Een Franse tank in een bezet dorp in Ivoorkust in 2008. Foto: © Jonathan Alpeyrie 2008, Wikimedia Commons / CC BY-SA 3.0

Frankrijk blijft neokoloniale inmengingen in Afrika ontkennen

Op 6 november 2004 werd een Franse legerbasis in Ivoorkust gebombardeerd, waarbij tien personen omkwamen. Op 29 maart 2021 startte in Frankrijk hierover een assisenproces op klacht van de nabestaanden tegen de toenmalige minister van Defensie Michèle Alliot-Marie, Binnenlandse Zaken Michel Barnier en Buitenlandse Zaken Dominique de Villepin. Zeventien jaar na de feiten blijft Frankrijk zijn neokoloniale inmenging in West-Afrika ontkennen.

vrijdag 30 april 2021 10:50
Spread the love

 

Over het bombardement

Op 6 november 2004 werd een Frans militair kamp in de stad Bouaké in Ivoorkust gebombardeerd door twee toestellen van de luchtmacht van Ivoorkust. Er vielen tien doden en een veertigtal gewonden. Vreemd genoeg was het kamp toen redelijk leeg. Na de feiten werd de vraag gesteld: was hier sprake van een geplande aanval op Franse troepen? Advocaat-generaal Jean-Christophe Müller: “Dit was zeker geen ongeluk, maar de pure expressie van opzettelijkheid”.

In de dagen voor dit bombardement waren Franse troepen in Ivoorkust toegekomen terwijl het land door een burgeroorlog verscheurd werd. Officieel kwamen ze daar toe om vrede te brengen. Samen met VN-blauwhelmen vormen ze een buffer tussen de Ivoriaanse rebellen en de regering van president Laurent Gbagbo.

In het begin van de jaren 2000 kende het land een periode van economische groei, maar het land was nog lang niet welvarend. De bevolking van Ivoorkust omvat vier grote etnische volkeren en een aantal kleine. 41 procent is moslim, 38 procent christelijk en 19 procent belijdt inheemse Afrikaanse religies.

Félix Houphouët-Boigny, de eerste president van het onafhankelijke Ivoorkust, kon tijdens zijn éénpartijbewind (1960-1993) etnische en religieuze conflicten vermijden. Na zijn dood werd in samenloop met het einde van de Koude Oorlog een meerpartijensysteem ingevoerd. Na een zeer onstabiele periode werd Laurent Gbagbo tot president verkozen in 2000. Als president vestigde hij zijn macht door vreemdelinghaat te stoken.

Economische migranten uit de buurlanden, voornamelijk uit Burkina Faso, werden als zondebok gebrandmerkt voor de economische crisis. Bovendien bevorderde Gbagbo de etnische discriminatie onder de Ivorianen. Tijdens zijn bewind ontstond vervolgens een gewapende burgeroorlog, waarin voormalig kolonisator Frankrijk tussenbeide kwam. De Franse militaire aanwezigheid in het conflict werd door het regime dat toen aan de macht was niet aanvaard.

Het is in die context dat de feiten van 6 november 2004 zich voordeden. De nabestaanden van de slachtoffers houden de Franse overheid daarom verantwoordelijk voor de feiten. Sommige militaire functionarissen getuigden op het proces dat Laurent Gbagbo zelf niet op de hoogte van het bombardement bleek te zijn. Daarom werd hij onschuldig verklaard.

Dat zegt dus niets over de houding van de Franse overheid na de bomaanslag. Wat nog steeds niet is uitgeklaard is wat het Franse leger in werkelijkheid deed in Ivoorkust. Was dat slechts ‘vrede’ brengen of ging het om inmenging om de door Frankrijk gewenste ‘regime change’ te bekomen.

Rechterlijke dwalingen

Twee jachtvliegtuigen, bestuurd door twee Wit-Russische huurlingen met twee Ivoriaanse Gbagbo-getrouwen als copiloot, wierpen bommen op Franse basis in Bouaké. Als vergelding vernietigde het Franse leger daarop de volledige Ivoriaanse militaire luchtmacht. De huurlingen en Ivoriaanse ambtenaren die voor de bomaanslag verantwoordelijk gesteld werden, werden door de autoriteiten aangehouden, maar snel weer vrijgelaten op bevel van de Franse overheid. Vandaag zijn de meesten van hen overleden of vermist zodat het niet meer mogelijk is om van hen nog informatie te verkrijgen.

