Afbeelding van Vidmir Raic via Pixabay
Mediakritiek - Caitlin Johnstone

15 redenen waarom medewerkers van massamedia zich als propagandisten gedragen

Als je de westerse nieuwsmedia kritisch onder de loep neemt, valt het je na verloop van tijd op hoe hun manier van verslaggeven over de hele lijn spoort met de belangen van het Amerikaanse imperium. Hun berichtgeving vertoont veel gelijkenis met wat je zou mogen verwachten van een door de overheid gedirigeerde propagandamachine.

woensdag 26 juli 2023 15:06
Spread the love

 

The New York Times heeft zich in de loop van zijn bestaan consequent achter elke oorlogsinspanning van de VS geschaard. Westerse massamedia zoemen gretig in op buitenlandse protesten tegen regeringen die niet in de gunst van de VS staan, terwijl breed gedragen protesten tegen regeringen die bij de VS aanleunen op veel minder aandacht kunnen rekenen.

De enige keer dat de massamedia Trump met lovende kritiek overstelpten, was toen hij Syrië liet bombarderen. De enige keer dat de massamedia Biden unisono in de ban deden, was toen hij de terugtrekking uit Afghanistan gelastte.

Toen de Amerikaanse media in de aanloop naar de invasie van Irak Saddam Hoessein ten onrechte in verband brachten met de aanslagen van 9/11, had dat zo’n impact op de publieke opinie dat 7 op 10 Amerikanen maanden na het begin van de oorlog nog altijd geloofden dat Saddam iets met 9/11 te maken had.

Iedereen die de zaken een beetje van nabij opvolgt, weet dat die extreme mate van vooringenomenheid zonder meer een feit is. Maar waarom dat zo is en hoe dat in zijn werk gaat, dat is minder evident.

Zo volkomen eenvormig is die berichtgeving dat wie de patronen begint te doorzien er aanvankelijk van uitgaat dat de media door een kleine, centrale autoriteit worden aangestuurd.

De gelijkenis met de berichtgeving van staatsmedia in landen die zich openlijker als autoritair profileren, is dan ook treffend. Wie dieper graaft naar de redenen voor dit mediatieke groepsgedrag komt evenwel tot heel andere bevindingen.

Dan ontvouwt zich een veel omvangrijker, veel minder gecentraliseerd samenstel van factoren die maken dat de mediaverslaggeving de kant kiest van het Amerikaanse imperium en de krachten die bij dat imperium garen spinnen.

Die meegaandheid is ten dele het gevolg van manoeuvres in de coulissen, maar voor het overgrote deel speelt de beïnvloeding zich bovengronds af, in alle openheid.

Hierna sommen we 15 van die factoren voor u op.

1. Eigenaarschap van de media

Julian Assange’s  nieuwe regel: Telkens als een ‘nieuws’-organisatie nepnieuws uitbrengt, noem dan de namen van de oligarchen (of de CEO’s) die er de touwtjes in handen hebben.

NBC = Brian L. Roberts, CBS = Redstones, CNN = J. Zucker + J. Bewkes (CEO’s), New Yorker/Reddit/Wired = Newhouses, Daily Beast = Diller, FOX/WSJ = Murdochs, NYT = Sulzbergers, WaPo = Bezos

Doorgaans zijn nieuwsmedia eigendom van plutocraten wier rijkdom en macht berusten op het status quo waaruit ze zoveel profijt halen. Jeff Bezos is eigenaar van de Washington Post. In 2013 kocht hij de krant van de eveneens extreem rijke familie Graham.

The New York Times wordt al meer dan een eeuw door dezelfde familie gerund. Rupert Murdoch is eigenaar van een wijdvertakt internationaal media-imperium dat zijn succes in ruime mate te danken heeft aan de Amerikaanse overheidsorganen waarmee Murdoch nauwe relaties onderhoudt.

Al jaar en dag geldt media-eigenaarschap als een investering waarmee je immense rijkdom kan vergaren. “Eigenlijk kan je het vergelijken met een vergunning om je eigen geld te drukken”, zo omschreef de Canadese televisiemagnaat Roy Thomson het ooit.

Wil dit nu zeggen dat rijke media-eigenaars over de schouders van hun werknemers meekijken en hun dag aan dag vertellen wat ze moeten schrijven? Nee. Maar ze hebben wél zeggenschap over wie hun nieuwsmedium zal leiden en zodoende hebben ze ook een dikke vinger in de pap bij de aanwerving van de kaders en de chef-redacteurs.

En die hebben op hun beurt dan weer het laatste woord bij de aanwerving van alle andere medewerkers van dat nieuwsmedium. Rupert Murdoch heeft nooit in het midden van de redactieruimte gestaan om de nieuwsitems en oorlogspropaganda van de dag voor te zeggen.

Maar ben je een rabiate anti-imperialist, dan is je kans om ooit bij het persbedrijf van Murdoch aan de slag te gaan nihil in het kwadraat.

