oog
Foto: raindog808
Interview -

“Mensen zoals wij, die zijn een beetje vergeten”

Hoewel het coronavirus een onzichtbare vijand is, brengt het extra moeilijkheden met zich mee voor wie niet kan zien. “Alles is gemaakt voor de ziende wereld.” Mensen met een visuele beperking tasten vaak ook figuurlijk in het duister.

donderdag 8 april 2021 12:32
Spread the love

 

Rob[1] geeft zijn zicht in de beste omstandigheden een twee op tien. Voor An, Gert en Ine is alles zwart. Rob is student, An gepensioneerd. Gert en Ine schommelen qua leeftijd daartussenin, als respectievelijk dertiger en veertiger.

Hoewel ze qua leeftijd en interesses niet sterker van elkaar kunnen verschillen, ondervinden ze dagelijks dezelfde hindernissen ten gevolge van de coronapandemie.

Anderhalve meter

“Voor blinden en slechtzienden is afstand nemen moeilijker”, zegt Rob meteen. “We kunnen dat niet inschatten. Je doet wel je best, maar of dat altijd zo is? Ik zou het niet weten.”

Ze proberen de afstand ‘te horen’ of ‘te voelen’ met hun witte stok, die anderhalve meter lang is. Maar “het belangrijkste is dat mensen op afstand van mij blijven”, geeft Ine aan. “Op die manier zijn we daar denk ik wat meer van afhankelijk”, bedenkt Rob zich.

schaduw van een man met witte stok

Foto: Timothy Krause

Rob en Ine zijn van mening dat de meeste mensen de nodige afstand bewaren. An en Gert zijn het daar niet mee eens. “Soms moet ik zelfs opletten om niet tegen iemand te botsen, terwijl zij mij moeten zien”, windt An zich op. “Ik ga gewoon rechtdoor naar waar mijn hond mij naartoe leidt.”

“Volgens mij komt dat doordat veel mensen nog nooit in aanraking zijn gekomen met blinden en slechtzienden. Ze weten gewoon niet wat ze moeten doen als ze zo iemand tegenkomen”, reflecteert Gert.

Plantrekkers

Social distancing is niet de enige maatregel waarvoor mensen met een visuele beperking een beroep moeten doen op de goodwill van anderen. Zoals Rob aangeeft: “Ik probeer dat te beperken, maar ik denk dat er zeker blinden en slechtzienden zijn die daardoor minder dingen zelf doen.”

Nochtans zijn veel mensen met een visuele beperking echte plantrekkers. Ze halen op hun eentje een brood bij de bakker en stoppen en passant bij de slager.

benen van een man en een vrouw voor de toonbank van een bakkerij

Foto: Sven Hoffmann

“Ik heb een heel visueel geheugen”, legt An uit. “Ik heb vroeger goed kunnen zien. Ik maak mij telkens een voorstelling van de ruimte. Als alles op zijn plaats staat, lukt dat wel.” Ine: “We lopen tegen de huizen of volgen de stoeprand. Blinden hebben steeds een gidslijn nodig. Als er werken zijn op het voetpad, dan zijn wij helemaal gedesoriënteerd.”

Of als er plots een bepaalde looprichting geldt. “Ik kan echt niet zeggen of ik mij daar aan houdt of niet”, getuigt Rob. “Dat staat nergens voor ons aangegeven. Tenzij iemand mij zegt ‘je mag hier niet lopen, dit is de tegenovergestelde richting’ kan ik onmogelijk weten aan welke kant ik wel mag lopen en aan welke niet.”

Voor de anderen klinkt dit herkenbaar. “Alhoewel mijn hond zo is opgeleid dat die praktisch altijd aan de rechterkant loopt”, vervolledigt An.

Als de maatregelen lang blijven aanslepen, zien Rob en Gert een oplossing in het aanbrengen van een tactiel signaal op de stoep, zoals de voelnoppen op drukke kruispunten om je naar het zebrapad te begeleiden.

voelnoppen op straat bij avondlicht

Voelnoppen – Foto: Jeremy Segrott

“Niet zo vanzelfsprekend”

Daarmee zijn uiteraard niet alle problemen van de baan. Eens aangekomen bij bijvoorbeeld de bakkerij lopen blinden opnieuw tegen hindernissen aan. Jij ziet waarschijnlijk een briefje hangen op de deur: ‘Maximum twee klanten in de winkel’. Ine niet. “Ik moet altijd vragen: Is er iemand voor mij? Met hoeveel staan we in de rij? Dat is allemaal niet zo vanzelfsprekend.”

