuit het gezichtspunt van een superieure ordening van de samenleving is het eigendomsrecht van bepaalde individuen op stukken van de aarde even absurd als het eigendomsrecht van een individu op zijn naaste”.

In een kapitalistische samenleving is de relatie tussen mens en natuur fundamenteel antagonistisch. Onder kapitalistische voorwaar­den ontstaat volgens Marx een ‘scheur’ of ‘barst’ in het metabolisme tus­sen beide, ten koste van ‘de twee enige bronnen van rijkdom’: natuur en arbeid.

Meer zelfs: het kapitalisme ontstond uit die scheur in de stofwisseling tussen mens en natuur. De definitieve doorbraak van het kapitalisme ge­beurde niet spontaan. Geweld – staatsgeweld – was de vroedvrouw van een samenleving die zwanger was van een nieuwe.

Het was een periode, aldus Marx, “waarin grote massa’s plotseling en met geweld werden los­gescheurd van hun bestaansmiddelen en als vogelvrije proletariërs op de arbeidsmarkt werden geslingerd”.

De ontworteling van de plattelandsbe­volking wordt door Marx ‘de primitieve (of oorspronkelijke) accumulatie van het kapitaal’ genoemd. Een eeuwenoud Engels protestrijm hekelt de privatisering van gemeenschapsgronden of commons, die de ontworteling van de boerenstand in de hand werkte:

 

The law locks up the man or woman

Who steals the goose from off the common

But leaves the greater villain loose

Who steals the common from off the goose.

In Engeland, de bakermat van het kapitalisme, werden boeren van hun (gemeenschaps)gronden verjaagd, in een langgerekt proces dat van de zes­tiende tot de negentiende eeuw liep. Ook op het vasteland werden boeren commons ontnomen.

Een Belgische wet van 1847 verplichtte gemeenten om ‘onbewerkte gronden’ te privatiseren, en in 1880 was al 100.000 hecta­re weideland aan het gemeenschapsgebruik onttrokken. Het proces werd herhaald in de Verenigde Staten, waar inheemse gemeenschappen van hun gronden werden verjaagd en Afrikaanse slaven op katoenplantages aan het werk werden gezet.

Andere voorbeelden zijn de massale verdrijving van de zwarte bevolking van Zuid-Afrika van hun gronden, tot omstreeks 1930 blanke kolonisten 90 procent van het land controleerden. Hetzelfde ge­beurde in de Britse, Franse en Belgische kolonies.

De scheiding van de plattelandsbevolking van het land en de opeen­hoping van ontheemden in de steden, als arbeidsreservoir voor de industrie, consolideerde de vervreemding van de mens van de natuur.

Dit proces was de basis voor de ontwikkeling van de kapitalistische landbouw op het plat­teland en de kapitalistische industrie in de steden. De natuur werd van de mens weggenomen en geïnstrumentaliseerd in een systeem dat hem onder­werpt als loonarbeider in industriële en agrarische productie-eenheden.

De scheiding van stad en platteland had zware ecologische gevolgen, en dat ontging ook Marx niet. De export van landbouwproducten naar de stad, die daar worden omgezet in afval en mest die ter plaatse wor­den gedumpt, zorgt voor de uitputting van de landbouwgrond, die onvol­doende nutriënten ‘terugkrijgt’.

Tezelfdertijd, zo stelde hij vast, overwon het kapitalisme – toch tijdelijk – de uitputting van de grond, dankzij de invoer van guano en menselijke beenderen uit de Napoleontische oorlo­gen, die over de akkers werden uitgespreid. Vanaf 1830 kwam de meststoffenindustrie met een alternatief.

Marx wijst erop dat het imperialisme de ‘scheur’ in het metabolisme tussen mens en natuur ook tussen landen veroorzaakt. Zo heeft Engeland, via de massale import van landbouwproducten uit zijn Ierse kolonie, ‘indi­rect de grond van Ierland geëxporteerd, zonder de Ierse landbouwers de bestanddelen te bezorgen die nodig zijn voor het herstel van de uitgeputte grond’. Neen, Marx’ baard behoeft geen knipbeurt ...

Het ecologisch imperialisme waar het gekoloniseerde Ierland onder leed, heeft anderhalve eeuw later mondiale vormen aangenomen. De agro-industrie, investeringsfondsen en landen als China en de Golfstaten leasen of kopen van Afrikaanse, Aziatische en Latijns-Amerikaanse regeringen uitgestrekte gebieden landbouwgrond.