Dat brengt ons tot een aanverwant punt:

2. “Als u iets anders zou geloven, zou u niet zitten waar u nu zit”

Tijdens een levendige discussie uit 1996 tussen Noam Chomsky en de Britse journalist Andrew Marr deed Chomsky een beetje schamper over het valse beeld dat journalisten uit de mainstreammedia vaak van zichzelf ophangen, dat ze voortdurend op de barricades staan, tegen de stroom in roeien en het machtsapparaat uitdagen. Hij stelde dat het voor een gedegen journalist nagenoeg onmogelijk was zijn rol naar behoren te vervullen in de massamedia van de westerse wereld.

“Maar hoe kunt u weten dat ik mezelf censureer?”, wierp Marr tegen. “Hoe kunt u weten dat journalisten –“

“Ik zeg niet dat u zichzelf censureert”, antwoordde Chomsky. “Ik ben er zeker van dat u alles wat u zegt ook zelf gelooft. Maar ik zeg u wel dat u niet zou zitten waar u nu zit als u iets anders geloofde.”

In een essay uit 1997 zei Chomsky daarover nog dat “het punt is dat ze er niet zouden zitten als ze al niet eerder hadden laten blijken dat ze sowieso de juiste toon zouden voeren en dat niemand hen dus zou moeten voorkauwen wat ze moesten schrijven.”

2. Journalisten maken zich het pro-establishment groepsdenken eigen zonder externe dwang

Die “U zou niet zitten waar u nu zit”-these is niet zomaar een persoonlijke werktheorie van Chomsky. Journalisten die al een tijdje in de massamedia meedraaien, hebben publiekelijk verklaard dat dit de laatste jaren beslist het geval is.

Ze zeiden dat ze er al vrij snel achter kwamen welke aanpak goed was voor hun carrière en welke niet, zonder dat iemand hen dat met zoveel woorden moest voorzeggen.

In 2019 joeg senator Bernie Sanders tijdens de tweede voorronde van de presidentsverkiezingen de massamedia de gordijnen in door de Washington Post te beschuldigen van tendentieuze verslaggeving rond zijn persoon. De claim van Sanders was nochtans volkomen terecht.

Tijdens een debat op het scherp van de snede in de aanloop naar de presidentsverkiezingen van 2016 meldde Fairness and Accuracy in Reporting dat de Washington Post maar liefst zestien lasterlijke artikels over Sanders had gepubliceerd binnen een tijdspanne van zestien uur.

Toen Sanders wees op dit toch wel in het oog springende gegeven, ontstond er een beladen discussie rond het thema van vooringenomenheid in de media. Onder de reacties zaten enkele eersterangsgetuigenissen van nieuwsmakers die een boekje opendeden over de interne keuken.

Zo spraken Krystal Ball, gewezen verslaggever voor MSNBC, en Saagar Enjeti, gewezen Witte Huis-correspondent voor de Daily Caller, tijdens een fragment uit “Rising”, een online show van The Hill TV, over de subtiele druk die ze ervoeren om zich aan het orthodoxe groepsdenken te conformeren.

“Je voelt een zekere mate van druk om je coulant op te stellen tegenover het establishment. Wie daartegen ingaat, zou bijvoorbeeld wel eens van een kale kermis kunnen thuiskomen als hij bepaalde politici wil interviewen. Voor wie aan politieke journalistiek doet, is de toegang tot informatie cruciaal”, zei Ball in het fragment.

“Laat me een voorbeeld uit mijn eigen carrière geven. Alles wat ik hier zeg, is namelijk ook op mij van toepassing. In 2015 hield ik bij MSNBC een monoloog – sommigen onder jullie zullen hem misschien wel gezien hebben – waarin ik Hillary Clinton bijna smeekte om zich geen kandidaat te stellen. Ik zei dat haar banden met de elite niet spoorden met de partijlijn en met het land en dat ze waarschijnlijk wel de nominatie in de wacht zou slepen maar uiteindelijk alsnog het pleit zou verliezen.”

“Ik werd niet gecensureerd, ik was vrij om dat zeggen. Maar nadien kreeg de nieuwszender een telefoontje van mensen uit de omgeving van Clinton. Die deden hun beklag bij de hoge omes van MSNBC en dreigden ermee dat Clinton tijdens de op handen zijnde campagne geen interviews meer zou toestaan aan de journalisten van MSNBC.”

“Nadien kreeg ik te horen dat ik nog altijd mocht zeggen wat ik wou, met die reserve dat ik alle commentaar in verband met Clinton eerst moest laten checken door de CEO van het nieuwsnetwerk. Ik ben ook maar een mens en mijn job was me dierbaar. Ik ben er zeker van dat mijn verslaggeving over Clinton na dat akkefietje minder kritisch was.”

“Veel mensen begrijpen dat niet”, zei Enjeti. “Niemand zegt je ooit voor hoe je verslag moet uitbrengen. Zo werkt het niet. Het is veeleer zo dat wie opteert voor een afwijkende benadering niet wordt aangeworven. Het systeem zit zo in elkaar dat je niet aan de bak komt als je niet in het plaatje past.

