Eleonore Van Godtsenhoven.
Essay - Eleonore Van Godtsenhoven

Dit is geen fictie

maandag 4 januari 2021 15:52
Spread the love

 

‘Heerlijk kostuum!’, antwoordde een vriendin, enkele minuten nadat ik deze foto had verzonden. ‘Dit is geen fictie’, stuurde ik terug. Mijn vriendin dacht dat ik klaar was voor de repetities van een nieuwe theatervoorstelling (ik ben actrice dus dat gebeurt soms). Ik had gehoopt op een theatervoorstelling. En iemand die dan riep: deze scène gaan we eens opnieuw doen. Of: TOT HIER. Of nog beter: het zit erop, jullie mogen naar huis gaan. Morgen première! Of: mooi! Of: luider! Of: een beetje meer naar links. Of dat iemand eens iets schreeuwde, dat ze het niet geloofde bijvoorbeeld. Er werd niet geroepen. Of opnieuw begonnen. Of onderbroken. Iedereen deed de hele tijd gewoon verder. Het was tien voor acht en ik stond met mijn uniform in de kleedkamer, bang maar klaar voor mijn eerste dag op de COVID-afdeling van een woonzorgcentrum.

Ik werkte zes weken in dit woonzorgcentrum, niet geheel vrijwillig maar omdat er een of andere Kafkaiaanse staart was opgedoken bij het verkrijgen van mijn kunstenaarsstatuut (dit is een bijzonder statuut voor kunstenaars om een uitkering te ontvangen in periodes waarin er even geen werk is, iets wat door de aard van het werk vaak voorkomt in het leven van een theatermaker: drukke periodes met veel werk en periodes waarin alles even stil ligt). Ik heb de laatste tweeënhalf jaar geen recht gehad op een uitkering en combineerde het artistieke werk, zoals velen, met werken in een koffiebar om tot een aanvaardbaar loon te komen. De weg moet nog gemaakt worden, nadat je afgestudeerd bent als kunstenaar. Er zijn niet meteen subsidies voor eigen projecten of je krijgt weinig betaald voor andere. Soms zijn er projecten die je gratis doet omdat je erin gelooft en om bezig te blijven in de maanden dat er amper betaald werk is.

Ik repeteer dus niet voor een nieuwe theatervoorstelling. Nochtans zaten de meeste emoties voortdurend klaar, onder twee maskers en een spatscherm. Bijvoorbeeld toen ik Roberta’s deur (kamer 129) dichttrok, twee uur later terugkeerde en ze nog steeds starend naar een familiefoto aan haar bureau zat en ik dan maar vroeg of ik de televisie aan moest zetten. Of toen Cyriel drie keer moest huilen, terwijl ik hem te eten gaf. Of Marcelle die bij het horen van mijn voetstappen al riep: ‘Madam! Madam! Ik heb zo een zeer!’ (dan moest ik haar hand vasthouden). En wanneer Georgette de valse tanden van haar geliefde Jean-Pierre stond te schrobben in zijn badkamer (ze hebben elkaar leren kennen in het centrum, alleen woont zij op een andere verdieping) en ik daar getuige van mocht zijn. Of Beatrice die me vertelde dat ze, ondanks haar verlamming, nog steeds alles zelf kan (en met een zachtere stem: ‘ook vanachter hé, afkuisen’). Héloïse die haar kat mist waar ze dan maar een replica van heeft laten maken en trots lachte wanneer ik daar weer eens van schrok. Of Julia die mij dagelijks, pagina per pagina, de schone jongens aanwees in de krant.

