Eric Corijn, foto: Ruben Ortega Creative Commons Attribution-Share Alike 4.0
Boekrecensie - Walter Lotens

Maatschappelijk resetten volgens Eric Corijn

Eric Corijn (1947), cultuursocioloog en sociaal wetenschapper met grote aandacht voor de stad en stadsontwikkeling, is na zijn emeritaat aan de VUB actiever dan ooit: als wetenschapper, schrijver, activist, tout court als publieke intellectueel die nooit verlegen is om een mening, gefundeerd op een doordachte politieke analyse, de wereld in te sturen. Dat doet hij, soixantehuitard, al meer dan een halve eeuw en dat ‘tegen de Vlaamse grondstroom’ in. ‘Vlaanderen ontwaak!’ dat vrijwel gelijktijdig met ‘Gramsci lezen’ verschijnt zijn daar twee recente mooie voorbeelden van.

maandag 20 juni 2022 11:07
Spread the love

 

De twee boeken zijn inhoudelijk complementair en vormen eigenlijk een two in one. Soms moet je twee boeken tegelijk lezen. Dat heb ik ook gedaan, maar omdat ze apart en bij een verschillende uitgever verschenen zijn, verdienen ze ook een aparte bespreking. De bindfiguur tussen beide boeken is Antonio Gramsci, de dissidente Italiaanse marxist die door zijn geschriften van achter de tralies het hegemoniedebat dat ontstaan is in de marge van de Russische Revolutie een totaal andere wending heeft gegeven. Daar ga ik nu niet verder op in. Ik raad de geïnteresseerde lezer aan om eerst met ‘Gramsci lezen’ te beginnen omdat het ook het denkkader vormt van waaruit Corijn in ‘Vlaanderen ontwaak!’ vertrekt.

Maatschappelijk resetten

In zijn inleiding vertrekt de auteur van een frustrerende constatering. Hij vraagt zich af hoe het komt dat rechts en radicaal-rechts afstevenen op een hegemonische positie en waarom daar tegenover zo weinig of geen weerwerk van links staat. Deze vraag die uit twee delen bestaat, maakt in grote lijnen ook de structuur uit van zijn boek. In het eerste deel probeert hij de rechts-conservatieve onderstroom in Vlaanderen te vatten en poogt hij van daaruit te verklaren waarom en hoe op lange termijn een rechtse hegemonie voortdurend dominant is gebleven. Dat leidt dan tot de vraag die hij in het tweede deel stelt, namelijk hoe een nieuw alternatief project moet ingaan tegen de meest diepgewortelde ‘common sense’ die vandaag door nieuwrechts tot politiek wordt verheven. Wat kunnen we leren en meenemen uit weldra meer dan twee eeuwen landelijke politiek? En wat levert ons dat op, in een beoordeling van de heersende politieke situatie?

In een uitgebreid epiloog ‘Zou het beter kunnen worden na corona?’ lanceert Corijn een aantal stellingen om tot een hernieuwd maatschappelijk debat te komen. Corijn windt er geen doekjes om: ‘De weg naar hegemonie van dat extreemrechts populisme helpen blokkeren is de ultieme drijfveer van dit werk. Dat is de inzet van de aanstormende verkiezingen. Moge het tenminste dat bewustzijn opleveren, en zo mogelijk ook een vernieuwde aandacht voor een verbrede linkerzijde.’ (p. 18) Er moet dringend een maatschappelijke resetting plaatsvinden, maar dan niet zoals de N-VA of het Vlaams Belang dat beogen, maar zeker ook niet zoals Marc Elchardus dat in zijn boek ‘Reset’ voorstaat.

De maatschappelijke context

Voordat Corijn de rechts-conservatieve grondstroom in Vlaanderen probeert te omschrijven, zet hij eerst de algemene maatschappelijke context neer waarin de hele Europese politiek vervat zit en die gekenmerkt wordt door een neoliberale globalisering. Hij onderscheidt daarin vijf grondstromen waarin het nieuwe populisme zich heeft kunnen ontwikkelen. Er is ten eerste de vertraagde economische groei, afgewisseld met stagnatie die nu al veertig jaar aansleept. In die periode is de samenleving geseculariseerd, ontzuild en gedepolitiseerd. De uitvoerende macht is dominant geworden tegenover de wetgevende en de rechterlijke macht. De gehele samenleving is meer dan ooit gedompeld in een consumptiecultuur en de massamedia, vooral de televisie en de sociale media zijn de belangrijkste sociale scene geworden.