“Leg je tóch je eigen accenten, dan kan je die loonsverhoging, die promotie en die bemoedigende schouderklopjes van de collega’s wel vergeten. Het systeem moedigt een welbepaald gedragspatroon aan, het houdt je op het begane pad.”

“Niemand zegt je ooit voor hoe je verslag moet uitbrengen. Zo werkt het niet. Het is veeleer zo dat wie opteert voor een afwijkende benadering niet wordt aangeworven”

“Klopt”, zei Ball, “er is niet noodzakelijk sprake van enige intentie. Het zijn de mensen rondom je die je dat groepsdenken bijbrengen. Je weet wanneer je lekkers krijgt en wanneer je de roede kan verwachten. Je zit er voortdurend mee in je hoofd. Het is gewoon zo, of je dat nu wil of niet.”

Tijdens datzelfde debat publiceerde Jeff Cohen, gewezen producer van MSNBC, een artikel in Salon met als titel: “Memo voor journalisten in de mainstreammedia: hou toch op met die gespeelde verontwaardiging; Bernie heeft gelijk wat die vooringenomenheid betreft.” In de memo beschrijft hij een gelijkaardige ervaring met ‘groepsdenken’:

“Groepsdenken werkt die vooringenomenheid in de hand. Het fenomeen doet zich voor omdat de hoofdredacteurs en -producers weten – zonder dat iemand hen dat voorzegt – over welke kwesties je beter niet spreekt en welke bronnen je beter niet raadpleegt.

Zo begrijpen de journalisten op de vloer bijvoorbeeld als vanzelf dat ze beter kunnen zwijgen over de zakenbelangen van de bedrijfsleider en de belangrijkste adverteerders, tenzij ze een strafklacht aan hun been willen.

Blikvernauwing is daarvan het gevolg. Je laat gewoon altijd weer dezelfde experten van altijd weer dezelfde denktanks opdraven om altijd weer dezelfde dingen te zeggen. Denk hierbij aan Tom Friedman of Barry McCaffrey of Neera Tanden. Of aan om het even wie van die ‘illuminati’ die bij hun verslaggeving over binnen- en buitenlandse politiek telkens weer op groteske manier de bal misslaan.”

Ook Matt Taibbi mengde zich in het debat rond groepsdenken. In een artikel in Rolling Stone had hij het over de manier waarop journalisten er gaandeweg achter komen hoe ze tussen de klippen door moeten laveren als ze hun kansen op een carrière in de massamedia gaaf willen houden:

“Ze zien vanop de eerste rij hoe sterke onderzoeksjournalistiek over ernstige structurele problemen weinig bijval oogst terwijl banaliteiten zoals tweets van Trump en/of simplistische gezagsgetrouwe verhaallijnen alle aandacht krijgen. Er komt geen druk aan te pas. We weten allemaal wat we moeten zeggen als we willen dat de duim omhoog gaat bij de collega’s van de redactie.”

Tussen twee haakjes: Taibbi werkt ondertussen niet meer voor Rolling Stone.

4. Medewerkers van massamedia die het groepsdenken niet aankleven, raken ontmoedigd en worden naar de uitgang geduwd

Journalisten die carrière willen maken, doen er goed aan nota te nemen van de ongeschreven wetten. Anders blijven ze op het tweede plan of ze raken ontmoedigd en geven uiteindelijk hun ontslag.

NBC-verslaggever William Arkin verliet het netwerk in 2019. In een open brief aan zijn ex-werkgever hekelde hij het feit dat NBC zich consequent “achter beleidslijnen schaarde die alleen maar tot meer conflict en oorlog leidden.” Hij klaagde erover dat het netwerk “zelf voor nationale veiligheidsstaat was beginnen te spelen.”

Arkin zei dat hij vaak alleen stond met zijn kritische kijk op diverse aspecten van de Amerikaanse oorlogsmachine. Jarenlang voerde hij met zijn collega’s van MSNBC discussies over alles wat met nationale veiligheid te maken had.

“Wij hebben het politieke verhaal dat het thema van de nationale veiligheid ondertussen is geworden mee vormgegeven”, schreef Arkin. “Ik kan alleen maar betreuren dat we geen nieuws brengen over de fouten van generaals en leidinggevenden bij de nationale veiligheid. Ik vind het stuitend dat we met onze slappe manier van verslaggeven het aanhoudend geknoei van de VS in het Midden-Oosten en nu ook in Afrika in wezen goedkeuren.”

Soms is de druk veel minder subtiel. Chris Hedges, journalist en winnaar van de Pulitzerprijs, verliet The New York Times nadat het management hem een geschreven berisping had gegeven voor zijn kritiek op de invasie van Irak tijdens een voordracht aan Rockford College. Hedges maakte hieruit op dat hij maar beter kon stoppen met publiekelijk zijn mening te verkondigen als hij zijn job wilde behouden.

