Bron: Pixabay
Opinie - Filip Keymeulen

De lockdown van maart 2020 bekeken vanuit het perspectief van een straathoekwerker

Mel en La Flanelle zijn twee figuren die een leven leiden in de roman ‘Alhambra[1]’. Ze zijn dakloos of hangen rond in het milieu. Het boek speelt zich af voor de Covid-crisis. In het fragment dat volgt, worden de twee vriendinnen geconfronteerd met de nieuwe realiteit die gepaard gaat met de lockdown.

maandag 13 september 2021 15:10
Spread the love

 

Zaterdag 21 maart 2020, Place Jardin Aux Fleurs, 1000 Brussel, middernacht.

‘Fils de pute!’, krijst La Flanelle door de lege straten. Het is de eerste dag van de lente, net voor middernacht. Ze bevindt zich op de rand van een fonteintje op nog geen honderd meter van de Beurs. ‘Salle rasse ! Je vous encule tous !’ bijt ze verder van zich af naar niemand rond zich. Tussen het schelden door neemt ze de tijd om in haar ogen te wrijven en te spuwen. Regelmatig knijpt ze haar neus dicht en snuit luid. De hoop die er was om water in de fontein te vinden blijkt vergeefs. Het duurt zeker een dik uur voordat de frequentie en het volume van het schelden dalen. Huilbuien vervangen stilletjesaan de scheldtirades. Telkens ze in haar ogen wrijft, brandt alles terug als van tevoren en doet haar snotteren. De pijn in haar ogen gaat gepaard met kortademigheid en een drukkende hoofdpijn. Ze schreeuwt niet meer, ze kermt. Ze spreekt niet alleen zachter, ze tempert ook de hardheid van haar scheldwoorden. Wanneer ze voordien vooral de flik voor de geest haalde die haar dit had aangedaan, vloekt ze nu eerder op zichzelf. ‘Andouille que tu es !’ Ze snikt haar emoties uit. Op één enkele auto en vele combi’s na, blijft het pleintje leeg.

Zaterdag 21 maart 2020, Quartier Alhambra, 1000 Brussel, ochtend.

Er is die dag een kat- en muisspelletje gaande met de politie. Wanneer La Flanelle daar ‘s morgens vroeg uit de metro komt, wordt ze onmiddellijk door de politie aangesproken en verwittigd. Ze sommeren haar dat niemand in de wijk mag werken. Elke dame die probeert te tippelen, zou voor twaalf uur, zonder pardon, in de cel belanden. Het is al enkele dagen verboden en La Flanelle weet dat maar al te goed. Het heeft haar al vanaf dag één van het verbod aardig in de problemen gebracht. Sekswerk is haar enige bron van inkomsten en die staat plots droog. Het vinden van venten die van haar diensten gebruik willen maken, is elders in de stad een stuk moeilijker en gevaarlijker. Ze ziet er zo wanhopig uit dat sommige eikels het aandurven om te marchanderen over de prijs en vragen om de condoom achterwege te laten. Ze moest voordien echt in hoge nood zitten wou ze voor twintig euro of minder door haar knieën gaan. De laatste die ze vrijdagavond heeft afgewerkt wou maximaal 5 euro betalen. Met tranen in haar ogen heeft ze hem in een ‘photomat’ van het Centraal Station laten klaarkomen.

Ze bevindt zich in een uiterst moeilijke situatie. De overlevingsskills die ze afgelopen jaren heeft ontwikkeld, zijn plots ontoereikend. Het is niet zo dat ze geld opzij heeft staan heeft waarmee ze deze periode kan overbruggen. Het hotel was betaald tot donderdag en hoewel ze een vaste gast is, moest ze, eens de betaalde dagen voorbij waren, de kamer verlaten. Ze heeft dan wel een adres bij het OCMW, maar trekt geen steun. Van de mensen rond haar die wel beschikken over een leefloon of een andere uitkering, is het geld al op. Bij hen valt er niets te rapen.

Ze heeft eerder die week vernomen dat haar dealer in elkaar was geklopt en in Sint-Jan op intensieve ligt. Ze hoopt dat hij erdoor komt en nadien niet in de gevangenis belandt. Die knul heeft iets. Altijd goedlachs en relax genoeg om haar dosissen voor te schieten en af en toe wat cadeau te doen. Ze vindt hem best knap. Soms kan ze bij hem een hoeveelheid scoren voor een prijsje en start ze zelf een handeltje op. Met hem in het ziekenhuis, zit dat er niet in. Maar misschien heeft dat haar net voor veel miserie behoedt. De agressie rond de drugshandel zal de komende weken hoog oplopen. Net op hetzelfde moment dat het sekswerk en het uitgaansleven in het algemeen aan banden worden gelegd, lijken de verkopers van cocaïne en heroïne ook onder druk komen te staan. Dat zorgt voor spanningen onder dealers en gebruikers. Het niveau van de producten gaat razendsnel achteruit omdat er nog meer versneden wordt. Ondanks de povere kwaliteit worden de drugs toch prijziger.