Cijfers zijn moeilijk te verkrijgen, experts werken met ramingen. Volgens de Wereldbank werd in 2008, 2009 en 2010 alleen al ongeveer 60 miljoen hectare landbouw­grond onder buitenlandse controle gebracht, wat goed is voor achttien keer de oppervlakte van België.

De uitverkoop van de soevereiniteit over het grondgebied staat het verst in Cambodja, waar 63 procent van de land­bouwgrond in handen van buitenlandse ondernemingen is gekomen. Op de plaatsen twee en drie staan Liberia (30 procent) en Sierra Leone (20 procent). In absolute cijfers staan Zuid-Soedan, Papoea Nieuw-Guinea, Indonesië en Congo (Kinshasa) bovenaan, met respectievelijk 4,1 miljoen, 3,9 miljoen, 3,5 miljoen en 2,7 miljoen hectare grond die in buitenlandse handen zijn overgegaan.

In Zuid-Soedan least het Texaanse Nile Trading & Development (NTD) gedurende 49 jaar 600.000 hectare, uitbreidbaar tot 1 miljoen hectare. NTD mag op die gronden zonder beperkingen bomen kappen, palmolie en purgeernoten voor de aanmaak van biodiesel telen, mijnen exploiteren en naar hartenlust subleasen.

De regering van Tanzania ver­huurt in het westen van het land 800.000 hectare aan het Amerikaanse AgriSol Energy, voor een periode van 99 jaar. Daar wonen 160.000 Burundezen die decennia terug het geweld in hun land zijn ontvlucht. Hun wordt de wortel en de stok voorgehouden. Als ze verhuizen, krijgen ze een compensatie: 200 dollar en de Tanzaniaanse nationaliteit. Weige­ren is geen optie, want het is hen hoe dan ook verboden om hun gronden nog te bewerken of er nog huizen op te bouwen.

De nieuwe eigenaars hebben geen filantropische bedoelingen: acquisities dienen voor de productie van brandstof en voedsel voor de wereldmarkt, niet voor het voeden van de lokale bevolking. Deze gelegaliseerde landroof zorgt voor een inkrimping van het landbouwareaal voor lokale consumptie, maar gaat ook over diefstal van een ander schaars goed: grond- en rivierwater, nodig voor de landbouwproductie.

Agrobedrijven uit de Golfstaten, China, Brazilië en India hebben gigantische oppervlakten landbouwgrond in het Nijlbekken van Egypte, Soedan en Ethiopië geleast. Ze verwierven het recht om te irrigeren, wat het waterpeil van de Nijl onder druk zal zetten.

De volkeren uit het Zuiden betalen als eerste de prijs, nog voor de natuur dat doet. Bewoners die al generaties volgens het gewoonterecht de gronden bewerken, worden weggejaagd, al dan niet met een aalmoes. Onteigeningen gebeuren op velerlei manieren, zong Woody Guthrie al in zijn song over Pretty Boy Floyd, en het neokolonialisme gebruikt ze allemaal: “Some will rob you with a six gun, and some with a fountain pen”.

In het ergste geval verklaren lokale potentaten de begeerde gronden gewoon ‘vacant’, zoals koning Leopold II deed toen hij zich in Congo Vrijstaat (1885-1908) enorme gebieden toe-eigende. Zijn schrikbewind draaide op landroof, plundering en onderdrukking van de lokale bevolking. Volgens demografen kwam tussen één en twee derde van de Congolezen, of drie tot zes miljoen mensen, om het leven.

En dan hebben we het nog niet gehad over de mogelijke langetermijn­gevolgen van die neokoloniale vraatzucht op de ecosystemen. Palmolieproducenten kappen de veenrijke wouden van Congo en Indonesië. In het Congobekken ligt er een veenmoeras van zes meter diep, vier keer zo groot als België. Als die veenmoerassen droog komen te liggen, zullen die gigan­tische massa’s vergane plantenresten gaandeweg enorme koolstofbommen vrijgeven.

Het Agence Française de Développement is alvast van mening dat het Evenaarswoud van Congo belangrijke ‘kansen op economische ontwikkeling” biedt. Het agentschap stelt voor om boven op de bestaande concessies voor houtkap 20 miljoen hectare extra in concessie te geven.

Nick Meynen lijst in zijn boek Frontlijnen de wereldwijde diefstal van water, bodemschatten en biomassa op. De roof wordt verpakt ‘als ont­wikkelingshulp, vergoelijkt als de white man’s burden, verstopt achter een [ecologisch] RSPO- of FSC-label, en verkocht als de bestrijding van het klimaatprobleem. In zijn totaliteit vormen al die processen samen de grootste wereldwijde biomassatransfer in de geschiedenis.’