Al met al worden meerdere rechterlijke dwalingen vastgesteld, zoals het vrijlaten van de gevechtspiloten of het haastig begraven van de slachtoffers. De advocaat van de nabestaanden van de slachtoffers, Jean Balan, stelt: “Er wordt informatie in deze zaak achtergehouden. Op basis van elementen uit het dossier blijkt dat het bombardement gepland werd om politieke onrust te veroorzaken met als doel de afzetting van president Gbagbo”. De basis werd geacht leeg te zijn, maar dat was niet het geval, waardoor er meerdere Franse (en één Amerikaans) slachtoffers vielen. Daarom houden de nabestaanden van deze slachtoffers de Franse overheid schuldig, ook al werden de feiten gepleegd door de Ivoriaanse troepen.

Er ontbreken wezenlijke elementen in dit gerechtelijke dossier die voor de toenmalige politieke elite zeer bezwarend zouden zijn. Bijvoorbeeld, er werden geen autopsies uitgevoerd op de lichamen van de Franse militairen. Precies om die reden kan dit geen moordzaak zijn. Bovendien werden de zwarte dozen van beide gevechtsvliegtuigen nooit teruggevonden.

Wat kan van dit proces verwacht worden?

Voor deze rechtszaak worden drie ministers van de toenmalige regering van president Jacques Chirac gedagvaard. Bij de eerste rechtszaak in Parijs had het Hof van Justitie eerder beslist dat de aanklachten tegen de ministers moeten vervallen. Tijdens dat proces schoven de drie beschuldigde ministers de verantwoordelijkheid op elkaar.

Volgens advocaat Balan was zeker de procureur-generaal van het Hof van Cassatie niet onpartijdig in deze zaak. Nu worden Dominique de Villepin, Michèle Alliot-Marie en Michel Barnier alleen als ‘getuigen’ opgeroepen. Hiermee is de strafrechtelijke achtervolging echter niet van de baan. Ook de burgerlijke partijen en hun advocaten menen dat die politieke elite een staatsgeheim jarenlang proberen te maskeren: “Vanaf het begin van de procedure worden bijzondere inspanningen geleverd om de waarheid verborgen te houden”, aldus Balan.

Al meer dan zevenentien jaar na de feiten wachten de slachtoffers nog altijd op gerechtigheid. Sinds 2005 loopt in Parijs een gerechtelijk onderzoek wegens “moord” en “medeplichtigheid aan moord”. Eerst werden de betrokkenen voor een militaire rechtbank gedaagd. In 2016 vonniste rechter Sabine Kheris de verwijzing van de drie ministers naar het Hof van Justitie. Een jaar later werden de aanklachten tegen de drie ministers ingetrokken.

Tijdens de rechtszaak van 2019 werden minstens negentig getuigen gehoord, vooral personen van Franse nationaliteit. Dominique de Villepin, voormalig minister van Binnenlandse Zaken, wees op de verantwoordelijkheid van president Chirac en zijn ministers van Buitenlandse Zaken en Defensie. De Villepin getuigde dat hij niet op de hoogte gebracht was van de belangrijke beslissingen over het Frans-Ivoriaanse dossier. Ook minister van Binnenlandse Zaken Michel Barnier stelde dat hij hier buiten gehouden werd omdat “het militairen betreft”.

Van de snelle invrijheidstelling van de piloten wisten ze ook niets af. In tegenstelling tot haar twee ambtgenoten geeft minister van Defensie Michèle Alliot-Marie wel toe dat ze geïnformeerd werd over de arrestatie van de hoofdverdachten. Volgens haar werden de gevechtspiloten toen vrijgelaten omdat er geen aanhoudingsbevelen werden uitgevaardigd.