Na haar eerste contact met de politie trekt ze naar Ribaucourt waar het haar heel wat moeite kost om iets te vinden. Ze gebruikt een beetje in een hoek van het verlaten metrostation en wandelt nadien Molenbeek door om aan de Vlaamse Poort het kanaal over te steken en via de Dansaert naar het Beursplein te gaan. De coke geeft haar een stevige pas. De café’s en de McDo, die uitgeven op het plein, zijn dicht. Op zaterdagen heerst er normaal gezien een drukte in het centrum, maar, alhoewel de voormiddag al ver gevorderd is, is de stad vrij desolaat. De straten zijn zo goed als leeg.

De trappen van de Beurs en de zitbanken op de boulevard zijn door politielinten afgesloten. Het straatmeubilair lijkt wel versierd te zijn door blauw-witte slingers. Maar daar trekken de daklozen, kennissen van La Flanelle, zich niets van aan.

Op de bank aan de Mcdonalds zit heel wat bekend volk. Van ver kan men zien dat het gezelschap geagiteerd is. Dat maakt, hoe leeg de stad ook is, de sfeer grimmig. Enkele daklozen nemen grote slokken sterke drank en geven de flessen, na lang discussiëren, door. Sommigen hebben een blikje bier in de hand en nippen er zuinig van. Iedereen heeft honger en de meesten zijn moe. Mel is één van hen.

De jonge dakloze vrouw loopt rood aan en is boos op een aantal van hen. Ze werkt haar woede op iedereen uit, maar in het bijzonder op de vent naast zich. Zelfs tegenover haar vriendin La Flanelle is ze allesbehalve hartelijk wanneer die puffend arriveert. Mel staat regelmatig op en tiert op haar buurman. Kijvend, voorovergebogen, op de tippen van haar tenen, verwijt ze hem dat hij de oorzaak is dat ze weeral op straat gaat terechtkomen. Hij mocht de afgelopen avond mee naar haar studio, maar hij had dat niet verzwegen en anderen uitgenodigd. Ze waren met te veel en hadden heel wat kabaal gemaakt. Zo luid, dat de buren zijn komen klagen. Niet één keer, maar wel vijf keer. Tenslotte had de buurman de politie verwittigd. Ze heeft schrik haar nieuwe woning nu al te verliezen en dat na lange jaren op een wachtlijst te hebben gestaan.

Ze is niet alleen bezorgd over de klachten van lawaaihinder die tot bij haar sociaal assistente zouden geraken. Wanneer de sfeer zodanig uitgelaten is, loopt haar studio telkens schade op. Afgelopen nacht had iemand op onverklaarbare wijze het toilet stuk gekregen. Het water blijft sindsdien alsmaar lopen. Een vorige keer had iemand zijn peuken gewoon op de grond laten vallen en waren er gaatjes gebrand in het vinyl. Zelf heeft ze het ook al een paar keer verknald, zonder dat ze het op iemand anders kan afschuiven. De eerste week dat ze er woonde, was ze haar sleutel binnen vergeten. In plaats van een reservesleutel te gaan halen bij het verhuurkantoor, had ze haar deur ingebeukt. Vanaf dan sluit deze iets minder goed af en raakt iedereen, die maar een beetje druk uitoefent op de deur, binnen. Mel durft al een tijdje haar telefoon niet meer opnemen uit schrik dat het de mevrouw van het sociaal verhuurkantoor is om haar de les te spellen, of erger, om haar huurcontract op te zeggen.

De onderlinge spanningen op het bankje zitten hem ook in een algemeen tekort. Er is een tekort aan sigaretten, niet iedereen heeft iets te drinken en er heerst honger. Diegenen die aan het drinken zijn, zijn al bezorgd over hoe ze aan een volgende fles of blikje zullen geraken. Het ontbreekt iedereen aan geld om zich te voorzien. Voor de winkel staan rijen en er zijn veel veiligheidsmensen om het winkelbezoek in goede banen te leiden. Snackbars zijn dicht en er passeren deze week geen vrijwilligers om voedsel uit te delen. Sommigen zijn huilerig door de honger. Iedereen is moe. Ofwel hebben ze de nacht bij iemand die beschikt over een woning doorgebracht maar was de ambiance daar er niet naar om te kunnen slapen, ofwel zijn ze buiten gebleven en zijn ze telkens gewekt door de politie met de opdracht de openbare weg te verlaten.

Hun gemoedstoestand maakt dat ruzies telkens weer dreigen op te flakkeren. Nochtans is hun onderlinge omgang vaak affectief. Wanneer La Flanelle arriveert, geeft ze iedereen een knuffel of een kus. Ze kruipen allemaal kort bij elkaar en respecteren de afstand niet die affiches, politie en drones hen opleggen. Ze zijn promiscue, onderling handtastelijk. Ze lijken in het fysieke contact een soort van troost te vinden.

