Adolescence laat zien hoe jongens leren dat hun waarde afhangt van macht
Velen hebben het gezien: Adolescence, de Britse serie over Jamie Miller, een jongen van dertien die wordt gearresteerd voor de moord op een tienermeisje van zijn school.
We kunnen er niet omheen hoe herkenbaar alles is, hoe dichtbij het voelt. Het ogenschijnlijk normale gezin waarin Jamie opgroeit. De school waar leraren hun best doen, maar die in werkelijkheid steeds meer is veranderd in een soort jungle. Een plek vol kinderen met onzekerheden, pestkoppen, groepsdruk.
En dan is er nog die andere wereld - de digitale, die constant om hen heen hangt als een tweede werkelijkheid. Daar waar de regels, die school misschien nog probeert te handhaven, wegvallen. Daar waar al die jongeren, met hun twijfels en onzekerheden, en al de Andrew Tates samenkomen.
Met een lege blik kijkt hij letterlijk op haar neer, en lijkt zij klein
Voor mij was aflevering drie het meest herkenbaar. De scène waarin Jamie met een psycholoog in een ruimte zit, en waar Owen Cooper op indrukwekkende wijze zijn personage op de lijn tussen zielig en monsterlijk laat dansen.
Zielig, omdat hij zijn onzekerheden blootlegt. Omdat Jamie vertelt dat hij zichzelf niet knap vindt, dat hij denkt dat niemand hem aantrekkelijk vindt. Dat hij gepest wordt, juist met het idee dat hij nooit iemand zou krijgen. Zielig.
En aan de andere kant - of misschien wel aan precies dezelfde kant - verdwijnt die eerlijke blik uit zijn ogen. Hij verliest zijn beheersing, krijgt een woedeaanval. En uiteindelijk staat hij daar, in stilte, recht tegenover de psycholoog. Boos, omdat zij de bewaker had weggewuifd, "als een soort prinses". Alsof ze even te veel macht had gehad.
En met die lege, minachtende blik kijkt hij letterlijk op haar neer, waarin hij op een manier 'machtiger' aanvoelt. En hoe klein zij opeens lijkt.
De blik die hem groter maakt, en haar kleiner
Het was die blik in zijn ogen die ik herkende, die ik eerder had gezien. Het deed me denken aan de tijd dat ik als sociaal werker spelletjes organiseerde voor kinderen op straat, en waarbij ik vanaf het begin al voelde dat sommige jongens niet echt naar mij luisterden, terwijl ze dat bij mijn mannelijke collega wél deden.
Ik herinner me nog één jongen in het bijzonder. Wanneer hij werd gecorrigeerd, uitgedaagd of afgewezen, werd hij vaak boos of begon hij de ander uit te dagen. Als ik dan reageerde zoals ik gewend was - door te luisteren, te kalmeren, te laten zien dat ik hem écht zag - werkte dat opeens niet meer.
De aanpak van mijn mannelijke collega daarentegen wél: hem een stoot op de schouder geven, zeggen: "Kom op, wees een man, niet janken." Hij veegde zijn tranen weg en ging door.
Maar er was ook een moment waarop ík degene was die hem corrigeerde, hem op een bepaalde manier afwees - en toen zag ik die blik. Alsof ik hem even klein had gemaakt, en hij zich moest herstellen, groter moest worden dan ik, mij uit evenwicht moest brengen.
Iets aan mijn reactie ondermijnde zijn behoefte aan controle
Er was iets aan mijn houding - niet bang, niet boos, niet in de aanval - dat het hele spel ontregelde. Alsof mijn weigering om mee te doen aan het 'machospel' iets in hem wakker maakte. Iets wat zijn behoefte aan controle ondermijnde. Het was die verstarde, bittere blik, waarin je ineens als minder dan mens wordt gezien. Waarin je opeens wordt teruggebracht tot iets kleiners, iets dat overwonnen moet worden.
Het moeilijke was dat ik me geen raad wist met zijn gedrag. Ook voor mij werden de sociale regels doorbroken. Ik bevond me in een situatie waarin ik simpelweg niet wist hoe ik me moest gedragen. Alsof normaal met elkaar praten ineens geen waarde meer had.
En het vreemde was: hoe jong hij ook was, hoe vreemd zijn gedrag ook was, op een bepaalde manier leek hij toch te winnen. Alsof bij dat haantjesgedrag, bij die strijd om dominantie, het weigeren om mee te doen automatisch werd gezien als zwak. Of als onderdanigheid. En zo voelde ik me gek genoeg ook.
Tonen van emoties als zwakte
Hoe langer ik de jongens op het pleintje leerde kennen, hoe meer structuur ik begon te zien in hun gedrag. Het leek telkens weer te draaien om dominantie. Alsof er, zodra er ook maar iets gebeurde wat hen raakte, maar twee opties waren: winnen of verliezen. Een soort structuur waar zij zelf ook in vastzitten.
Het is een giftige structuur, een vorm van overleven die nauwelijks ruimte laat voor wat daartussenin ligt: twijfel, kwetsbaarheid, verbinding. Een manier van zijn die jongens vaak al van jongs af aan wordt aangeleerd. Zoals bell hooks beschrijft in The Will to Change: Men, Masculinity, and Love, worden jongens gesocialiseerd om hard, dominant, rationeel en controlegericht te zijn.
Hoe jongens vervreemd raken van hun eigen gevoelens
Het tonen van emoties, behalve woede, wordt gezien als een teken van zwakte, als iets 'onmannelijks'. Bell hooks legt uit hoe jongens daardoor vervreemd raken van hun eigen gevoelens, wat kan leiden tot innerlijke frustratie, pijn en onzekerheid over hun mannelijkheid.
En ja, wanneer die gevoelens van onzekerheid en machteloosheid geen gezonde uitweg krijgen, zoeken ze soms een andere weg naar buiten. Het is die andere uitweg die ik zie in Adolescence - waarin Jamie, gevangen in diezelfde logica, zijn onzekerheid niet meer kwijt kan, behalve in controle, woede en geweld.
En nee, niet alle jongens van dertien zullen die onzekerheid op zo’n gruwelijke manier uiten. Maar ze groeien wél op. En met de jaren worden die dominante blikken versterkt door lichamen die groter en sterker worden.
Opgegroeid in een samenleving die jongens leert dat hun waarde afhangt van macht - vooral over anderen, zoals bell hooks schrijft. En wanneer die macht wankelt - bijvoorbeeld in een relatie - zoeken sommigen naar een manier om zichzelf te herstellen.
We hoeven de kranten maar open te slaan om te zien hoe vaak dat gebeurt.