Jonathan Coe: Een schrijver en zijn passie voor filmmaker Billy Wilder. Foto: Caroline Irby

Jonathan Coe’s ‘Meneer Wilder en ik’: Draaiboek van een wraak op Hollywood én Auschwitz

Na een reeks satirische romans die de Britse samenleving een spiegel voorhielden (o.m. 'Het moordend testament') en een ambitieus Brexit epos ('Klein Engeland') lijkt Jonathan Coe, gedreven door zijn liefde voor film en zijn fascinatie voor de Oostenrijks-Amerikaanse regisseur Billy Wilder, te kiezen voor een lichtvoetig verhaal. Maar schijn bedriegt want ‘Meneer Wilder en ik’ heeft een sombere, tragische onderstroom. Het is een historische fictie waarin persoonlijke en collectieve trauma’s verstrengelen. Tegelijk een beklijvend portret van een iconisch figuur en een indringende mijmering over liefde en verlies.

woensdag 19 mei 2021 11:06
Spread the love

 

“Films zijn enkel leuk wanneer ze met vuur spelen”, wist de legendarische Hollywoodregisseur Billy Wilder (1906-2002). Maar ook “wanneer je mensen de waarheid vertelt, wees dan grappig of ze doden je.” En aan Cameron Crowe vertelde hij in ‘Conversations with Wilder’ “ik maak geen cinema, ik maak films.” Met schaamteloze brutaliteit én humor fileerde Wilder het Amerika van de 20ste eeuw. De regisseur van Sunset Boulevard, The Apartment en Some Like it Hot werd vaak omschreven als een cynische grapjas. Ten onrechte, Wilder was een moreel verhalenverteller (zie https://www.dewereldmorgen.be/artikel/2020/12/03/billy-wilders-filmkomedies-het-morele-universum-van-de-brutale-grapjas/) die via lichtvoetige humor, subtiele provocaties en tedere ironie zuurzoete pareltjes maakte.

Billy Wilder: Filmmaker en Hollywood icoon.

Ernst verstrengeld met humor

Deze zuurzoete toon en mix van ernst en humor vinden we ook terug in de roman Meneer Wilder en ik. De Britse succesauteur Jonathan Coe (° 1961) focust er via vertelster Calista op zesvoudig Oscarwinnaar Wilder en de productiegeschiedenis van zijn laatste grote film, het tragische Hollywoodverhaal Fedora (1978), maar tracht vooral diens universum tot leven te brengen. Gedrenkt in een einde-van-een-tijdperk-gevoel levert dat een genadeloos portret op van een droomfabriek in de greep van geldschieters, Hollywood-giganten op de retour en een filmwereld die functioneert als een bubbel. Langzaam komt ook een donkere onderstroom aan de oppervlakte: de sporen van de holocaust tekenen het avontuur van de oude filmmaker en de jonge tolk.

Die jonge vrouw, de Grieks-Britse Calista, is onze gids in Meneer Wilder en ik. Vele jaren later, wanneer ze door haar naar Wilders personages genoemde tweelingdochters – Ariane (Love in the Afternoon) en Fran (cesca) (The Apartment) – aan haar verleden wordt herinnerd, voeren haar gedachten ons terug naar de zomer van 1976 en Calista’s toevallige ontmoeting met Billy Wilder. De filmmaker was toen nog steeds bijzonder scherp en grappig, zoals de oneliners tijdens gesprekken aangeven, maar worstelde in zijn artistieke nadagen met teleurstellingen. In de jaren vijftig en zestig was de Oostenrijks-Amerikaanse cineast hot (Sunset Boulevard, Some Like it Hot, The Apartment, Irma la Douce, …) maar nadat zijn passieproject The Private Life of Sherlock Holmes (1970) flopte en ook de komedie Avanti! (1972) niet bleek aan te slaan, stuitte ook het briljante The Front Page (1974) op onverschilligheid. Bovendien stelde hij bitter vast dat in Hollywood creatievelingen verdrongen werden door financiers: “Today we spend 80% of the time making deals and 20% making pictures.”

The Private Life of Sherlock Holmes: Wilders geflopt passieproject.

Nadagen van een genie

The Front Page is een screwball comedy, een zedenkomedie die naast de traditionele ingrediënten (relatieproblematiek, bedrog, spetterende dialogen) ook een flinke portie tragiek (zonder een greintje pathos) en kritiek bevat. Twee thema’s duiken op: de schrik voor het communisme en angst voor homoseksualiteit. In het jaar van Chinatown, The Godfather II en Towering Inferno ging The Front Page echter haast ongemerkt voorbij. Dat kwam hard aan bij Wilder die het zag als een persoonlijke afwijzing. “De tijd van de Ernst Lubitsch-komedies is voorbij”, klonk het bitter, “die stijl hield ik heel mijn carrière aan en ik heb The Front Page dan ook zo elegant mogelijk trachten te maken. Maar het publiek wil nu Clint Eastwood zien zwaaien met een wapen dat groter is dan 140 penissen. Vriendelijkheid en geestigheid bevallen niet langer.”