“Ofwel moest ik aan mijn carrière denken en mezelf muilkorven … ofwel zei ik gewoon verder wat ik dacht, in het volle besef dat zulks het einde van mijn relatie met mijn werkgever zou betekenen”, zei Hedges in 2013. “En dus hield ik de eer aan mezelf voordat mijn kop op het blok ging. Maar ik wist dat ik niet zou kunnen blijven.

5. Medewerkers van massamedia die al te zeer over de schreef gaan, worden ontslagen

Deze maatregel moet niet zo vaak uit de kast worden gehaald. Hij wordt net genoeg toegepast om wie carrière wil maken in de media bij de les te houden. Zo ontsloeg MSNBC Phil Donahue omdat hij kritiek had op de oorlogsstokerij van het kabinet-Bush in de aanloop naar de invasie van Irak.

De show van Donahue kon nochtans bogen op de hoogste kijkdichtheid van alle shows op het netwerk. CNN ontsloeg Marc Lamont Hill, professor aan de Temple University, omdat hij zich tijdens een speech bij de VN als voorstander van vrijheid voor de Palestijnen had geuit.

6. Medewerkers van massamedia die slaafs de imperialistische lijn volgen, maken carrière

In zijn boek “War Journal: My Five Years in Iraq” uit 2008 schreef Richard Engel, verslaggever bij NBC, dat hij hemel en aarde had bewogen om Irak binnen te geraken. Hij wist dat die oorlog zijn carrière een boost kon geven en noemde zijn aanwezigheid in Irak tijdens de oorlog “zijn grote kans”.

“In de aanloop naar de oorlog werd het duidelijk dat Irak het land was waar carrières zouden gemaakt worden”, schreef Engel. “Ik glipte Irak binnen vóór de oorlog begon omdat ik ervan uitging dat het conflict de situatie in het Midden-Oosten ingrijpend zou veranderen. Als jonge freelancer wist ik dat van de journalisten die over de oorlog in Irak verslag uitbrachten sommigen het niet zouden overleven terwijl anderen naam voor zichzelf zouden maken.”

Hieruit moge blijken hoe ambitieuze journalisten zich het beklimmen van de carrièreladder voorstellen en waarom ze zo opgaan in hun oorlogsdiscours. Als je weet dat een oorlog je carrière ten goede kan komen, dan hoop je ook dat er oorlog zal uitbreken en ga je vooral geen stokken in de wielen steken. In zo’n systeem halen de allerslechtste elementen de bovenhand.

À propos: Engel is nu hoofdverslaggever buitenland bij NBC.

7. Bij publieke media die werken met staatssteun is de beïnvloeding openlijker

Tot nu toe ging dit artikel over de druk op medewerkers van massamedia die door plutocraten worden gerund. Maar hoe zit het met de massamedia die geen eigendom zijn van plutocraten, zoals NPR (de openbare zender in de VS) en de BBC?

Omdat ze bij het overheidsapparaat aanleunen, ligt bij dit soort instellingen propaganda meer in de lijn van de verwachtingen. Tot in de jaren negentig van vorige eeuw liet de BBC haar werknemers door MI5 screenen op ‘subversieve’ politieke activiteiten. Deze praktijk werd pas officieel afgevoerd nadat de BBC werd betrapt.

Vóٕór hij CEO werd bij NPR, werkte John Lansing bij de officiële propagandadiensten van de Amerikaanse regering. Daarvoor werkte hij als CEO bij het US Agency for Global Media. Lansing is niet de eerste leidinggevende bij NPR met een lange staat van dienst bij de propagandamachine van de Amerikaanse regering.

Bij instellingen die eigendom zijn van de Amerikaanse regering, zoals Voice of America, is de beïnvloeding zelfs nog openlijker. In een artikel in de Columbia Journalism Review met als titel “Bespaar ons jullie verontwaardiging: Voice of America is nooit onafhankelijk geweest” zegt Dan Robinson, veteraan bij VOA, dat dergelijke instellingen zo goed als niets gemeen hebben met gewone nieuwsmedia. In ruil voor de staatssteun die ze krijgen, worden ze immers geacht de informatiebelangen van de VS te dienen:

“Ik heb zo’n 35 jaar bij Voice of America gewerkt. Ik bekleedde er uiteenlopende posities: hoofdcorrespondent voor het Witte Huis, hoofd buitenland en hoofd van een belangrijke taalafdeling. Vanuit mijn ervaring weet ik dat er twee zaken voortdurend onder de aandacht kwamen.”

“Ten eerste: Amerikaanse media die gefinancierd werden met overheidsgeld, hadden ernstig te lijden van wanbeheer. Het liep zo de spuigaten uit dat beide partijen in het Congres pogingen ondernamen om de zaken recht te trekken. In het najaar van 2016 leidde dit tot de ondertekening van de National Defense Authorization Act door president Obama.”

“Ten tweede: zowel in het Congres als elders was er ruime eensgezindheid over de stelling dat door de overheid gefinancierde nieuwsmedia deel uitmaakten van het nationale veiligheidsapparaat en zich als zodanig meer moesten inspannen om desinformatie van de kant van Rusland, ISIS en Al Qaeda te counteren. Deden ze dit niet of onvoldoende, dan moest de overheidssteun in vraag gesteld worden.