Vervolgens is het jouw beurt om binnen te gaan en word je verondersteld je handen te ontsmetten. “Eerlijk gezegd, als ik alleen een winkel binnenstap, doe ik dat niet”, bekent An, “omdat ik dan naar dat flesje moet zoeken of het moet vragen.” Gert: “Dat is ook weer de begeleider die jou naar die plaats moet brengen.”

Bij een bezoek aan de supermarkt laten mensen met een visuele beperking zich sowieso vergezellen. “Iemand die blind of slechtziend is, kan het gewoon niet alleen. Ik vind het heel belangrijk dat er bij het winkelen een uitzondering geldt voor mensen die begeleiding nodig hebben”, benadrukt Rob. “Anders zou dat een enorm grote beperking van onze zelfstandigheid zijn.”

Bussen, trams en treinen

We vloeken er allemaal wel eens op. Voor blinden of slechtzienden is het openbaar vervoer echter cruciaal, aangezien zij zelf niet met de auto rijden. Zich verplaatsen met de bus of de trein daarentegen, kunnen ze alleen.

An beschrijft hoe dat pakweg een jaar geleden verliep: “De halte opzoeken, instappen, aan de hond vragen ‘waar is er een lege plaats’ en op voorhand afspreken met de chauffeur waar je eraf moet.”

bus van De Lijn

Foto: EDDIE

Maar dat is nu niet meer zo evident. “De bus nemen, dat is een ramp, want wij moeten achteraan opstappen. Vroeger konden we vooraan instappen en communiceren met de chauffeur, nu zijn we aangewezen op de mensen”, zegt Ine verbeten. “De bus nemen is geen doen en eigenlijk de tram ook niet.”

Voor Gert went het wel: “Sommige chauffeurs kennen mij op den duur een beetje en vragen al van zodra ze mij zien opstappen waar ik eraf moet. Dan komt dat wel in orde.”

De trein vinden ze toegankelijker, alhoewel “die trappen zo ambetant gemaakt zijn dat je soms schrik hebt dat je stok of voeten erin blijven hangen”, vertelt Gert. De anderen delen soortgelijke verhalen. An: “Mijn hond is er eens ingevallen.”

Meer voelen

“Er zijn veel mensen die niet naar de dagondersteuning komen, omdat ze niet meer met het openbaar vervoer durven”, vertrouwt Ine me toe. Dat heeft niets met die vervelende trappen te maken, wel alles met het virus.

“We leven in een tijd waarin het voelen aan dingen een risico is, waarin je altijd goed je handen moet ontsmetten, want het kan overal op hangen”, begint Rob. “Wij slechtzienden percipiëren de wereld grotendeels al voelend – blinden doen dat zelfs volledig – waardoor het voor ons risicovoller is om ons te verplaatsen.”

“Wij moeten met onze vrije hand meer voelen. Als we de trap afgaan, moeten we met onze vrije hand de trapleuning voelen. Als we met de trein gaan, hetzelfde. Duizend en een dingen”, verzucht Ine.

een vrouw gaat de trap af en houdt de leuning vast

Foto: John Lambert Pearson

Rob geeft een voorbeeld: “Heel simpel op de trein de deur openen naar een andere coupé. Jullie nemen de klink vast, trekken eraan en doen de deur open. Wij voelen eerst waarschijnlijk ietsje boven en ietsje onder de klink om te weten waar de klink zit en dan pas trekken wij ze open. Wij moeten er extra hard op letten dat we onze handen goed ontsmetten.”

Duizend en een dingen aanraken, dus duizend en een keer desinfecteren? “Wat ik op zo’n moment probeer te doen is even niet nadenken”, meent Gert. “Al moet ik zeggen, dat is moeilijk hoor.” Rob past dezelfde tactiek toe: “Als je diep genoeg nadenkt over wat je allemaal exact hebt aangeraakt en wat je in welke volgorde hebt ontsmet, dan word je zot.”

