Mag Hamas eten krijgen van de UN?
In oorlogsomstandigheden worden inzichten, overtuigingen en het geweten vaak beproefd en op scherp gezet. Op de Facebook group van rechtse christendemocraten nam ik onlangs deel aan het debat over de situatie in Israël en bij de Palestijnen. De beheerder van de groep had een artikel gedeeld van twee internationaal actieve diplomaten, waarin met rationele argumenten tegen het verlenen van hulpgoederen aan de belaagde bevolking in de Gazastrook werd gepleit. De teneur van het stuk is dat de infiltratie van militanten van de militair agressieve beweging Hamas in het agentschap UNWRA diep zat/zit. Dat ze veel verder gaat dan het tiental ontmaskerde medewerkers. Dat dit niet kan: dat de VN, waarin de wereldgemeenschap is vertegenwoordigd, op die manier gewapende en misschien zelfs als "terroristisch" te betitelen strijders steunt. Met fondsen van de landen der wereld en dus uiteindelijk ook een stukje met uw en mijn steun, via belastingen. Mijn reactie was, dat ik de juistheid van deze bevindingen - hoe hard die waarheid ook is - niet in twijfel wilde trekken. Ook omdat ik na mijn passage als bestuurssecretaris op het Ministerie van Buitenlandse Zaken de wereld van de internationale politiek en de diplomatie ken en aanvoel.
De diplomaten en de beheerder van de groep, Lucien Borkes, die de groep met strakke hand en vrij eigenzinnig leidt, leggen er voorts de nadruk op dat de konvooien met hulpgoederen voor het anderhalf miljoen geblokkeerde mensen in het zuiden van Gaza aan de Egyptische grens, niet kunnen. Niet wanneer er geen strenge en grondige controle kan worden op uitgeoefend. Het moet onmogelijk zijn dat er wapens worden binnengesmokkeld via Egypte, voor Hamas, zo luidt de redenering. Daarbij werd verwezen naar bevindingen en bedenkingen van het ICC, het Internationaal Strafhof. Toen L. Borkes daar aan toe voegde dat Hamas strijders niet mochten kunnen profiteren van de aanvoer van voedsel, heb ik een kritische bedenking geformuleerd.
Ik schreef: "Ik zou het persoonlijk niet durven weigeren, als een strijder van deze (moorddadige, niet alleen op 7 oktober, dat is duidelijk) bevrijdingsbeweging brood zou nemen van een truck met hulpgoederen. In een oorlog moet je zoveel mogelijk respect blijven betonen voor je tegenstander. Dat komt van zeer diep, en dat heb ik ook teruggevonden bij T. E. Lawrence ('of Arabia'), [de intelligente veldheer die vele Arabische stammen verenigde en leidde tijdens WO I in de woestijn van Syrië, Jordanië, Arabië etc], in zijn indrukwekkende Seven Pillars of Wisdom, en ook bij Winston Churchill.
Dat een bevolking, ook juist families met kinderen, van in totaal meer dan een miljoen mensen door de aarzelende houding van de internationale gemeenschap momenteel in doodsnood verkeert, dat kan je toch niet verantwoorden vanuit Christelijk perspectief? - zo argumenteerde ik. Dat is een wel erg on-Jezusiaanse houding. De verwijzing leek mij gepast naar de jonge Messias van het begin van onze jaartelling, die allicht door denk- en vertaalfouten goddelijkheid is toegeschreven, maar die ongetwijfeld heel wat diepzinnige morele lessen heeft te bieden. Die ervoor pleit op te komen voor de meest kwetsbare medemensen, soortgenoten; met volle kracht komen de redeneringen en voorbeelden in die zin in alle vier de evangelies. Jeshoea die volop Joods was en dacht, maar die met één passage daar duidelijk voorbij ging, voorbij het Joodse traditionele denken: daar waar hij stelt:
"Je moet ook je vijanden liefhebben"
"Als je enkel je vrienden graag ziet, doe je niets speciaals; dan ben je niet beter als de eerste de beste"
Dat, zo geven geleerde rabbi's toe, is een on-joodse religieuze eis, die het christendom typeert. Ooit sprak kardinaal Godfried Danneels tijdens een lezing tot mijn verwondering: "Dat is een eis waar zelfs ik het moeilijk mee heb". Zijn eerlijkheid sierde hem, en hij gaf meteen aan hoe moeilijk het is, het standpunt van Lawrence en Churchill in te nemen. Het lijkt mij ethisch echter een hoogwaardig standpunt; een streefdoel, ook vandaag.
Het laat zich raden dat wereldwijd veel vrouwen en mannen, met en zonder kinderen, momenteel boos en bezorgd zijn over het lot van de tienduizenden families in Gaza. Dat deze bijna machteloze mensen er niet bij kunnen hoe de hogere instanties en politici niet sneller meer druk zetten. Vragen om een duurzaam staakt-het-vuren. De bevoorrading in voedsel en medicijnen snel wensen volop in actie te zien komen. Miljoenen, miljarden medemensen van overal, die als hartenwens op deze Valentijsdag hebben dat die oorlog stopt, vermoed ik, zie ik met het oog van de geest en het hart. De wens leeft dat die belaagde mannen, vrouwen en kinderen niet meer in dodelijke onveiligheid hoeven naar 'eten' en water te zoeken. Dat de medische zorg terug naar "normaal" kan. Dat de ouders in deze gemeenschap niet dagelijks tien of meer kinderen verliezen aan de kogels en granaten van het Israëlische leger.
Persoonlijk lijkt mij de uitkomst van dit ethische vraagstuk duidelijk:
ook al zouden Hamas-strijders mee eten van de bevoorradingskonvooien,
dat geeft je niet het recht om anderhalf miljoen mensen uit te hongeren.