Af en toe passeren mensen uit de buurt die hun woning ontvluchten om een luchtje te scheppen. Steeds wanneer passanten in het vizier van de bank komen, worden ze aangesproken voor een sigaret of een centje. Af en toe vriendelijk maar vaak niet, de toon is eerder eisend en half dreigend. Wie hen tijdig opmerkt, loopt met een boog om het bankje heen. Kort na de middag stoppen er abrupt twee combi’s. Uit elke auto stappen een zestal agenten die onmiddellijk op de mensen beginnen te roepen. Ze mogen geen groep vormen of blijven staan en zeker niet zitten. Stappen moeten ze doen, wandelen, voortbewegen. Iedereen wie niet onderweg is, is in overtreding. Gedwee staan enkele mensen op en vertrekken. Anderen, waaronder La Flanelle, blijven ostentatief zitten en volgden pas de bevelen op wanneer de politie dreigt met geweld, traangas en arrestaties. Dit schouwspel zal zich die dag tot laat in de avond nog enkele keren herhalen.

Zaterdag 21 maart 2020, Beurs, 1000 Brussel, avond. 

La Flanelle zit met Mel op de dorpel van de Exki. Bij de vorige passage had de politie een deel van de mensen opgepakt en afgevoerd. De twee dames waren net op tijd vertrokken en zo ontsnapt aan een nachtje cel. Ze roken samen wat coke en alhoewel ze beiden moe zijn, maakt de dope hun speedy en gericht allert. Het koppel is zo geconcentreerd met het pijpje bezig en met de andere in het oog te houden zodat die niet meer dan haar eigen deel zal gebruiken, dat ze niet merken dat de politie hun alweer aan het insluiten is. “Alors, on s’amuse ici ?” onderbreekt de agent met de meeste strepen het tafereel. De rokers schrikken, maar voor ze goed en wel kunnen reageren, trekken de agenten de dames hardhandig omhoog en worden ze tegen de muur geduwd. Bij het handgemeen valt het envelopje met de coke en het glazen pijpje op de grond. De drugs ligt verspreid over de tegels en het glazen pijpje spat uit elkaar. Uit reflex draait Mel zich om en haalt uit naar het hoofd van de agente die haar in bedwang probeert te houden. Ze mist de vrouw net. Andere agenten bemoeien zich en bespuiten Mel met een grote hoeveelheid traangas. Ze schreeuwt het uit en laat zich op de grond vallen. Twee agenten doen alle moeite om haar te boeien. Ze spartelt en roept naar haar vriendin. La Flanelle wil tussenkomen maar op het moment dat ze zich omdraait van de muur om naar het meisje te gaan, krijgt ze eveneens traangas over zich heen. Ze slaat haar handen voor haar ogen en vloekt. ‘Enculé !’ Ze krijgt een duw en enkele agenten manen haar aan het af te trappen. ‘Dégage d’ici !’ blaffen ze haar af. Terwijl Mel wordt meegesleurd strompelt La Flanelle vloekend weg van de Beurs. ‘Putain de sa mère !’ Ze heeft water nodig en hoopt dit te vinden in de fontein van Place Du Jardin Aux Fleurs.

***

Als straathoekwerker voor Diogenes-vzw zou ik graag Mel of La Flanelle leren kennen en met hen een parcours afleggen.

Diogenes-vzw

Diogenes vzw is een organisatie die in Brussel aan straathoekwerk doet en er zich richt tot de straatbewoners. We zijn gevestigd in 1000 Brussel, maar we zijn actief in heel het Brussels Hoofdstedelijk Gewest. We zijn in 1995 opgericht met de oorspronkelijke bedoeling om een link tussen de straat en de toenmalige onthaaltehuizen te vormen. Al vlug kwamen de collega’s van toen tot de conclusie dat nachtopvang en andere opvanginitiatieven, voor de mensen die ondanks een groeiend residentieel aanbod op straat bleven leven, antwoorden waren op niet gestelde vragen. De straatbewoners die deze uitgestoken hand weigerden, waren niet zorgmijdend. Ze waren gewoonweg selectief en het aanbod, op het einde van de jaren negentig, sloot niet aan op hun noden. De straathoekwerkers van toen gingen aan de slag met deze gegevenheid. De collega’s van toen waren nauwelijks met 2, een halftijdse coördinator en een halftijdse terreinwerker.

Onze stiel speelt zich af in de publieke ruimte tussen de mensen. Via veelvuldige contacten gebeurt er op den duur iets. We bouwen een relatie op en gaan daarmee aan de slag. Mettertijd komt wat knelt naar boven en trachten we daar een antwoord op te bieden. Het cliché wil dat we werken naar wonen, maar vaak sturen de parcours samen met de mens in kwestie ons andere richtingen uit om al dan niet tot huisvesting te komen.

Men zou kunnen stellen dat we relationeel aan mensenrechten werken. Onafhankelijk van welk verblijfsstatuut iemand al dan niet heeft, zijn er een aantal rechten waar ze beroep op kunnen doen. Vaak worden deze geschonden. We zoeken met hen naar partners om deze rechten te laten gelden, maar ook om hun administratieve, medische en familiale situatie aan te pakken. We permitteren ons de tijd die nodig is.

Doorheen de jaren zijn er enkele initiatieven ontstaan in de schoot van Diogenes om aan welbepaalde noden van het team en de realiteit van de Brusselse daklozen tegemoet te komen. Ons personeelsbestand is zo opgelopen zodat we nu net geen dertig collega’s hebben. We hebben onder andere geÏnvesteerd in interculturele benaderingen van bepaalde groepen zoals de Roma en de Poolse daklozen.