8. Access-journalistiek

Krystal Ball raakte dit onderwerp hierboven al even aan met haar anekdote over het invloedrijke telefoontje uit het Clintonkamp. De term ‘access-journalistiek’ verwijst naar het gegeven dat politici, overheidsfunctionarissen en andere machthebbers kunnen weigeren als lastig ervaren nieuwsmedia en verslaggevers te woord te staan.

Als een verslaggever niet in de gratie valt van een machthebber, dan kan die zijn interviews aan een andere reporter gunnen, eentje die minder kritisch is. Of hij kan de ‘rebelse’ verslaggever over het hoofd zien tijdens persconferenties. Of hij kan een exclusief onderhoud toestaan aan een journalist die wat kruiperiger doet.

Als kritische journalisten worden geweerd, krijgen de grootste pluimstrijkers en kontlikkers in de media de lekkerste nieuwshapjes toegeworpen. Als jij het beneden je waardigheid vindt om ‘onschuldige’ vragen te stellen en niet dieper te graven als een politicus je een inhoudsloze woordensoep serveert, dan staat er altijd iemand klaar die daar wél toe bereid is.

Dat verklaart waarom machtsgetrouwe stroopsoldaten de top van de mainstreammedia bereiken terwijl echte journalisten die de machthebbers het vuur aan de schenen willen leggen geen kansen krijgen.

9. ‘Scoops’ opgelepeld krijgen van overheidsinstanties met een eigen agenda

In een totalitaire dictatuur schrijft de spionagedienst van de regering de nieuwsmedia voor welke topics ze moeten verslaan waarna die zonder mopperen uitvoeren wat hen wordt opgedragen.

In een vrije democratie zegt de spionagedienst “bof jij even, want vandaag krijg jij van ons een kanjer van een scoop cadeau!” waarna het nieuwsmedium de ‘scoop’ dankbaar overneemt en publiceert zonder er vraagtekens bij te zetten.

Tegenwoordig is het geen kunst om als eerste een belangrijk verhaal over nationale veiligheid of buitenlands beleid naar buiten te brengen. Het volstaat dat iemand van de overheid je een ‘scoop’ toespeelt, onder strikte geheimhouding van de bron natuurlijk.

Toevallig zet die scoop de regering in een gunstig daglicht en/of schetst hij een negatief beeld van de vijanden van de regering en/of is hij bedoeld om een of andere agenda ingang te doen vinden. Eigenlijk publiceer je dan perscommuniqués op maat van het Witte Huis, het Pentagon of het Amerikaanse inlichtingensyndicaat.

Onder het mom van gedegen verslaggeving echo je kritiekloos en zonder enige verificatie iets wat een functionaris je heeft opgelepeld. Toch raakt deze praktijk steeds meer ingeburgerd in de westerse ‘journalistiek’. Er is immers in toenemende mate nood aan de verspreiding van propaganda over Moskou en Peking, de vijanden van Washington uit de Koude Oorlog.

Een berucht voorbeeld van zo’n ‘scoop’ is het uit de lucht gegrepen en over de hele lijn weerlegde bericht in The New York Times dat Rusland aan de taliban gelieerde gevechtseenheden inhuurde om Amerikaanse en geallieerde strijdkrachten in Afghanistan te doden.

Een ander voorbeeld is het eveneens over de hele lijn weerlegde bericht in The Guardian dat Paul Manafort meermaals Julian Assange zou bezocht hebben in de ambassade van Ecuador. Beide berichten waren flagrante leugens die medewerkers van inlichtingendiensten aan de massamedia doorspeelden om bij de publieke opinie een bepaald narratief ingang te doen vinden.

Door die verzonnen berichten klakkeloos over te nemen, gaven de massamedia er waarheidsgehalte aan. Tegelijk hielden ze de namen van de intriganten zorgvuldig geheim.

Nog een voorbeeld in dezelfde geest: in 2022  gaven Amerikaanse functionarissen aan NBC toe – ook weer in alle anonimiteit – dat het kabinet-Biden regelrechte leugens over Rusland had verteld aan de media om een ‘informatieoorlog’ tegen Poetin te winnen.

Deze aanpak vertoont enige gelijkenis met de access-journalistiek. De nieuwsmedia en verslaggevers die bereid worden gevonden als gedweeë en geesteloze papegaaien het regeringsnarratief na te bauwen, maken ook de meeste kans om ‘nieuws’ toebedeeld te krijgen en met de ‘scoop’ te gaan lopen.

Tijdens de rechtszaak rond Hunter Biden kregen we van Mike Morell, waarnemend directeur van de CIA in het kabinet-Obama, een kijkje achter de schermen. Vanop het getuigenbankje verklaarde hij toen dat hij en zijn maatjes van het inlichtingenkartel aanvankelijk van plan waren geweest hun desinformatiecampagne over de laptop van Hunter Biden te laten beginnen bij een niet nader genoemde verslaggever van The Washington Post. Waarschijnlijk hadden ze met die reporter een goede werkrelatie.