De structuur van het samenleven is dus in enkele decennia tijd grondig veranderd. De ‘golden sixties’ en ‘Les trente Glorieuses’ liggen al lang achter de rug. Het fordistische model met een regulerende overheid raakte vanaf het begin van de jaren zeventig in een diepe crisis. De keynesiaanse welvaartsstaat ook. Dat en nog veel meer wordt systematisch uit de doeken gedaan in het eerste hoofdstuk. De scherpe pen en de analysekracht van Corijn zorgen ervoor dat het geen saai theoretisch verhaal wordt.

De rechts-conservatieve grondstroom

In hoofdstuk twee analyseert Corijn dan de rechts-conservatieve grondstroom in Vlaanderen die, vertaald in partijpolitieke termen, al 75 jaar goed is voor ongeveer 55 procent van de Vlaamse stemmen. Abstractie genomen van de namen van de partijen blijft dat, zoals hij schrijft, de ‘fond de commerce’ van de verschillende Vlaamsgezinde partijen met verschillende tinten zwart en geel, van centrum over radicaal tot extreem. Die zeer belangrijke conservatieve stroming in de Belgische geschiedenis komt volgens hem uit het rurale Vlaanderen, onder het oude Boerenkrijg-motto ‘Voor Outer en Heerd’. Voor altaar en haard, voor Kerk en gezin. AVV-VVK: ‘Alles voor Vlaanderen – Vlaanderen voor Kristus’. Ondanks de secularisering en de marginalisering van de invloed van Kerk en geloof, blijven het voor de conservatieven toch de belangrijkste ‘normen en waarden’ doorheen verschillende historische ontwikkelingsfasen, telkens weer aangepast aan de context. Steevast wordt de moderniteit afgehouden. Ook al zijn er een secularisering en een industrialisering aan het werk, telkens weer worden ontvoogdende condities tegengewerkt door een conservatief beleid. Desondanks blijft men te pas en te onpas – zie de uitspraken van Bart De Wever ter zake – naar de waarden van de Verlichting verwijzen. Het economisch succes van Vlaanderen steunt op het in stand houden van de zeer onderdanige ‘hardwerkende Vlaming’. Het ‘volk’ wordt gezien als een organisch etnisch gegeven, geleid door een elite, vooral steunend op gezins- en familiewaarden, gericht op een hogere harmonie. Voor Corijn is er in het Vlaams-nationale denken in feite geen plaats voor de liberale traditie in België, evenmin als voor die van de socialistische arbeidersbeweging in het zuiden. Vlaanderen wil alleen met het eigen verleden de toekomst tegemoet. Dat is de Vlaamse canon, en die is dus rechts.

Voor Corijn is er in het Vlaams-nationale denken in feite geen plaats voor de liberale traditie in België, evenmin als voor die van de socialistische arbeidersbeweging in het zuiden.

Een nieuw tegenhegemonisch vertoog

Het echte tegenhegemonisch discours komt op dit ogenblik van radicaal-rechts. Het lijkt er wel op alsof extreemrechts Gramsci beter begrepen heeft dan de linkerzijde. Dat is de zure constatering die Corijn maakt. Het brede politieke plaatje dat hij in zijn boek schetst om een progressief antisystemisch politiek project uit te zetten, gaat uit van een meerschalig denken én handelen. Niet in de eerste plaats nationaal dus, maar zowel op grotere (internationale) als kleinere (stedelijke) schaal. Om de huidige neoliberale hegemonie te betwisten, pleit hij voor een Europese stedenpartij met een ecosocialistisch programma. Zijn redenering die hij op andere plaatsen al uitvoerig uiteenzette – ik denk bijvoorbeeld aan ‘Een stad is geen land’ en ‘De stad beter na corona?’ – loopt als volgt: hoewel de politieke organisatie van het samenleven nog steeds vooral gebeurt vanuit nationale en internationale instellingen, verloopt het reële leven van de mensen op veel kleinere schaal. Onderzoek wijst uit dat het dagelijks leven van de meeste mensen zich afspeelt binnen een straal van 30 kilometer, het functioneel stedelijke gebied genoemd. Het gaat dan om een centrumstad samen met de randgemeenten. In Europa telt men zo’n 70 gebieden met meer dan een miljoen inwoners, plus nog enkele tientallen steden van boven het half miljoen. De meerderheid van de Europeanen leeft vandaag in zo’n 500 steden van boven de 150.000 inwoners. Dat stedennetwerk komt nauwelijks in beeld op de mentale kaart van de EU. Het is precies op dat vlak nochtans dat de burgers in hun leefomgeving kunnen worden gemobiliseerd.