De meeste daklozen, hoe kan het ook anders, zijn op zoek naar een woning. We zagen al heel snel in dat de zoektocht niet het enige probleem was. Een woning vinden en betreden is één ding, ze behouden is dan weer een ander paar mouwen. Mensen kunnen, zeker in het begin, hulp gebruiken voor de nodige administratieve démarches. Eens de euforie van het betreden van een woning is gaan liggen, worden ze vaak geconfronteerd met de problematieken waarom men indertijd dakloos is geworden. Aan de andere kant kwamen we tot de vaststelling dat heel wat mensen die het leven leiden van een straatbewoner, op straat drinken of gebruiken, bedelen, ja zelfs overnachten in de noodopvang, ergens nog over een woning beschikken die ze om één of andere reden niet (meer) tot een thuis kunnen maken. Om aan deze dubbele realiteit tegemoet te komen, is het deelproject ‘Ondersteuning Bij Woonst’ opgericht. Diogenes stopt niet meer aan de voordeur, op het ‘sleutelmoment’ wanneer iemand een woning betrekt. Het straathoekwerk wacht ook niet meer tot iemand zijn woning effectief verliest, om nu al met die persoon op weg te gaan. We doen aan preventie om te voorkomen dat er iemand (opnieuw) op straat belandt. We bouwen een netwerk rond de persoon en diens woning, en vinden aansluiting via diensten begeleid wonen, wijkgezondheidscentra, diensten thuisverpleging en familiehulp, … We starten zorgnetwerken op en organiseren overlegvergaderingen. “Ondersteuning bij Woonst” is een onmisbare schakel geworden om het vertrouwen over te dragen tussen het straathoekwerk en de thuisbegeleiding, en is in die zin een uniek project in Brussel. Het bestaat nu meer dan 20 jaar en het operationele luik wordt, ondersteund door twee dragende werkers, gegarandeerd door het ganse team van Diogenes.

Een deel van degenen die de stap naar wonen hadden gezet, kampten met eenzaamheid en vermeden hierdoor zelfs hun woning. Samen met partnerorganisaties zorgden we ervoor dat mensen konden samenwonen in het project ‘Solidair Wonen’. We waren mee initiatiefnemer in de Housing First beweging in Brussel en hebben ‘’Station Logement’’ opgericht. Deze HF-werking richt zich op mensen die én een verslavingsproblematiek hebben én kampen met mentale problemen. Daarnaast oriënteren we ons vooral naar kandidaten die de trein- en metrostations gebruiken als leefruimte. Eind 2019 zijn we mee in het ISSUE-project gestapt. In deze samenwerking konden we, oorspronkelijk bedoeld om de winter 2019-2020 te overbruggen, dakloze mensen een transitwoning aanbieden. Omdat we de kans hadden dit gratis aan te bieden, richtten we ons vooral op toegang tot rechten voor personen zonder verblijfsstatuut.

Het aanbieden van een woning kan rust brengen op een manier waarop een winteropvang dit niet kan en doordat ze zich kunnen inschrijven in de gemeente, zetten ze mogelijks een volgende stap naar een geldig verblijf dat toegang geeft tot meerdere grondrechten zoals werk, medische zorgen, eventueel een uitkering …

Wat het initieel straathoekwerk en al deze deelprojecten gemeen hebben, is de insteek: die is relationeel en structureel. Waar we in Diogenes niet aan doen, is noodhulp. Je krijgt van ons geen koffie, we nemen er samen één. We lopen niet rond met kledij om ze te kleden of sleuren niet met thermoskannen soep of koffie zoals de vele andere organisaties die hun tour doen in Brussel.

Zonder dat we het Collectief van de Straatdoden kunnen claimen als zijnde een dienst, een onderdeel van Diogenes, investeren we hierin enorm. Het Collectief is een feitelijke vereniging die werkt rond waardig afscheid bij het overlijden van straatbewoners. Het is een breed gedragen netwerk met vertakkingen in heel het Brussels Gewest, door de steun van (ex-)daklozen, de hulp- en zorgverleningssector, gemeentelijke administraties, politiediensten (herscham-project), hospitalen, vertegenwoordigers van diverse levensbeschouwingen, … Sinds 2015 staat Diogenes in voor de coördinatie van dit Collectief. Dit betreft ongeveer 1/2 VTE.

Hulpverlening in lockdown

De straathoekwerkers van Diogenes-vzw en de collega’s die mensen in hun woonst begeleiden zijn actief gebleven op het terrein gedurende de covidperiode. Het was de eerste keer dat ons zulke expliciete regels werden opgelegd vanuit de directie en raad van bestuur om ons werk in zo veilig mogelijke omstandigheden te blijven verderzetten. Dit werd in een vademecum vastgelegd. Het document gaf ons niet alleen een houvast, maar het was eveneens een aanmoediging om voor onszelf en elkaar te zorgen. Het werd regelmatig aangepast aan de steeds veranderende inzichten in die periode. Iedereen kon in alle vrijheid kiezen voor terrein- of telewerk.