Aan de ‘scoop’-tactiek van het inlichtingenkartel zit ook nog een andere al even wonderlijke kant. Regeringsfunctionarissen spelen informatie door aan een verslaggever van een bepaald nieuwsmedium. Vervolgens contacteren reporters van andere nieuwsmedia diezelfde regeringsfunctionarissen met de vraag of die info klopt.

Tenslotte bazuinen alle betrokken nieuwsmedia op Twitter uit dat het nieuws werd ‘bevestigd’. Maar eigenlijk werd het bericht op geen enkele manier geverifieerd. Steeds dezelfde bron vertelde het ‘nieuws’ gewoon aan verschillende mensen.

10. Klassenbelangen

Een mediamedewerker die zich consequent bij het imperialistische groepsdenken aansluit, scrupuleus de ongeschreven regels volgt en uit de haren van de machthebbers weet te blijven, zal steeds hoger klimmen op de ladder van de mediacarrière.

Elke sport hoger doet meteen ook wonderen voor zijn bankrekening. Eens hij hoog genoeg staat om invloed te hebben op een grote schare volgers, is zijn broodje gebakken. Dan maakt hij deel uit van een rijke klasse die het behoud van het politieke status quo hoog in haar vaandel schrijft om zo haar fortuin veilig te stellen.

Vanuit deze inspiratie zal hij tekeergaan tegen al wat ook maar een beetje naar socialisme riekt en zijn pijlen richten op politieke bewegingen die de rijken meer belastingen willen doen betalen. De giftige lastercampagnes tegen progressieve figuren als Bernie Sanders en Jeremy Corbyn kunnen hier als voorbeeld gelden.

Een andere beproefde tactiek bestaat erin het publiek een cultuuroorlog te laten uitvechten zodat het geen klassenoorlog zal beginnen. Of je kan natuurlijk ook de loftrompet steken over politici, regeringsfunctionarissen, plutocraten en beroemdheden in het algemeen.

Want in die klasse zitten nu je vrienden. Met hen bak je nu zoete broodjes, op hun partijtjes en bruiloften word je nu uitgenodigd. Met hen hang je nu aan de tapkast, met hen zit je nu te giechelen en te konkelen.

Klassenbelangen beïnvloeden op allerlei manieren de aanpak van journalisten. Glenn Greenwald en Matt Taibbi hebben er beiden op gewezen dat steeds minder werknemers in de massamedia een arbeidersachtergrond hebben. Journalisten komen in toenemende mate uit rijke families en hebben diploma’s van dure elite-universiteiten.

Het aantal journalisten met universitaire diploma’s is in de voorbije jaren significant gestegen, van 58 procent in 1971 tot 92 procent in 2013. Wie geen rijke ouders heeft die de kosten voor hun rekening nemen, zal die torenhoge studielening zelf moeten afbetalen.

Dat lukt enkel als je behoorlijk verdient. En dan is propaganda voeren voor het imperialistische establishment niet eens zo’n slecht idee, zoals we hierboven al aangaven.

Bij de vorming van journalisten spelen de universiteiten een eerder behoudsgezinde rol. Een academische omgeving die de rijken viseert, ziet aardig wat fondsen aan haar neus voorbijgaan.

Vermogende burgers zullen niet geneigd zijn grote schenkingen te doen aan universiteiten die hun studenten bijbrengen dat de geldelijke belangen een gesel zijn voor het land. En hun kinderen zullen ze al helemaal niet aan die rooie broeinesten toevertrouwen.

10. Denktanks

Onlangs publiceerde het Quincy Institute een nieuwe studie. Daarin staat onder meer dat maar liefst 85 procent van de denktanks die door nieuwsmedia bij hun verslaggeving over de Amerikaanse militaire steun aan Oekraïne worden geciteerd, geldelijke steun heeft ontvangen van toeleveranciers van het Pentagon.

“In de VS richten nieuwsmedia zich vaak tot denktanks voor achtergrondinformatie over actuele beleidszaken”, schrijft Ben Freeman van het Quincy Institute. “Maar denktanks werken vaak binnen geijkte denkkaders. Uit wetenschappelijk onderzoek is gebleken dat de geldschieters invloed hebben op de analyses en commentaren van denktanks.

“Dat kan gaan van zelfcensuur tot regelrechte censuur van publicaties die een financier in een ongunstig daglicht stellen. Soms betaalt een geldschieter voor onderzoek op bestelling. In zo’n klimaat is het niet ondenkbaar dat de meest vrijgevige financiers in aanzienlijke mate inbreng hebben in de beleidsdebatten van de denktanks.”

Dat hoort thuis onder de noemer van journalistieke wanpraktijken. Nieuwsmedia die door de oorlogsindustrie gefinancierde denktanks citeren over onderwerpen als oorlog, militarisme en buitenlandse betrekkingen: dat staat haaks op de journalistieke ethiek. Toch is dit in de westerse pers een courant gegeven. Bovendien is het publiek zich van dit immense belangenconflict niet bewust.