Uit het gerechtelijk onderzoek is gebleken dat de arrestatie van de verdachte daders direct na hun aanhouding werd meegedeeld aan de Franse Service de Coopération Technique Internationale de Police (SCTIP – Dienst voor Internationale Technische Politiesamenwerking), verbonden aan het ministerie van Binnenlandse Zaken. “In Afrika komen dergelijke aanhoudingen vrij vaak voor. Dus werd daar mijn aandacht niet door getrokken”, zei de Villepin, als verdediging.

Daarmee getuigde de voormalige minister van een diepe minachting voor Afrikaanse zaken. Ook opvallend is het pleidooi van Alliot-Marie. Aan de rechter verklaarde ze dat de defensie-afdeling ‘juridisch beheer’ geraadpleegd werd over de vrijlating van de piloten. David Sénat, juridisch adviseur van het ministerie van Justitie, heeft dat intussen ontkend. Alliot-Marie werd in 2013 beschuldigd van “valse aangifte” en “samenzwering tot moord” waarvan ze door de rechtbank werd vrijgesproken.

Wat zijn de gevolgen?

Om nog meer aanvallen te voorkomen, beval president Chirac de vernietiging van de luchtmacht van president Gbagbo. Het Franse leger heeft echter ook een aantal helikopters afgeschoten. “Dat betekende een enorme verzwakking van de stootkracht van het Ivoriaanse leger in volle burgeroorlog”, volgens het persagentschap IPS.

Vervolgens verslechteren de relaties tussen Frankrijk en Ivoorkust heel snel. Daarna volgden hevige rellen in Abidjan, waarbij meer dan tachtig doden en duizenden gewonden vielen. Daarbij werden expats het doelwit van anti-Franse aanslagen met veel materiële schade maar zonder doden of zwaargewonden. Deze expats keerden massaal terug naar Frankrijk met een luchtbrug van de Franse luchtmacht.

De hoofdverdachten Yury Sushkin, Patrice Ouei en Ange Gnanduillet werden tot levenslang veroordeeld. Geen van hen was aanwezig bij de uitspraak. Ofwel zijn ze dood, ofwel verdwenen. De zaak sleept sindsdien reeds zevenentwintig jaar aan en blijft onbeantwoord. Overlevenden en families van de slachtoffers wachten al zolang op gerechtigheid..

Over de positie van Frankrijk en zijn ex-kolonies in Afrika

Omtrent de oorzaak van dit bombardement blijven veel  onduidelijkheden. Bijvoorbeeld, Robert Montoya, een Franse ex-gendarme werd vrijgesproken nadat hij verdacht werd van wapenverkoop. Hij zou ook betrokken geweest zijn bij de ontsnapping uit Ivoorkust van beide Wit-Russische huurlingen.

Dit is een politiek zeer gevoelige zaak. Waar haalde de Franse regering van president Chirac het recht om tegen de president van een ander land actie te voeren. Het is bewezen dat Chirac contact had met toenmalig oppositieleider Alassane Ouattara. Ouattara bleef de geprefereerde kandidaat van Frankrijk. In 2010 werd hij president (tot vandaag) nadat Gbagbo door een staatsgreep – opnieuw met Franse steun – werd afgezet.

Tot hiertoe blijven de opdrachtgevers van de aanslag onbekend, maar er zijn wel veel aanwijzingen dat het bombardement een manipulatie was door de Franse regering om een staatsgreep te veroorzaken.

Als Ivoorkust zestig jaar geleden onafhankelijk is geworden, wat doet het Franse leger dan nog steeds op zijn grondgebied? De echte bedoelingen van Franse militaire interventies wordt meer en meer openlijk in vraag gesteld. In zijn voormalige Afrikaanse kolonies voert Frankrijk een paternalistisch beleid dat rond zijn eigen belangen draait.

Ook een geheimzinnig bombardement in Mali

Ook in andere West-Afrikaanse landen heeft Frankrijk een dubieuze rol gespeeld. In januari 2021 werden negentien mensen gedood bij een bombardement op een Malinese stad, waarbij alleen lokale inwoners omkwamen die aanwezig waren op een bruiloft. De Franse overheid houdt vol dat alleen terroristen doelwit waren.