Het gaf ons de mogelijkheid aanwezig te blijven tussen de daklozen. De situaties waarin de mensen toen verkeerden, leken sommige collega’s te doen vervallen in noodhulp. Toch stapte iedereen vrij snel over op onze corebussiness: relationele contacten met de mensen onderhouden en hen helpen hun rechten te laten gelden. De impact op de mensen was enorm, de daklozensector kraakte en zuchtte, maar lanceerde toch ook enkele mooie initiatieven om de mensen op een zo humaan mogelijke manier op te vangen. Al vrij snel stapten we over op onze core business: relationele contacten met de mensen onderhouden en hen helpen hun rechten te laten gelden. De impact op de mensen was enorm, de daklozensector kraakte en zuchtte, maar lanceerde toch ook enkele mooie initiatieven om de mensen op een zo humaan mogelijke manier op te vangen.

Armoe troef

We werken al 25 jaar met mensen aan wie de meest basale zaken ontbreken en toch waren we nog nooit zo hard geconfronteerd geweest met deze graad van miserie. Het begrip armoede kreeg een nieuwe dimensie. De daklozenpopulatie bestaat uit mensen die geen regulier inkomen hebben of die leven van een uitkering waarvoor statistisch gezien de maanden te lang zijn. Toch heeft het tot maart 2020 geduurd eer we armoede, botte armoede, in deze harde puurheid hebben aanschouwd. Wat al die jaren in armoederapporten was omschreven, werd plots zo visueel als een karikatuur.

17 maart en het land gaat in lockdown. De kranten staan vol over mensen die rantsoeneren. Het leek wel of iedereen meesprong op de winkelkar om het laatste wc-papier uit de rekken te sleuren. Iedereen, maar niet de mensen in armoede. De tweede helft van de maand blijft er zo bitter weinig meer over, dat meer mensen dan we ons willen voorstellen, beroep moeten doen op alternatieven zoals de voedselbank of voedselbedeling. Velen hadden de financiële mogelijkheden niet om zich op een comfortabele manier thuis te installeren.

Het feit dat mensen het einde van de maand niet halen met hun inkomen, is gekend. We weten hoeveel een alleenstaande of een gezin ongeveer nodig heeft om rond te komen en we weten dat de uitkeringen daar diep onder zitten. De crisis legde dit alleen maar bloot. Er waren geen circuits meer waar mensen nog iets bij elkaar konden sprokkelen. Voedselbanken waren die eerste week dicht en er waren nergens nog voedselbedelingen actief in de stad. Wanneer madam-soep, een kleurrijk figuur die wekelijks soep komt uitdelen aan de daklozen, zich vertoonde met haar thermossen, werd ze door de politie aangemaand om te vertrekken. Onder het publiek heerste er op dat moment honger. Dat was een heel nieuw gegeven.

Er zaten tijdens de lockdown heel wat mensen op straat. Ze vielen in die periode bijzonder hard op. Al lang voor er sprake was van de Coronacrisis, heerst er in onze hoofdstad een huisvestingscrisis. Sinds de jaren negentig wordt deze crisis aangeklaagd en vallen er grote beloftes die niet worden ingevuld. Brussel biedt niet genoeg betaalbare woningen aan. De uitkeringen waarop sommige mensen recht hebben, zijn bovendien te laag om op de privémarkt een betaalbare degelijke woning te vinden.

Er was toen heel veel te doen over hoe de reguliere economie in het rood ging en tijd nodig zou hebben om te herstellen. Men sprak niet van de parallelle economie: zwartwerk, sekswerk, bedelen, drugshandel. Ook in die sectoren gingen mensen overkop, was er plots inkomensverlies en werd dit nergens gecompenseerd. Het feit dat sekswerk zich in de schemer afspeelt, maakt dat we als maatschappij daar niet op een degelijke manier kunnen ingrijpen om erger te voorkomen. Het verbod op sekswerk deed de activiteiten niet stoppen, maar duwde de heren en dames nog verder de duisternis in, nog verder in situaties waar uitbuiting en gezondheidsrisico’s schering en inslag zijn.

Niet alleen vielen de mogelijkheden in de marge weg, ook het reguliere waar ze in normale omstandigheden beroep op kunnen doen, was verstoord. De meeste organisaties pasten hun dienstverlening aan. Dit kwam vaak neer op een beperkter aanbod en een toegang met obstakels. Zo was het moeilijker om verzorgd te worden in de wijkgezondheidscentra, kreeg men moeilijker een afspraak vast bij dokter van de ambulante drughulpverlening, kon men zijn dagen niet meer slijten in het buurthuis en kwam men moeilijker aan noodzakelijke medicatie. In de ziekenhuizen ging de aandacht uitsluitend naar alles wat met Covid te maken had. Door het sluiten van de horeca, de sociale restaurants tot zelfs de openbare toiletten van de stations, was er zelfs geen enkele mogelijkheid meer voor straatbewoners om naar het toilet te gaan. Dit had een grote impact op de waardigheid en de dagstructuur van de mensen.