Helpen komt met risico’s

Voortdurend het flesje ontsmettingsgel bovenhalen, is dus niet mogelijk in de praktijk. Afstand bewaren evenmin. “Begeleiden is praktisch niet haalbaar op afstand”, kaart Rob aan. “Meestal pakken wij iemands ellenboog vast en lopen wij aan zijn arm. Dat is niet te doen op anderhalve meter natuurlijk.”

Ine klinkt bezorgd: “Soms vraag ik me af ‘Is dat veilig?’. Als je je laat helpen, dan denk je ‘ja, het moet’, maar aan de andere kant neem je toch een risico.”

“Ik voel dat niet echt als een risico aan”, meent Rob, “omdat dat in bijna alle gevallen buiten is. Je draagt ook allebei een mondmasker. Het is weliswaar iets waar je extra aan denkt en wat je soms probeert te vermijden. In de mate van het mogelijke natuurlijk.”

vrouw met witte stok loopt ingehaakt naast een man

Foto: Mabel Amber, who will one day via Pixabay

Wat opvalt is dat het voor velen niet duidelijk is welke uitzonderingen voor hen gelden. Zo vraagt Rob zich af of iemand die hem begeleidt een knuffelcontact is en twijfelt An of ze samen met een begeleider mag winkelen.

Rob geeft dit bovendien expliciet aan: “Ik zeg nu niet dat ze dat in het nieuws moeten blokletteren, maar de nodige organisaties kunnen dat misschien duidelijker communiceren.”

Of ze een groter risico lopen op besmetting door hun visuele beperking? “Ik zou niet weten hoe ik daaraan zou komen”, antwoordt An verontwaardigd.

Voor Ine daarentegen is het zo klaar als een klontje: “Maar natuurlijk lopen wij een verhoogd risico. Wij lopen een verhoogd risico omdat we geen afstand kunnen houden. We botsen al eens tegen iemand. Mensen met een beperking zouden ze eerst moeten vaccineren.”

Terwijl An en Ine een uitgesproken mening hebben, nemen Rob en Gert een tussenpositie in: “Ik denk dat het voor elke groep met een beperking risico’s met zich meebrengt.”

Niet kijken, alleen aanraken

Naast fysieke risico’s mag je uiteraard de mentale impact niet onderschatten. “Iedereen heeft het moeilijk met nood aan sociaal en soms lichamelijk contact”, erkent Rob. Ik denk dat dit bij blinden en slechtzienden nog iets sterker aanwezig is, omdat wij sowieso al weinig lichaamstaal hebben.

Gert kan dat beamen: “Vroeger kon je op momenten dat je het moeilijk had even iemand opzoeken die zijn hand op je schouder legt. Nu moet je oppassen bij wie je dat toelaat.”

“Ik denk dat wij binnen het normaal communiceren meer geneigd zijn om lichamelijk contact te maken, omdat wij al die facial cues totaal niet hebben. Door deze maatregelen voelen we dat sterk”, geeft Rob aan.

3 handen op elkaar

Foto: Stewart Black

Voor Ine weegt vooral het isolement zwaar door. Rob en Gert wonen samen met hun ouders, An met haar echtgenoot, maar Ine woont alleen, een uur rijden van haar ouders en vrienden verwijderd.

“Ik ben in Antwerpen komen wonen omdat ik blind werd, en hier van alles te doen is: de school en het activiteitencentrum van De Markgrave, VeBeS … Dat ging goed. Nu met corona is dat allemaal in duigen gevallen. De eerste lockdown had ik helemaal niets.”

Rob, die nog steeds digitaal les kan volgen, voelt zich niet benadeeld: “Ik heb niet het gevoel dat voor ons de maatregelen minder rechtvaardig zijn. Ik denk gewoon dat het ons extra treft doordat we op meer dingen moeten letten.” Voor Ine ligt dat anders: “Mensen met een beperking die alleen wonen, die worden vergeten.”

 

Note:

[1] Rob is een schuilnaam.

Creative Commons

take down
the paywall
steun ons nu!