Omdat ze zich over het algemeen aansluiten bij de beleidslijnen die de imperialisten voorstaan, vinden westerse journalisten er geen graten in om door de imperialisten betaalde denktanks te citeren. Dat is carrièrebevorderend en tegelijk maken ze een goeie beurt omdat ze zich kunnen beroepen op een ‘deskundige bron’ met officiële allure.

Tezelfdertijd brengen ze de boodschap dat er naar dit of dat deel van de wereld nog meer duur oorlogsmaterieel moet worden gestuurd, en nog een hele boel andere onzin van die strekking! Eigenlijk houden die citaten maar één boodschap in: “De oorlogsindustrie wil niet dat de oorlog stopt.”

Dat de oorlogsindustrie actief media, politici en regeringsinstanties kan bespelen via denktanks, reclame en lobbyisme is te gek voor woorden. Dat onze maatschappij deze gang van zaken toelaat en vrijwel nooit in vraag stelt, dat grenst aan de waanzin.

12. De Council on Foreign Relations

In deze uiteenzetting over mediabeïnvloeding verdient de Council of Foreign Relations een speciale vermelding. De CFR is een uiterst invloedrijke denktank die onder zijn leden tal van mediatenoren en vooraanstaande journalisten telt.

In 1993 sprak Richard Harwood, gewezen hoofdredacteur en ombudsman van de Washington Post, op lovende wijze over de CFR als zijnde “de Amerikaanse instantie die de notie van bestuur door het establishment het dichtst benadert”.

Harwood had ook nog het volgende in petto: “Dat deze journalisten, hoe ze zichzelf ook mogen zien, lid zijn van de Council is een erkenning van hun actieve en toonaangevende rol in staatszaken en van hun opgang in de Amerikaanse leidende klasse. Ze beperken zich niet tot het analyseren en duiden van de buitenlandse politiek van de VS, ze helpen die politiek ook mee tot stand komen.”

“In een artikel in de Media Studies Journal voorziet Jon Vanden Heuvel dat, nu de Koude Oorlog is afgelopen, hun invloed meer dan waarschijnlijk nog zal toenemen: “Door aandacht te schenken aan welbepaalde crisissen over de hele wereld (zijn de media beter geplaatst) om de regering tot daden aan te zetten.”

13. Reclame

In 2021 publiceerde Politico een stroperig artikel ten gunste van wapengigant Lockheed Martin. Toen bleek dat Lockheed op dat eigenste moment een nieuwsbrief van Politico over buitenlandse politiek financierde, ging de alarmbel af. Eli Clifton van Responsible Statecraft schreef daarover toen het volgende:

“Er loopt een heel wazige lijn tussen de financiële relatie van Politico met Lockheed Martin, de grootste wapenfabrikant van de VS, aan de ene kant en de redactionele integriteit van die krant aan de andere. En het zou wel eens kunnen dat die lijn onlangs nog vervaagd is.

Vorige week meldde Ethan Paul van Responsible Statecraft dat Politico elke referentie aan de langdurige financiering door Lockheed Martin van Morning Defense, de populaire nieuwsbrief van de krant, uit zijn archieven aan het verwijderen was. Terwijl dat proces zich voltrok, publiceerde de populaire krant met goede connecties in regeringsmiddens een merkwaardige eulogie over Lockheed zonder enige verwijzing naar de langdurige financiële relatie van dat bedrijf met Politico.

Op de vragen of Lockheed nog altijd geldschieter was van de krant nu die afgelopen maand alle advertenties van de defensiereus had geschrapt en of Lockheed had betaald voor dat fameuze artikel dat verdacht veel weg had van een reclameboodschap, bleef Politico het antwoord schuldig.

Een tijdje terug mocht Lee Hudson van Politico op bezoek bij Skunk Works, de hoogbeveiligde en grotendeels geheime R&D-afdeling van Lockheed ten noorden van Los Angeles. Daarover schreef hij toen in lyrische bewoordingen het volgende: “Voor journalisten op het gebied van defensietechnologie en voor luchtvaartnerds is dit het equivalent van een Gouden Toegangsticket tot de fabriek van Willy Wonka. Maar denk er dan eerder supersonische drones bij dan Eeuwigdurende Toverballen.”

Heb je je ooit afgevraagd waarom je tijdens de Superbowl reclame voor Northrop Grumman te zien krijgt? Denk je dat er ook maar iemand op dat moment tegen zichzelf zegt:

“Hey, weet je wat? Ik ga me een stealth bommenwerper kopen!”? Uiteraard niet. De oorlogsindustrie adverteert voortdurend in de media. Betrapt worden op schaamteloze manipulatie van nieuwsbladen – zie Lockheed en Politico –, het gebeurt niet elke dag. Toch is het niet ondenkbaar dat al dat sponsorgeld de verslaggeving inzake buitenlandse politiek bijkleurt. Misschien kopen wapenfabrikanten zich met al die dollars wel enige medezeggenschap over redactionele aangelegenheden?