Men zag die weerslag ook op het gedrag van de mensen. Sommigen waren geagiteerd, anderen leken in hun schulp te kruipen en waren bang. Nog anderen, die al de neiging hadden om psychoses te ontwikkelen, werden echt paranoia en vertoonden heel bijzonder gedrag. We kwamen ook veel nieuwe mensen op straat tegen met zware psychiatrische problemen, en zagen ook veel mensen uit hun woonst trekken omdat ze het binnen de muren niet konden uithouden. We werden als werker in het begin van deze periode herhaaldelijk geconfronteerd met agressie van nieuwe mensen die al dan niet tot onze doelgroep behoren.

Drempels

Zonder te willen veralgemenen en wetende dat er op verschillende plaatsen initiatieven zijn ontstaan om toegang te blijven verlenen, was het in Brussel die eerste weken zo goed als onmogelijk om je sociaal assistent van het OCMW te zien. Het was heel moeilijk om zonder ondersteuning een nieuwe vraag tot hulp te stellen, laat staan alle documenten bij elkaar te sprokkelen die nodig zijn. Gemeentelijke diensten die voordien fysiek toegankelijk waren, sloten plots hun deuren en gingen online. Zowel om een identiteitskaart of een bankkaart aan te vragen als om een stempelkaart te bestellen en binnen te doen, had men plots toegang nodig tot het web. Diegenen die tot voordien zelfredzaam waren en zelf een vraag bij het OCMW konden stellen zonder de hulp van derden, werden plots hulpbehoevend. Dit was niet omdat de collega’s van die diensten van slechte wil waren, maar omdat de toegangspoorten knelden. Jammer genoeg lijkt voor veel administraties, zoals de RVA, ziekenkassen, vakbonden en gemeentelijke administraties werken op afspraak een uitgemaakte zaak geworden. Een vraag naar hulp moet nu niet alleen meer op de juiste plaats gesteld worden om gehoord te worden, maar ook op het juiste tijdstip. De toegankelijkheid van de hulp-, dienst- en zorgverlening voor onze doelgroep, is er het afgelopen jaar enorm op achteruit gegaan! Dit doet een grote afbreuk aan de autonomie van onze mensen. Voor mensen die vroeger zonder problemen hun plan trokken, gaat het niet meer zonder begeleiding. Dit legt nog grotere druk op eerstelijnsdiensten zoals straathoekwerk. We vrezen dat deze tendens niet meer terug te draaien is.

In de media is de crisis heel sterk bekeken geweest door de bril van de middenklassers. Men sprak over hamsteren, telewerken, er werden interviews afgenomen van gezinnen in hun tuin. Zelden kwamen er bewoners van overvolle en te kleine appartementjes uit grootsteden in beeld met de vraag hoe zij het (niet) redden. Diezelfde logica gold voor de oplossingen die werden aangeboden aan de mensen: op maat van personen met tools zoals computers, internetverbinding, know-how en een identiteitskaart. Ontbrak het je aan één van die schakels dan kon je het wel schudden.

Toch werd ook van hen verwacht wat van iedereen werd verwacht. Ze moesten en zouden in hun kot blijven. Iedereen is iedereen, dus ook de daklozen. De winter- en nachtopvang was volzet en de toegang werd bemoeilijkt door allerhande regels om het virus buiten te houden. Dat gold ook voor de onthaalcentra. Uit angst om iemand binnen te krijgen, besmet met het virus, moesten de mensen eerst in quarantaine. In sommige centra zette men de nieuwe bewoners ter plekke in quarantaine, in andere centra verwachtte men dat de afzondering elders plaats vond. Zo waren er centra die mensen enkel onthaalden na een passage in het snel opgezette triagecentrum van Artsen zonder Grenzen en de Humanitaire Hub aan Thurn & Taxis of na een opname in het ziekenhuis. De omgangsregels in de onthaaltehuizen en de noodopvang werden zodanig aangescherpt dat het voor veel bewoners onmogelijk werd die na te leven. Ook zij kwamen op straat terecht, net als personen die één of een paar nachten niet kwamen opdagen.

Politie

De dwang om zich te isoleren werd uitgeoefend door de politie. Dagelijks waren er confrontaties tussen agenten en daklozen. Systematisch werden ze aangesproken, moesten ze zich verplaatsen, werden ze administratief opgepakt. Stilstaan mocht niet, zitten al zeker niet. Waren wij als straathoekwerkers in gesprek met hen, dan werden ook wij gestoord en eveneens gevraagd om te vertrekken, ons te verplaatsen. We werden geridiculiseerd en zelfs met arrestaties bedreigd, ook al hadden we een schriftelijke toelating om in de openbare ruimte te zijn. Ik zou hier heel graag genuanceerd over communiceren want er zijn inderdaad ook goede verstandhoudingen met politie, met respect voor ieders deontologische code. Ook tijdens deze crisisperiode zijn er goede contacten en samenwerkingen geweest met het daklozenteam van PolBru, het Herschamteam. Niet alle andere agenten waren agressief naar de mensen of naar ons toe. Heel wat agenten hadden begrip voor de situatie en dat appreciëren we enorm! Maar de talloze incidenten en aanvaringen die er geweest zijn, verdragen geen vorm van nuance.

Ook wij werden bedreigd met boetes die oplopen tot 150 euro omdat we stiekem onze boterhammen in een park opaten.