De nucleaire industrie demonstreert op haar manier de gruwel van het ecologisch imperialisme. Het uranium waarop de Franse kerncentrales draaien, komt niet uit Franse bodem, hoewel er genoeg van dat metaal in de grond zit. Het Franse concern AREVA haalt het goedje duizenden kilometers ver uit de bodem, in Niger en Namibië, waar de veiligheids- en milieunormen zo goed als onbestaande zijn.

In Namibië wordt uranium met open mijnbouw gewonnen. Goedkoop, maar het procedé zorgt er wel voor dat de wind radioactieve stof in de longen en maag van de Namibiërs jaagt. Ook staalbedrijven en producenten van pesticiden verleggen hun productie naar het Zuiden, want minder normen en minder handhaving ervan zorgen voor meer winst ... ten koste van mens en milieu.

Nog een voorbeeld uit een eindeloze lijst: de goudmijn van Paracatu (Bra­zilië) wordt al dertig jaar uitgebaat door de Canadese groep Kinross Gold Corporation. Om 1 gram goud op te halen, moet 2500 kilogram rots worden verpulverd. En die 2,5 ton bevat 7 kilogram arsenicum. Het afval wordt in putten gedumpt, vanwaar het giftige goedje zijn weg naar de lokale rivier, de lucht en het grondwater vindt. De bevolking heeft last van hoofd- en spierpijn en hypertensie, maar een epidemiologisch onderzoek blijft uit.

De autoriteiten kijken de andere kant op: Kinross Gold stelt 1600 mensen te werk en betaalt belastingen ... De afwenteling van de schade op milieu en mens in het Zuiden krijgt de zegen van de topeconoom van de Wereldbank, die in een gelekte memo spreekt van ‘ondervervuilde’ landen waar de schade aan mens en milieu minder kost dan in het Noorden ...

Oost-Congo is een hoofdstuk op zich. De staat is er weggesmolten. War­lords, al dan niet met steun van buurlanden, dicteren er de wet. De helft van alle kobalt dat in de wereld wordt opgedolven komt uit het land. Halfnaakte kinderen en mannen graven er het radioactieve goedje op. Het kobalt wordt opgekocht door Chinese mijnbedrijven als Congo Dongfang Mining. Ze verkopen het kobalt door aan batterijfabrikanten, die op hun beurt de accu’s aan de producenten van onze smartphones en auto’s leveren.

De ‘creuseurs’ halen zich kankers en huid- en longziekten op de hals, het restafval belandt in beekjes en rivieren. Maar niemand maalt erom: noch het grootbedrijf, noch de westerse machten die Congo en zijn buurlanden een hand boven het hoofd houden.

Apple, Samsung, Sony, Mercedes, Volkswagen: ze beweren niet te weten waar het kobalt in hun producten vandaan komt. Een onder­zoeker: ‘Bedrijven die 125 miljard dollar winst maken, zijn ongeloofwaardig als ze beweren dat ze niet kunnen nagaan waar de basisgrondstoffen in hun productieketen vandaan komen.’

Terug naar de grondleggers van het historisch materialisme. In 1876 schreef Friedrich Engels over het instrumentaliseren van de natuur een tekst die van gisteren zou kunnen dateren: 

“Omdat kapitalisten produceren en handel drijven om winst te maken, worden slechts de onmiddellijke resultaten in rekening gebracht. (...) ze bekommeren zich niet over wat achteraf met de koopwaar en de kopers gebeurt. In Cuba staken de Spaanse plan­ters de wouden op de heuvelruggen in brand, want de as bracht genoeg kunstmest op voor de aanleg van één generatie van erg winstgevende koffiebomen. Het kon hen niet schelen dat zware tro­pische regens de onbeschermde bovenste grondlaag van de heuvels wegspoelden, tot er slechts naakte rotsen overbleven. Tegenover de natuur gedraagt de huidige productiewijze zich zoals tegenover de samenleving: hij is slechts geïnteresseerd in de onmiddellijke, tast­bare resultaten. Met verbazing stelt men dan vast dat de langeter­mijngevolgen heel anders uitdraaien.”

Zogenoemde ‘menselijke overwinningen op de natuur’ zijn illusies, merkt Engels op:

“Voor elke overwinning neemt de natuur wraak op ons. Het klopt dat elke overwinning eerst de resultaten oplevert die we ervan ver­wachtten, maar nadien volgen er heel andere, onvoorziene gevolgen die maar al te dikwijls de eerste tenietdoen. (...) In de natuur gebeurt niets geïsoleerd. Alles heeft een invloed en wordt beïnvloed door al het andere.”