Dit einde-van-een-tijdperk-gevoel verbindt Wilder in Fedora (1978) met melancholie en tragiek. De onderliggende worsteling om relevant en succesvol te blijven staat ook centraal in Jonathan Coe’s Meneer Wilder en ik. In de raamvertelling herinnert ik-verteller Calista zich hoe ze zonder enige filmkennis (wat al te sterk en weinig geloofwaardig in de verf wordt gezet) uitgroeide tot een vertrouwelinge van Wilder en zijn vaste scenarist en compagnon I.A.L. Diamond tijdens het productieproces van Fedora. Samen met de filmploeg zwerft Calista kriskras door Europa (van Korfoe tot München) wat haar een blik achter de schermen en inzicht in de psyche van melancholicus Diamond en cynicus Wilder oplevert.

Billy Wilders Fedora: De prijs betaald voor roem en glorie.

Mannen met baarden

Calista vertelt hoe Wilder haar uitvraagt omdat “hij graag wil weten wat jongelui tegenwoordig van een film verwachten” en refereert naar de nieuwe generatie filmmakers, “de jochies met baarden” (Francis Ford Coppola, George Lucas en Steven Spielberg). Van Spielberg zegt Wilder dat hij best aardige films met personages maakte (The Sugarland Express) maar “met die haai (Jaws) is hij doorgeslagen naar de andere kant, hij heeft gekozen voor een laat-het-publiek-hun-bekers-popcorn-vallen-film, met hoogtepunten en schokeffecten. Meer een kermisattractie dan drama, een verhaal.” Een vaststelling die Wilder koppelt aan “het besef dat niemand nog wilde hebben wat wij te bieden hadden.”

Een pijnlijke realisatie die Wilder, toen hij Sunset Boulevard (dat de vluchtigheid van roem fileerde) draaide, nog vanop afstand kon bekijken (als de crisis van een oudere generatie), maar in Fedora dichtbij kwam. Wilder zag zich weerspiegeld in Fedora, een filmdiva op leeftijd die de eeuwige jeugd tracht te bewaren via plastische chirurgie. Tot een operatie misloopt en ze de mythe enkel levend weet te houden door haar dochter Antonia te casten in de ‘Fedora’-rol. Een persoonsverwisseling die dramatisch afloopt want Antonia verliest met haar naam ook haar identiteit, persoonlijkheid en toekomst. De filmfamilie wordt het slachtoffer van de Hollywood-terreur, de nood ‘succesvol’ te blijven, en Wilder voelde zich aangesproken. Ook na Fedora zou de scenarist-regisseur nog dagelijks naar zijn bureau pendelen, alleen maar om vast te stellen dat hij voor de studio’s een has been was. Al vond hij die nieuwe tijden ook maar niets. “They say Wilder is out of touch with his times“, liet hij zich in 1976 ontvallen, “Frankly, I regard it as a compliment. Who the hell wants to be in touch with these times?”

Billy Wilders Fedora: We had faces, the sequel.

Draaiboek van een trauma

Die kroniek van een aangekondigde neergang, het verhaal van een filmmaker die in een ‘out of time’-positie sukkelt, wordt door Calista in flash-back verteld. De karakterschets van Wilder is daarbij overtuigend, de autobiografische beslommeringen van de vertelster zijn dat minder. Maar Jonathan Coe pakt wel uit met een briljante literaire vondst. In het hart van zijn roman gaat hij naar de dramatische kern van het verhaal via het als filmscenario weergegeven en met voice-over vertelde levensverhaal van Wilder in de periode tussen 1933 en 1945. We vernemen hoe de als Jood in het Habsburgse Wenen opgegroeide scenarist en regisseur verhuist naar Berlijn, op de vlucht slaat voor het nazisme en via Parijs in Los Angeles terecht komt. Cruciaal is de opdracht die hij in 1945 krijgt om uit gigantische hoeveelheid documentaire-beelden opgenomen van de bevrijde concentratiekampen een voorlichtingsfilm te destilleren.

