Tweehonderd jaar geleden verstikte Frankrijk de Haïtiaanse revolutie met een onmenselijke schuld
Op een stormachtige augustusnacht in 1791 hielden Dutty Boukman (1767-1791) en Cécile Fatiman (1771 (?)-1883 (?)) een voodoo-ceremonie in Bois Caïman in het noorden van Saint-Domingue, het Franse deel van het eiland Hispaniola.
Boukman was gevangengenomen in Senegambia (het huidige Senegal en Gambia) en Fatiman was de dochter van een vrouw uit Congo (zoals Aimé Césaire schreef) en een Corsicaan. Hun ceremonie, waaraan meer dan tweehonderd Afrikaanse slaven deelnamen, was de aanleiding voor een massale opstand op de Franse plantages.
“De god van de witte man inspireert hem tot misdaad, maar onze god roept ons op om goede daden te verrichten”Boukman sprak in het Creools woorden die generaties lang werden doorgegeven en uiteindelijk in de geschiedenisboeken terechtkwamen (onder meer in C. L. R. James' klassieker The Black Jacobins uit 1938):
"De god die de zon heeft geschapen die ons licht geeft, die de golven doet opzwepen en de storm beheerst, hoewel verborgen in de wolken, waakt over ons. Hij ziet alles wat de witte man doet. De god van de witte man inspireert hem tot misdaad, maar onze god roept ons op om goede daden te verrichten.
Hij zal onze wapens leiden en ons helpen. Gooi het symbool weg van de god van de witte mensen. Die heeft ons zo vaak tot tranen gebracht, en luister naar de stem van de vrijheid die spreekt in ons aller hart."
De echo's van de Franse Revolutie van 1789 klonken nog na in de marge van de Boukman- en-Fatimanceremonie. Hun eigen tradities van menselijkheid, die ze uit hun Afrikaans en islamitisch erfgoed haalden, waren voor hen echter nog krachtiger.
De tot slaaf gemaakte Afrikanen kwamen in opstand. Ze staken de plantages in brand en doodden al wie beweerde dat zij slechts ‘eigendom’ waren. Hun wraak was wreed, maar dat stelde niets voor in vergelijking met wat hen ooit was aangedaan.
Om een idee te krijgen van de houding van de plantage-eigenaren volstaan de overdenkingen van een Engelse plantage-eigenaar uit Antigua over tot slaaf gemaakte Afrikanen. Kapitein John Newton, een handelaar in tot slaaf gemaakten die later abolitionist werd, tekende dit en andere gesprekken met slavenhouders op in zijn pamflet Thoughts Upon the African Slave Trade (1787):
"Moeten we ze matig werk geven, voldoende voedsel en een behandeling die hen in staat stelt om oud te worden? Of moeten we ze tot het uiterste drijven, met weinig rust, slecht voedsel en een harde behandeling, zodat ze uitgeput raken, voordat ze nutteloos worden en geen dienst meer kunnen doen, en dan nieuwe kopen om hun plaats in te nemen?"
Die nacht begon de opstand die uiteindelijk zou worden geleid door Toussaint L'Ouverture (1743-1803). L'Ouverture had, dank zij zijn peetvader, leren lezen. In 1791 was hij rentmeester van een plantage (een functie die hem toegang gaf tot veel boeken, waaronder Julius Caesars Commentaren op de Gallische Oorlog, dat boek leerde hem iets over militaire strategieën).
L'Ouverture en de andere rebellenleiders sloten een kortstondig bondgenootschap met de Spanjaarden om de Fransen te verslaan. Op hun beurt vroegen die laatsten de Britten om hulp. De Europeanen moesten hun onderlinge vijandigheden even opzij zetten om de ware bedreiging het hoofd te bieden: de opstand van de Afrikaanse tot slaaf gemaakten.
Napoleon
Met de opkomst van de jakobijnen in Parijs, onder leiding van Maximilien Robespierre, kantelde de balans in het voordeel van de tot slaaf gemaakten. In februari 1794 steunden Robespierre en de jakobijnen een decreet van de Nationale Conventie om de slavernij in de Franse koloniën af te schaffen.Dat leidde tot een tijdelijke alliantie tussen het Franse leger en de troepen van L'Ouverture tegen de Spanjaarden en de Britten. "O-zar-m Si-twa-yen"! (Te wapen, burgers!), zongen de voormalige Afrikaanse tot slaaf gemaakten L'Ouverture achterna in het Creools.
Maar in Parijs werd het regime van Robespierre omvergeworpen. In 1799 kwam Napoleon Bonaparte aan de macht als eerste consul. Hij verbrak alle overeenkomsten tussen de Fransen en de Afrikaanse revolutionaire strijdkrachten, inclusief het decreet om de slavernij af te schaffen.
Van 1802 tot 1803 voerde de Franse burggraaf de Rochambeau een schrikbewind in het noorden van Saint-Domingue om de Franse controle over de kolonie te herstellen. Hij zette onder meer 1.500 Cubaanse mastiffs[1] in om de Afrikanen op te jagen.