In een bijzonder krachtige tekst wijst hij op het overwicht van de natuur. Het moet de mens tot bescheidenheid stemmen:

“Steeds opnieuw worden we eraan herinnerd dat wij helemaal niet heersen over de natuur zoals een veroveraar over een vreemd volk, alsof wij buiten de natuur zouden staan, maar dat wij, van vlees en bloed, tot de natuur behoren en in haar midden leven, en dat onze beheersing van haar erin bestaat dat wij het voordeel tegenover alle andere creaturen hebben haar wetten te kennen en hen correct toe te passen.”

Het instrumentaliseren van de natuur uit zich ook in de omgang van de vleesindustrie met dieren. Marx veroordeelde het opkweken van dieren in stallen:

“In die gevangenissen worden de dieren geboren, en ze blijven er tot ze gedood worden. Die werkwijze hangt samen met de abnor­male kweek van dieren, gericht op zwakke botontwikkeling en hun transformatie tot zuiver vlees of een massa vet. Vroeger (voor 1848) bleven dieren actief, zo veel als mogelijk in open lucht. Zal die evolutie uiteindelijk resulteren in een ernstige verzwakking van de levenskracht?’ Over de dieren noteerde Marx: ‘Vroegrijp, ziekelijk, zwakke botten, veel vlees en vet. Ze zijn artificiële producten ... walgelijk!”

In het derde deel van Het kapitaal besluit Marx: “De moraal van het verhaal is dat het kapitalisme haaks staat op een rationeel opgevatte land­bouw. (...) [E]en rationele landbouw (...) vereist ofwel kleine boeren die voor zichzelf werken, ofwel de controle van de geassocieerde producenten.’ Wat we vandaag ‘ecologische duurzaamheid’ noemen, kan zich pas ten volle ontwikkelen in een postkapitalistische samenleving – door Marx een maatschappij van ‘de geassocieerde producenten’ genoemd. Een samenleving die steunt op een democratisch geplande economie kan ‘het metabolisme tussen mens en natuur op rationele wijze beheren (...) met het kleinste gebruik van energie en onder voorwaarden die het meest geschikt zijn voor de menselijke natuur.’ Marx benadrukt dat de mensen niet de eigenaars zijn van de aarde, maar zijn vruchtgebruikers, die tot taak hebben ‘hem in een verbeterde staat aan volgende generaties door te geven, als boni patres familias.”

Het zijn diepzinnige ideeën die de relatie tussen het kapitalisme en de natuur in haar algemeenheid weergeven. Een concreet uitgewerkte poli­tieke ecologie is in het oeuvre van Marx en Engels evenwel niet terug te vinden. Het ontbrak hen vooral aan tijd om dat te doen. Kort na Marx’ dood schreef Engels daarover:

“Marx en ik waren vrijwel de enigen die de bewuste dialectiek uit de Duitse idealistische filosofie hebben gered en haar naar de mate­rialistische opvatting van natuur en geschiedenis overbrachten. Maar tot een dialectische en tevens materialistische opvatting van de natuur behoort kennis van de wiskunde en van de natuurwe­tenschap. Marx was een grondig kenner van de wiskunde, maar de natuurwetenschappen konden wij slechts gedeeltelijk, sprongsge­wijs, sporadisch volgen.”

Marx en Engels gingen ervan uit dat op relatief korte termijn een socia­listische omwenteling de roofbouw op mens en natuur zou beëindigen. Het socialisme zou immers, in de woorden van Marx, de ‘geassocieerde producenten’ de mogelijkheid bieden ‘om het menselijke metabolisme met de natuur op een rationele manier te beheren’.

Hun analyse van de wer­king van het kapitalisme leert evenwel dat uiteindelijk – als het kapitalisme niet eerder omver zou zijn geworpen – de allesverslindende moloch op een bepaald punt tegen de grenzen van de aarde moet aanstoten en de twee bronnen van rijkdom – arbeid en natuur – zal vernietigen.

Neen, Marx’ baard moet écht niet worden bijgeknipt.

Ludo De Witte. Als de laatste boom geveld is, eten we ons geld wel op – Het kapitalisme versus de aarde. EPO, Antwerpen, 2017 (derde druk 2020), 247 pp. ISBN 978 9462 6711 64. Dit essay is een overname van het hoofdtuk ‘Behoeft Marx’ baard een knipbeurt?’ (pp. 131-143). Voor de literatuurverwijzingen, zie het boek.

Vandaag op de hoogte van de wereld van morgen?