Het politioneel optreden ging vaak gepaard met vernederende opmerkingen en geweld. Meerdere mensen spraken over naaktfouilles. Het zou er in de combi’s en in het politiebureau hard aan toe gaan. Een mevrouw vertelde me dat ze werd uitgescholden voor ‘hoer’ toen ze werd buitengezet uit het Metrostation Anneessens. Bovendien waren er agenten die haar naar het hoofd slingerden dat ze geen ‘echte vrouw’ is.

Als burger zaten we in de eerste coronagolf allemaal binnen om de kudde die we samen vormen te beschermen tegen het virus. Een logisch gevolg was dan ook dat er geen kudde meer was om individuen zoals deze dame te beschermen. De straat was unsafe, toevlucht zoeken als couchsurfer bij iemand thuis was niet veel veiliger. In een situatie waar zo weinig alternatieven zijn om beschutting te vinden, ontstaan er heel snel diverse vormen van uitbuiting.

Enkele nachten nadien werd deze dame in het verlaten station aangerand en verkracht. Met horten en stoten heeft ze ons dat verhaal verteld. De ervaring met de man in uniform die haar op die manier had aangepakt, maakte dat we haar niet konden overtuigen hier iets mee te doen. We weten dat de zedensectie van de Brusselse politie schitterend werk verricht. Deze collega’s zouden alle tijd nemen om deze dame te aanhoren. Maar we krijgen geen toestemming van haar om hierin ook maar enige stappen te ondernemen.

De confrontaties met de politie stopten niet na de eerste lockdown. De strijd voor de openbare ruimte zet zich verder. Maatregelen die dienen om het virus aan banden te leggen, worden gebruikt om daklozen te viseren. De regels lijken meer op hen van toepassing dan op anderen. Zo worden ze duidelijk geviseerd en veel actiever aangesproken en bestraft dan andere leden van de bevolking als het gaat over samenscholing en het dragen van het mondmasker. De avondklok en het alcoholverbod in het centrum van Brussel helpen niet om de spanning tussen de politie en de daklozen te temperen.

In 1993 werd de wet op de landloperij afgeschaft. Men was tot het inzicht gekomen dat het criminaliseren van mensen die dakloos zijn een compleet voorbijgestreefde manier van aanpakken is. Ik meen, uit de ervaringen van de afgelopen zes maanden, een zekere kentering te zien. Het lijkt wel alsof de slinger terug aan het slaan is. Ik heb mensen weten gearresteerd worden, niet om wat ze deden maar om wat ze in de ogen van sommige agenten vooral lijken te zijn: dakloos. Ik vind dit een heel foute tendens en ik maak me oprecht zorgen over deze evolutie.

We zijn vanuit Diogenes niet bij de pakken blijven zitten. Zo gaan de straathoekwerkers vaak met de agenten op het terrein in gesprek en nemen we deel aan vergaderingen met de korpschefs van het Gewest om onze bevindingen weer te geven en onze bezorgdheden te uiten. In samenwerking met enkele advocaten zijn er procedures gestart tegen GAS-boetes en politiegeweld. Over onze ervaringen met de politie hebben we een artikel gepubliceerd op DeWereldMorgen.be .

Hoop

De hulpverleningscontext waarin we werkten was in eerste instantie verschraald. Er waren minder diensten toegankelijk. Toch, en laat dat een lichtje zijn dat fel mag schijnen, zijn er in die periode ook mooie initiatieven en samenwerkingen ontstaan.

Diensten die gekortwiekt bleven doorwerken met hun doelpubliek, vonden ook steeds meer achterpoorten om, rekening houdend met de veiligheidsvoorschriften, toch ook hun opdrachten van voor de crisis te blijven verder zetten. Zo was de onthaalruimte van Puerto maar beperkt open, maar werkten de collega’s op het trottoir om in gesprek te gaan met de mensen. Hartverwarmend om zien hoe dat de knuffel of kus ter begroeting daar even hartelijk werd vervangen door elkaar met de elleboog aan te raken. Puerto is een dienst van het CAW Brussel en Huis van Vrede vzw die thuislozen en ex-daklozen woonbegeleiding aanbiedt. Naast het anders organiseren van hun onthaal, zetten ze zich ook in voor het beter installeren van hun cliënten. Ze zetten giften en fondsen in om spullen te kopen, zoals tv’s en andere mediatoestellen, voor hun cliënten. Dat was niet uit liefdadigheid maar om ervoor te zorgen dat hun bewoners middelen hadden om zich te houden aan de lockdown en zoveel mogelijk thuis te blijven. Deze dienst bleef ook mensen installeren in woningen en startte nieuwe begeleidingen op tijdens deze crisis.

We zagen dit ook bij onze eigen organisatie. Waren we die eerste dagen plots bezig met noodhulp, iets wat we voordien nooit gedaan hadden. We deelden gsm’s uit aan de meest zwakke mensen om, moesten we uitvallen door zelf ziek te worden of toch gedwongen worden om van thuis uit te werken, we nog steeds contact zouden kunnen behouden. Het was in het begin echt aanpassen en er was een grote bezorgdheid naar elkaar toe als collega. Maart is altijd al een maand geweest van verkoudheden en dat was dit jaar niet minder. De symptomen zijn niet zo heel gemakkelijk te onderscheiden van Covid. Dat maakte dat vele collega’s in die periode thuiszaten met misschien wel een banale verkoudheid, maar dat kon toen niet uitgesloten worden. In het begin van de crisis waren er geen testen voorhanden indien de toestand van patiënt niet sterk achteruitging. Die eerste weken waren we serieus onderbemand.