Dat is de municipalistische schaal en op dat bestuursniveau gebeuren intussen mooie zaken. Maar ook op de andere niveaus moet er gewerkt worden. Vandaar zijn nadruk op herschaling en herstructurering: ‘De schaal op wijkniveau – de wandeleconomie; de schaal van stad en stadsgewest – het nabije ecosysteem; en ten slotte de schaal van regio en land tot de Europese markt en de geopolitiek. Een meerschalig denken, dat vooral in onze Vlaamse mentale kaart enige beweging moet brengen. En daartoe is het nationalisme, gericht op territoriale culturele homogenisering, een slechte insteek. En dan de structuurhervormingen: de actoren, markt, overheid én commons dienen in groeicoalities samen te werken. Het gaat om transversale planning, niet om een geplande staatseconomie.’ (p. 221)

Plaats voor de kritische rede

Laat dit aansporende ‘Vlaanderen ontwaak!’ gezegd en geschreven zijn door een driekwart-eeuwer die in zijn leven onder verschillende gedaanten opdook, als trotskistische militant, als journalist, als wetenschapper en als academicus, maar die nooit afstand heeft gedaan van zijn radicaal maatschappelijk engagement, waarvan hij ook nu weer in dit zoveelste boek van hem getuigt. ‘Vlaanderen ontwaak’ is zeker geen politiek oldskool-document. Het is wel een tekst die door zijn brede benadering afwijkt van de doorsnee politieke geschriften van dit ogenblik. Corijns analysekracht én goede pen steken sterk af in dit Vlaanderen anno 2022, waar een zekere linkerzijde meer bezig is met het oppoetsen van het eigen Vooruit-imago dan met het lanceren van een doordacht en breed partijprogramma dat vrank en vrij ‘socialistisch’ kan worden genoemd.

Ontwaak links Vlaanderen! Dat is de oproep van Eric Corijn en daarvoor geeft hij alvast enkele algemene, maar stevige voorzetten die om verdere uitwerking vragen. Ik hoop dat ze niet alleen gelezen, maar ook opgepakt zullen worden. De breed maatschappelijke analyse die Eric Corijn in dit boek maakt, is inderdaad niet om vrolijk van te worden, maar dat is voor hem geen reden om bij de pakken te blijven zitten. Daarom eindigt hij zijn boek ook met een hoopvolle aansporing. ‘Laten we dat debat niet opsluiten in de postpolitieke there is no alternative-orde. Dat alternatief is er wél. Laten we bouwen op de solidaire goodwill bij ruime delen van de bevolking. Er is ruimte voor een echt georganiseerd meningsverschil, met argumenten en sociale praktijken, met een herverkaveling van het politieke landschap, en uiteindelijk een strijd voor de politieke hegemonie. Dat is waar een radicale democratie om draait.’ (p. 230)

Zoals ook zijn veel te jong overleden vriend en medestrijder, Paul Verbraeken, draagt Eric Corijn de kritische rede hoog in het vaandel. Hij behoort tot dat slag van eeuwige vrijdenkers zoals Baruch Spinoza waarnaar Paul Verbraeken graag verwees: ‘Er lijkt in het geheel geen plaats meer te zijn voor de rede, behalve naar verhouding zeer weinigen, zo zeer hebben deze vooroordelen vat gekregen op de geesten der mensen. Toch wil ik mijn best doen en mijn pogingen blijven voortzetten, aangezien er geen rede is ze als volstrekt hopeloos te beschouwen.’ Eric Corijn staat niet alleen in die overtuiging. Daarom draagt hij zijn boek ook op aan een aantal compagnons de route in de Vlaamse context die ook op zoek zijn naar meer samenwerking voor een duurzaam alternatief maatschappelijk model.

Creative Commons

dagelijkse newsletter

take down
the paywall
steun ons nu!