Het volk van Haïti voerde de eerste succesvolle revolutie van de Derde WereldHij zou ook zwavel hebben gestookt in scheepsruimen om opstandige gevangenen te verstikken. Rochambeau zei tegen de Franse soldaten: “Ik wil van jullie niet langer moed zien, maar woede.” Ze gooiden bij Le Cap (nu Cap-Haïtien) zoveel lijken in het water dat de mensen die daar woonden niet langer vis wilden eten die daar was gevangen.
L'Ouverture werd in 1802 door de Fransen gearresteerd en stierf het jaar nadien in een gevangenis in het Juragebergte, vlakbij de Zwitserse grens. Zijn leger, dat nu onder leiding stond van Jean-Jacques Dessalines, bleef echter vechten.
Onafhankelijk
Op nieuwjaarsdag 1804 verklaarden de troepen van Dessalines zich onafhankelijk van Frankrijk en gaven ze hun land de nieuwe naam Hayti (nu Haïti, het Taíno-woord voor 'land van bergen').Het volk van Haïti voerde de eerste succesvolle revolutie van de Derde Wereld. Tijdens de laatste maanden van de strijd vroeg Dessalines zijn peetdochter, Catherine Flon, om het witte gedeelte van de Franse vlag te verwijderen, het rode en blauwe gedeelte aan elkaar te naaien en op hun onafhankelijkheidsvlag de tekst: La liberté ou la mort (Vrijheid of dood) te schrijven.
De VS, volledig geworteld in de slavernij, vreesde dat de Haïtiaanse revolutie zich zou uitbreiden naar het eigen grondgebiedToen ze hun vrijheid eenmaal hadden veroverd, werden die woorden weer van de vlag verwijderd. Maar die vrijheid was niet zo gemakkelijk te bereiken.
De VS en Frankrijk not amused
De pas opgerichte Verenigde Staten, volledig geworteld in de slavernij, vreesden immers dat de Haïtiaanse revolutie zich zou uitbreiden naar hun eigen grondgebied. In 1792 gaf de Amerikaanse president George Washington zijn minister van Buitenlandse Zaken Thomas Jefferson al de opdracht om drie kwart miljoen dollar aan hulp te sturen voor de eigenaars van de Haïtiaanse plantages.Dat geld moest ze helpen de opstanden neer te slaan. In juli 1802 schreef Thomas Jefferson, inmiddels president geworden van de Verenigde Staten aan Rufus King, de Britse ambassadeur in de VS:
"De gang van zaken op de naburige eilanden van West-Indië lijkt een aanzienlijke impuls te hebben gegeven aan de slavengemoederen in verschillende delen van de VS. Er is onder hen een grote neiging tot opstand ontstaan."
Daarom gingen Jefferson en zijn kabinet op zoek naar middelen om de Haïtiaanse revolutie in de kiem te smoren. Op 21 februari 1806 verbood Jefferson de handel met “bepaalde delen van het eiland Saint-Domingue”, met name Haïti. In 1824 zei Robert Hayne, senator van South Carolina, ronduit:
“Ons beleid ten aanzien van Haïti is duidelijk. Wij kunnen haar onafhankelijkheid nooit erkennen. De vrede en veiligheid van een groot deel van onze Unie verbieden ons zelfs hierover te discussiëren”. De vrijheid van Haïti vormde een al te grote uitdaging voor de slavernij in de VS.
In 1825 stuurde de Franse koning Karel X in een opwelling van kanonneerbootdiplomatie een vloot met oorlogsschepen naar Haïtiaanse wateren. Hij eiste dat de jonge natie 150 miljoen frank zou betalen als 'compensatie' voor het verlies van zijn kolonie en haar slavenarbeiders.
Frankrijk legde Haïti een financiële wurggreep opDat bedrag was zowat tien keer de jaarlijkse begroting van Haïti en evenveel als het bedrag dat de VS hadden betaald voor de aankoop van Louisiana. Haïti leende geld van Franse banken (!) om het bedrag te betalen en kwam vervolgens in een schuldenspiraal terecht waar het nooit meer uitkwam.
Tussen 1825 en 1947 [na 122 jaar], toen Haïti eindelijk de schuld had afgelost, was tachtig procent van ‘s lands geproduceerde rijkdom – ongeveer 21 miljard dollar – gebruikt om de schuld af te betalen. Daardoor bleef het land in een staat van totale chaos achter (naar schatting hebben de Haïtianen uiteindelijk meer dan twee keer de waarde van de initiële ‘schadevergoeding’ betaald).
Het gaat hier uiteraard om een verfoeilijke financiële wurggreep. Noch Frankrijk, noch Citibank (de VS-bank die de schuld overkocht), hebben zich voor die plundering ooit verontschuldigd.