Frankrijk rechtvaardigt zijn aanwezigheid in Mali met het islamitische terrorisme dat veel schade aanricht. Er is echter geen twijfel meer mogelijk. Leden van terroristische organisaties ‘per vergissing’ verwarren met ongewapende burgers is zeer onwaarschijnlijk.

Het klinkt vreemd, maar de Franse regering blijft ontkennen wat heel duidelijk is. Ter verdediging stellen de militaire bevelvoerders dat er wel degelijk een terroristische groepering aanwezig was. Dit wordt echter nog steeds niet bewezen. Daarenboven wil het Franse leger geen details geven over de militaire operaties.

Neokolonialisme à la française

Van alle Afrikaanse landen die sinds hun onafhankelijkheid staatsgrepen beleefden waren de meeste Franse voormalige kolonies, vooral de landen ten zuiden van de Sahara. In de meeste gevallen hebben deze landen lopende militaire akkoorden die Franse legerbasissen toestaan. In de praktijk zorgt deze aanpak permanent voor geweld en politieke onrust in Afrika. Met “geheime politieke deals” worden meerdere politieke leiders beschermd door Franse politici dankzij wie Afrikaanse presidenten aan de macht konden komen.

Deze neokoloniale praktijken bestaan nog altijd, niet alleen militair, ook op financieel-economisch vlak. Een goed voorbeeld daarvan is de CFA-frank, voorheen Franc des Colonies Françaises d’Afrique, nu de Franc de la Communauté Financière Ouest-Africaine[1]. Frankrijk is het enige ex-koloniale land dat nog neokoloniale munten heeft. Het heeft de Comorese frank en de CFA. Momenteel wordt deze laatste munt nog altijd in veertien landen gebruikt maar het wordt wel in Frankrijk gedrukt. Sommige leiders van de betrokken Afrikaanse landen hebben al meermaals de wens kenbaar gemaakt om uit de CFA-overeenkomst te stappen.

In 1958 had de Guinese regering reeds een dergelijk besluit genomen. Er waren toen veel valse biljetten in omloop gebracht door de Franse geheime dienst met de bedoeling de Guinese economie te destabiliseren. Met dergelijke methodes werden al deze Afrikaanse landen gedwongen lid van de monetaire unie met Frankrijk te blijven.

Oorspronkelijk was de FCFA aan de Franse frank gekoppeld, nu aan de euro. Dat heeft deze postkoloniale munt tot een sterke munt gemaakt. Dat klinkt leuk maar dit heeft niet alleen voordelen. Het wordt immers winstgevender om met een zwakkere munt goedkopere producten uit China in te voeren. Dat betekent minder lokale productie en minder winst voor de eigen lokale bedrijven. Hoe minder investeringen, hoe minder ontwikkeling.

De FCFA moedigt de vestiging aan van Franse bedrijven op het Afrikaanse continent, zoals Fnac en Orange. Bovendien heeft de West-Afrikaanse economie geen eigen besluitvormende organen en hangt deze voor alle financiële en monetaire beslissingen af van de Europese Centrale Bank.

De FCFA-munt functioneert buiten zijn economische context. De hoge koers van de euro tegenover de zwakke munten in Azië bemoeilijkt de uitvoer van Afrikaanse producten. Bijvoorbeeld, de sterke euro verhoogde de verkoopprijzen van katoen. Zo kunnen de Afrikaanse katoenproducenten niet concurreren met de lagere prijzen van Chinese katoen.

De invoering van FCFA was aanvankelijk bedoeld om de Afrikaanse economie tegen inflatie en instabiliteit te beschermen. “Het zorgt ook voor een zekere stabiliteit”, getuigt een Belgische expat in Burkina Faso. In 1995 besloot de Franse regering echter om de FCFA fors te devalueren. Dit resulteerde in een snelle koopkrachtdaling van de inwoners. Als expat werd hij door de Belgische Staat betaald maar hij herinnert zich hoe moeilijk die beslissing was voor de Afrikaanse bevolking.