Gelukkig vonden we ons evenwicht terug en schakelden we snel over op onze core business. We zochten mensen op om hen op verhaal te laten komen en we zetten zoals voordien heel erg in op mensenrechten, werken naar huisvesting en gezondheid. Zo hebben we van half maart tot eind mei meer dan dertig mensen duurzaam gehuisvest.

Andere organisaties leken plots een compleet andere vorm aan te nemen en switchten volledig van functie en zelfs van doelgroep. In plaats van nieuwkomers die artistieke ambities hebben te ondersteunen, nam het open kunstenhuis Globe Aroma haar intrek in de Beursschouwburg om de daklozen te voorzien van koffie en een maaltijd. Hobo stopte met het aanbieden van vrijetijdsbesteding aan dak- en thuislozen en vormde hun onthaal om tot een loket waar mensen hun GSM kunnen opladen, zich opfrissen, een koffie of een kleine maaltijd nemen. Het was er eveneens mogelijk om via internet contact op te nemen met hun sociaal assistent. Samenlevingsopbouw pauzeerde de gangbare activiteiten en richtte zich op het inzamelen van voedsel dat vervolgens via verschillende organisaties, waaronder Diogenes, verdeeld werd onder de mensen die dit het meest nodig hadden. Onder normale omstandigheden zouden deze voorbeelden me zeker doen fronsen, ik zou ze misschien zelfs durven klasseren als louter liefdadigheid, maar toen was dit o zo nodig en welkom.

Coalition of the willing

Het was mooi om zien hoe organisaties zich flexibel opstelden en hun eigen opdracht zelfs enkele maanden tussen haken zetten om humanitaire redenen. Maar ook in diensten of organisaties die zich niet flexibel inzetten, zagen we dat sommige werkers meer ruimte innamen en procedures en regels naast zich neerlegden om er toch voor te zorgen dat mensen tot hun recht kwamen. We zagen dit in wijkgezondheidscentra, publieke diensten zoals het OCMW of de dienst bevolking, maar ook in ziekenhuizen en sociaal verhuurkantoren. Zo kregen we meermaals de toestemming om zonder afspraak met iemand op de dienst bevolking te verschijnen om zo aan een identiteitskaart te geraken en slaagde een collega van het OCMW erin iemand met enkel een heel slechte onduidelijke kopie van een identiteitskaart binnen de week aan een leefloon en referentieadres te helpen. We hopen dat het in de toekomst gedaan is met het eindeloos laten lopen van de mensen om voor papieren bewijzen van informatie die het ocmw of andere instanties met een simpele druk op de knop zelf kunnen inkijken.

Die flexibiliteit heeft heel veel mogelijkheden gecreëerd en zelfs situaties gedeblokkeerd die al vast zaten van voor de Corona Crisis. In de literatuur noemen ze dit discretionaire ruimte. Wroeten zoals een moddervis om meer beweegruimte te krijgen. Niet dat er echt gezondigd werd tegen regels en procedures, ze werden gewoon gerelativeerd en men deed zijn job of functie op een zeer basale, zuivere manier. Men schreef iemand in een register, men zorgde ervoor dat de OCMW-steun in orde kwam en men gaf  toegang tot woonst. De crisis maakt de opdeling tussen collega-sociaalwerkers die willen en niet willen meer dan duidelijk.

Mensenrechtenberoep

We leven in een tijd waarin ons moreel kompas als sector en als maatschappij dreigt dol te draaien. Onder het mom van het algemeen belang worden dringende en dwingende maatregelen genomen. Nog meer dan anders lijkt iedereen in hetzelfde gareel te lopen en zich te voegen. Hoe noodzakelijk de genomen maatregelen ook zijn voor de volksgezondheid, alles gebeurt zo snel dat er geen rekening wordt gehouden met de zwaksten, met diegenen die niet de mogelijkheid hebben zich aan te passen. De Coronacrisis heeft deze hete hangijzers zichtbaar gemaakt. Ze geeft armoede een smoel, toont de daklozen in de lege straten en legt de wooncrisis bloot. Het bewijst dat bepaalde activiteiten, zoals sekswerk, uit de marge moeten worden gehaald. De strijd om de publieke ruimte en de criminalisering van dakloosheid en armoede laait hoog op. Wanneer repressie en drempels antwoorden worden op precaire situaties, hebben we als sociaal werker een opdracht, als het ware een roeping, te vervullen. Onze job is nog meer dan voordien een mensenrechtenberoep.

 

Filip Keymeulen is straathoekwerker bij Diogenes vzw en auteur van het boek ‘Alhambra’ Bitbook, 2020.

 

Note:

[1] Alhambra, Filip Keymeulen, Bitbook, 2020

Creative Commons

take down
the paywall
steun ons nu!