Zoals Jeff Cohen hierboven al zei: over de belangrijkste adverteerders wordt niet gerept.

14. Geheime infiltratie

Om te verklaren dat de massamedia zich als een propagandamachine gedragen, hebben we het tot nu toe nog niet over geheime complotten gehad. Maar dat wil niet zeggen dat er achter de schermen niets gebeurt.

In 1977 publiceerde Carl Bernstein een artikel met als titel “De CIA en de media” waarin hij onthulde dat de CIA de belangrijkste Amerikaanse nieuwsmedia had geïnfiltreerd. In het kader van een programma met de naam Operatie Mockingbird had de inlichtingendienst de nieuwsmedia doorgelicht en meer dan 400 verslaggevers als ‘activa’ omschreven.

Je hoort wel eens dat geheime infiltratie vandaag niet meer aan de orde is, maar dat is larie. Uiteraard gebeurt het nog altijd. Wie gelooft dat de CIA zich niet meer met misdadige praktijken inlaat, wil daarmee in de eerste plaats zichzelf geruststellen. Maar dat geloof is hoe dan ook onterecht.

Alle voorwaarden die in de jaren zeventig van vorige eeuw aanleiding gaven tot Operatie Mockingbird, zijn ook vandaag aanwezig. Koude Oorlog? Check. Hete oorlog? Check. Dissidente groeperingen? Check. Een partijtje catch om de Amerikaanse dominantie en financiële belangen op wereldvlak veilig te stellen? Check. De CIA werd niet ontmanteld en er vloog niemand achter de tralies. Het enige verschil is dat de nieuwsmedia vandaag meer platformen aanbieden waarop regeringsfunctionarissen zich naar hartenlust kunnen uitleven, zoals onlinenieuws en sociale media.

Dat het ook vandaag nog gebeurt, daar is bewijs voor. In 2014 raakte bekend dat Ken Dilanian, nu een belangrijke verslaggever bij NBC, nauw met de CIA samenwerkte. Vooraleer hij zijn artikels publiceerde, bezorgde hij ze aan de inlichtingendienst om ze te laten nalezen en eventueel te editen.

In zijn mailverkeer met de persafdeling van de CIA zien we hoe Dilanian zich als propagandist opstelt. Zo schrijft hij dat hij zijn artikel over droneaanvallen door de CIA zo heeft opgesteld dat het “rustgevend zal overkomen bij het publiek”. Uit de mails blijkt ook nog dat hij zijn verslaggeving op aangeven van de inlichtingendienst aanpaste.

Andere potentiële ‘activa’ van de CIA zijn Anderson Cooper van CNN die ooit bij de CIA stage liep en Tucker Carlson wiens verleden op verdacht veel momenten het pad van de CIA kruiste.

15 Openlijke infiltratie

Soms profileren de massamedia zich als propagandisten van de overheid omdat ze dat in wezen ook zijn. In de tijd van Carl Bernstein infiltreerde de CIA de massamedia in het grootste geheim. Vandaag zetten de massamedia doodgemoedereerd ex-werknemers van inlichtingendiensten op de loonlijst.

Dat is onder meer het geval voor John Brennan, James Clapper, Chuck Rosenberg, Michael Hayden, Frank Figliuzzi, Fran Townsend, Stephen Hall, Samantha Vinograd, Andrew McCabe, Josh Campbell, Asha Rangappa, Phil Mudd, James Gagliano, Jeremy Bash, Susan Hennessey, Ned Price en Rick Francona.

De massamedia laten ook geregeld ‘kenners’ aan het woord om commentaar over oorlog en wapens te geven. Niet zelden verdienen die pundits hun brood in bedrijven die deel uitmaken van het militair-industrieel complex. Dit immense belangenconflict wordt nooit kenbaar gemaakt aan het publiek.

In 2022 publiceerde Lever News een rapport dat inzicht gaf in hoe de media een stem verlenen aan managers van het Amerikaanse imperium die voor de oorlogsindustrie werken. Het gaat altijd om dezelfde vaste klanten die het moeras van Washington DC als habitat hebben en daar voortdurend de draaideur tussen de publieke en de private sector nemen. Maar de media voeren die figuren op als onpartijdige deskundigen en laten hen duiding geven bij de oorlog in Oekraïne.

Tijd voor een conclusie. De nieuwsmedia ondervinden druk vanuit elke mogelijke hoek en op elk niveau van betekenis. Dat verklaart waarom de medewerkers van westerse media zich niet gedragen als onafhankelijke nieuwsgaarders maar veeleer als propagandisten, als reputatiemanagers van het westerse imperium.

Ze gedragen zich niet alleen zo, ze zijn het ook werkelijk.

 

Dit artikel verscheen op Scheerpost. Vertaling: Ronald Decelle.

Afbeelding van Vidmir Raic via Pixabay

Creative Commons

take down
the paywall
steun ons nu!