De CFA-frank stelt Frankrijk in staat om zijn voormalige koloniën in een afhankelijkheidsrelatie vast te houden. Dankzij deze monetaire unie heeft Frankrijk een strategische overmacht op de ex-koloniën die er deel van uitmaken. “Toen ik jonger was, heb ik in Ivoorkust gestudeerd en ik vind het belangrijk dat het land zijn eigen munt moet invoeren. De FCFA wordt als excuus gebruikt om het land te helpen. Alsof de Ivorianen daar zelf niet bekwaam voor zijn!”, luidt een reactie.

Omerta in de media

In de Europese media is er minder en minder aandacht voor wat in Afrika gebeurt. Over het algemeen hebben de Franse media alles gedaan om deze rechtszaak in de doofpot te stoppen. Westerse media hebben vaak geen kennis van de politieke situatie in Afrika, een van de redenen waarom een onderwerp als deze zaak mediatiek gezien onzichtbaar is.

De Franse journalist Daniel Schneiderman schreef een kroniek in 2004 in de krant Liberation. In zijn kroniek “En Côte d’Ivoire, le journalisme en uniforme” stelde hij zich toen deze vraag: “Als Ivoorkust al 40 jaar onafhankelijk is, wat deed het Franse leger dan in Bouaké?”

Een andere reden voor dit mediastilzwijgen is ook dat Europese landen geen verantwoording geven voor hun neokoloniale praktijken en dat geldt in het bijzonder voor Frankrijk. Het Franse dagblad Le Monde wordt vaak bekritiseerd voor zijn betrokkenheid bij president Emmanuel Macron. Als zelfverklaard progressieve media spreekt Le Monde zichzelf tegen. Door de president en zijn regeringsbeleid te steunen maakt de krant de verderzetting van het Franse neokolonialistisch beleid aanvaardbaar.

Over de meeste inmengingen van Frankrijk in zijn voormalige kolonies hangt nog steeds een bijna volledige omerta. De rechtszaak over het bombardement van Bouaké is niet de regel, maar de grote uitzondering. Het gebrek aan interesse in de Franse en buitenlandse media voor deze rechtszaak toont dat de neokoloniale praktijken van Frankrijk nog steeds niet voorbij zijn en in feite door de Europese redacties in 2021 nog steeds aanvaardbaar worden bevonden.

 

Note:

[1] De huidige Franse monetaire zone in Afrika bestaat uit twee afzonderlijke samenwerkingsverbanden met elk een eigen munt. De CFA geldt in Benin, Burkina Faso, Ivoorkust, Guinée-Bissau, Mali, Niger, Senegal en Togo. De andere munt is de XAF, geldt in de Communauté Economique et Monétaire de l’Afrique Centrale en omvat Kameroen, de Centraal-Afrikaanse Republiek, de Republiek Congo (Brazzaville), Equatoriaal Guinea en Tsjaad.

 

Bronnen:

Franse politieke elite in de rechtbank gedwongen tot uitleg omtrent bombardement Bouaké

Bombardement de Bouaké: le mystère sur les commanditaires reste entier

Bombardement de Bouaké: le procès de la raison d’Etat

Le bombardement de Bouaké, une “bavure manipulée”?

Bouaké: la CJR classe une plainte contre MAM

Le procès des meurtriers des soldats de Bouaké n’aura servi à rien

Bombardement de Bouaké: au cœur d’une affaire d’État

Bombardement de Bouaké: trois pilotes jugés par défaut et une énigme intacte

Bombardement de Bouaké: perpétuité pour les trois accusés

Côte d’Ivoire – Bombardement de Bouaké: “Un sabotage a été organisé pour qu’on ne sache pas la vérité”

Au procès du bombardement de Bouaké, les ministres français se renvoient la balle

Coups d’Etat en Afrique: le rôle toxique de la France

Afrikaanse jongeren willen af van koloniale munt

Bombardement de Bounti au Mali: la version de l’armée française contestée

11 janvier 1994. Dévaluation du franc CFA

Datagueule (https://www.youtube.com/watch?v=OHg4YgccmPg)

Creative Commons

dagelijkse newsletter

take down
the paywall
steun ons nu!