Aristide
Elke keer dat Haïti probeerde op te staan, werd het weer neergeslagen. In 1915, toen de nieuwe Haïtiaanse regering haar soevereiniteit probeerde te veroveren na de moord op de VS-gezinde Jean Vilbrun Guillaume Sam, greep Washington in. VS-troepen bezetten het eiland negentien jaar lang, tot 1934.Vervolgens installeerde Washington er het wrede, dictatoriale regime van Duvalier (1957 – 1986) dat er namens de VS regeerde. In december 1990 bracht een lavalas (lawine) van volksenergie, die vooral in de Haïtiaanse boerenbevolking was ontstaan, een voormalige priester – Jean-Bertrand Aristide – met zeventig procent van de stemmen in het presidentieel paleis.
Geen enkele Haïtiaan had ooit zo’n overweldigend mandaat gekregen. Dit leek wel een herhaling van L'Ouverture of zelfs van de Piquet-opstand van 1844 en zijn L'Armée souffrante (het Hongerleger).[2] Aristides leiderschap en zijn toewijding aan de boerenbevolking waren voor de VS even bedreigend als vergelijkbare episodes uit het verleden.
Acht maanden later, op 30 september 1991, werd Aristide door het leger en de politie – met de steun van de VS – omvergeworpen. Uiteindelijk mocht hij, na internationale druk, zijn ambtstermijn van 1994 tot 1996 afmaken, zij het onder strenge VS-voorwaarden.
In 2000 won Aristide met een nog flamboyantere meerderheid. Hij behaalde negentig procent van de stemmen. De staatsgreep en het hem door de VS opgelegde keurslijf uit zijn eerste ambtsperiode, hadden hem geradicaliseerd.
Hij eiste nu dat Frankrijk 22 miljard dollar aan onterecht betaalde ‘schadevergoeding’ zou terugbetalen. Volgens de Fransen was die kwestie in de negentiende eeuw via verdragen geregeld en zou er dus geen schadevergoeding worden betaald. In 2004 werd Aristide (alweer) omvergeworpen.
Dit keer door een staatsgreep die werd gesteund door Frankrijk en de VS. In zijn plaats kwam er een militaire junta aan de macht die de eis tot schadevergoeding meteen liet vallen.
Dromen
De kwestie van de ‘schadevergoeding’ is ondertussen begraven onder orkanen, aardbevingen, een invasie van VN-vredestroepen na de staatsgreep (met zijn een cholera-epidemie en wijdverbreid seksueel misbruik), de plaag van de buitenlandse schuld, het gewicht van de deflatie, de grootschalige ontbossing.En verder, de ineenstorting van de Haïtiaanse landbouw door dumping van Amerikaanse producten, het tegenhouden van een wet op het minimumloon, de moord op een niet-gekozen president en, meer recentelijk, de greep van bendegeweld.
Dit alles gaat terug op de weigering van de imperialisten om Haïti ooit de vrijheid te gunnnen – ze konden het de Haïtianen nooit vergeven dat zij ooit het eerste volk ter wereld waren dat een succesvolle revolutie leidde tegen het imperialisme.
Op 20 februari 2025 stierf de Haïtiaanse dichter en schilder Frankétienne op 88-jarige leeftijd in Delma, Port-au-Prince. Gedurende zijn leven reflecteerde hij op het feit dat hij in 1936 werd geboren uit een Haïtiaanse moeder die was verkracht door een man uit de Verenigde Staten.
Frankétienne bleef ondanks alle beproevingen in zijn vaderland en gaf een stem aan een volk dat wanhopig op zoek was naar een toekomst. In zijn prachtige Fleurs d'insomnie (Bloemen van Slapeloosheid, 1986), geschreven aan het einde van de nachtmerrie van Duvalier, mijmerde Frankétienne:
"Dromen is ongetwijfeld de eerste weg die naar vrijheid leidt. Dromen is al vrij zijn."
Dit artikel verscheen eerder op Tricontinental.org. De vertaling is van Jan Reyniers.
Notes:
[1] Noot van de vertaler: Een ‘mastiff’ is een Engelse buldog. In de context van de slavenhandel verwijst de term specifiek naar de slaven die (‘als buldogs’) werden ingezet om andere slaven te bewaken of op te jagen in dienst van hun koloniale meesters. Hun rol illustreert de complexiteit en de wreedheid van de slavernij omdat het ‘vuile werk’ vaak werd opgeknapt door medeslaven in ruil voor een iets minder gruwelijk bestaan.[2] Noot van de vertaler: De term ‘L'Armée souffrante’ (letterlijk: ‘Het Lijdende Leger’) verwijst naar de opstandige boeren en arbeiders – de zogenaamde ‘piquets’ – tijdens de Piqué-opstand (1844) in Haïti. Deze groep bestond vooral uit uitgebuite landarbeiders die in extreme armoede leefden en in opstand kwamen tegen de lokale (zwarte) elite.