In het script zien we hoe Wilder ondraaglijke beelden bekijkt, hoe hij probeert er een didactische film uit te puren en hoe de overheid niet mee stapt in zijn voornemen Die Todesmühlen (Death Mills) langdurig te vertonen in alle Duitse steden. Een eerste mokerslag krijgen we wanneer duidelijk wordt waarom Wilder obsessief het verschrikkelijk beeldmateriaal blijft doornemen. “Ik zoek mijn moeder”, klinkt het, verwijzend naar haar en andere familieleden die vermoord werden in de kampen. Een tweede mokerslag komt er wanneer Wilder een jonge holocaust-ontkenner countert: “als er geen holocaust is geweest, waar is mijn moeder dan?” De derde mokerslag is de schok en walging die Wilder voelt wanneer hij vaststelt “hoe na afloop van de oorlog alle nazi’s simpelweg in rook zijn opgegaan”.

Billy Wilders Fedora: Griekse tragedie op een Grieks eiland.

Hollywood en de holocaust

Het levert krachtige ‘scènes’ op. Het etentje met financiers waar Europeanen duidelijk de historische schandvlek willen verdringen. Of het gesprek met een Berlijnse, nazi-gezinde, collega die van Wilder de rol van Christus mag spelen: “Op één voorwaarde, wel te verstaan. Als jullie bij het moment van de kruisiging komen, wil ik dat jullie echte spijkers gebruiken.” Calista zoomt ook in op Wilders optreden tijdens een Berlijnse persconferentie n.a.v. Fedora waar de cineast zijn “win-win-situatie” toelichtte: “Ik bedoel dat ik in deze situatie met geen mogelijkheid kan verliezen. Als het een enorm succes is, is het mijn wraak op Hollywood. Als de film flopt, is het mijn wraak voor Auschwitz.” De eerste ‘wraak’ verwijst naar zijn quasi verbanning uit de droomfabriek die zijn adaptatie van (het uiteindelijk door Spielberg gedraaide) Schindler’s List blokkeerde, de tweede ‘wraak’ naar de Duitse financiers van Fedora die de nazi-misdaden wilden verdringen.

De emotionele kracht van dit met een kwinkslag gebrachte ernstig statement blijft zodanig nazinderen dat het doet vergeten hoe kleurloos Calista, de spilfiguur van Meneer Wilder en ik, is en hoe flauw haar persoonlijk verhaal blijft. Ondanks Coe’s poging om een link te leggen tussen artistieke creativiteit (Calista is een componiste) en een persoonlijk (familie)leven. Voor filmliefhebbers is Meneer Wilder en ik nog om een andere reden boeiend en zelfs meeslepend. Billy Wilder komt op een bijzonder herkenbare wijze tot leven omdat Jonathan Coe op speelse wijze grasduint in de biografieën en interviewboeken gewijd aan de regisseur die Fedora-acteur William Holden omschreef als “een brein vol scheermesjes”.

Billy Wilders Fedora: Print the legend.

Ook zonder Coe’s verwijzing naar zijn bronnen in het dankwoord zullen fans met plezier anekdotes en quotes uit publicaties van onder meer Cameron Crowe, Maurice Zolotow, Ed Sikov, Robert Horton en Kevin Lally herkennen. Het maakt van Meneer Wilder en ik een haast Wilderiaanse zuurzoete ervaring. Speels en luchtig bij momenten maar dan weer melancholisch en somber. Omdat er ondanks het plezier en de luchtige toon iets blijft wringen. Met name de gruwel, trauma’s en pijn die Billy Wilder een filmcarrière lang camoufleerde met humor. Jonathan Coe’s roman deed ons nog eens in onze boekenkast duiken om er nog eens te gniffelen bij Wilders oneliners die in verschillende ‘conversations’ te vinden zijn. Maar we tikten ook Die Todesmühlen (Death Mills) in op YouTube en herbekeken Wilders documentaire. Een verpletterende ervaring die dankzij Meneer Wilder en ik nog een extra dimensie krijgt.

Jonathan Coe’s Meneer Wilder en ik.

 

Jonathan Coe, Meneer Wilder en ik, Londen, 2020, Uitgeverij De Bezige Bij, 262 pagina’s.

FEDORA van Billy Wilder. USA 1978, 116’. Met William Holden, Marthe Keller, Hildegard Knef, José Ferrer, Frances Sternhagen, Henry Fonda. Scenario Billy Wilder en I.A.L. Diamond naar Thomas Tryon. Muziek Miklós Rózsa. Fotografie Gerry Fisher. Montage Stefan Arnsten en Fredric Steinkamp. Extra’s dvd: verwijderde scènes, restauratie vergelijking, boekje. Distributie: Eureka! (Britse uitgave in de Master of Cinema series) en Carlotta Films (Franse uitgave).

Sunset Boulevard: De droomfabriek volgens Billy Wilder.

Creative Commons

dagelijkse newsletter

take down
the paywall
steun ons nu!