Een van mijn voornaamste taken in het woonzorgcentrum was eten geven aan mensen die dat zelf niet meer konden. De bewoners zaten intussen al twee weken afgezonderd in hun kamer. Op een middag gaf ik Maria te eten. Tussen het happen door (eten gaat best traag als je ouder wordt) keek ik rond en zag familiefoto’s met plakband op de kast gekleefd. De familie keek mij aan terwijl ik de gemixte witloof met hesp en kaassaus in de mond van Maria stak. Ik dacht: stel dat ze mij nu zouden kunnen zien van op die foto’s. Hoe ik hun moeder of grootmoeder te eten geef. Alles is te koop. Mensen kunnen mensen betalen om hun geliefde eten te geven en kijken dan toe van op een foto. Ik vroeg me af of ik later ook met plakband op een kast zou kleven en toekijken. En of dat erg zou zijn. Ondertussen miste ik mijn eigen oma, die ik nu al negen maanden via een klein schermpje zie.

De dagen werden buiten korter maar de uren binnen langer (net zoals dat gaat bij het repeteren voor een theatervoorstelling wanneer je steeds dichter bij de première komt). Tijdens die lange uren heb ik me vaak afgevraagd hoe onrechtvaardig het is dat één sector zijn schouders onder deze crisis moet zetten. Een crisis die toevallig veroorzaakt wordt door een virus en gezondheidszorg dus belangrijk is. Zeker op de plekken waar de mensen het zwakst zijn (zoals op de gesloten afdeling voor mensen met dementie waar ik de laatste drie weken stond). In het woonzorgcentrum was het virus dag na dag te aanschouwen vanop de eerste rij. De voorzorgsmaatregelen die het zorgen net moeilijker maakten: een drukkend masker, een warm schort, onhandige handschoenen. Het onvermogen om de mensen te geven wat ze verdienen: vreugde en gezelschap. Het voortdurend ultra alert zijn uit angst om jezelf en daardoor ook je geliefden (thuis) te besmetten. Het personeel dat niet kon rouwen om mensen die zijn achtergebleven omdat er gewoon geen tijd voor was. Tijdens de korte dagen buiten, op de fiets naar huis, heb ik beseft dat het meemaken van het virus van zo dichtbij anders is dan telewerken (thuis) vanop de achtste rij. Ik was al uitgeblust na enkele weken. Wat moet het dan zijn voor mensen die dit al bijna een jaar doen? Het neigt naar het ondraaglijke. En net daarom begon ik te focussen op de details. De bewoners werden personages die het woonzorgcentrum kleuren. Omdat ze mijn aandacht trokken bij het draaglijk maken van een (te) grote realiteit.

Zoals wanneer Jacqueline dacht dat haar kinderen in de vuilnisbak zaten (vermomd als boterhammen) en dat we toen maar samen kruimels hebben verzameld in de eetzaal (als voedsel voor de boterhammen). Of Paula die mij steeds Mark noemde en zei dat ik haar eten in de kelder mocht zetten. Jan die nu al weken zonder tanden leeft en mij vol verlangen de post-it op zijn nachtkastje liet zien: 22 december, de afspraak voor zijn nieuw gebit. Roger die zegt dat ze, als het van hem afhing, de apotheker mogen doodschieten omdat hij de pillen in zakjes steekt die niemand open krijgt. Tilda die mij keer op keer ‘zoetje’ noemt wanneer ik haar kom wekken voor het ontbijt. Fons die had geknuffeld met zijn vrouw tijdens een bezoek (ook gezoend) terwijl hen dat absoluut werd afgeraden. Daarna bleek hij een superverspreider. Nu is hij er niet meer. Luciane die enkel nog kon spreken met haar ogen en zeker wanneer ze haar dessert in haar mond gelepeld kreeg. Of toen ik uit gewoonte sandwichen had gesmeerd voor Solange die twee dagen daarvoor was overleden. Andere Maria die twee foto’s op haar tafeltje bewaarde en bij iedere foto een gebaar maakte: bij die van haar zoon beweegt ze haar arm over haar nek, zelfmoord (dan trekt ze grote ogen). Bij de andere foto, haar schoondochter, is het dezelfde beweging maar sneller en over haar onderarm, een zaag (dan schatert ze). Ik had Maria graag en hoorde dat ze er sinds kort niet meer is, ik werkte toen al op de gesloten afdeling en had haar graag nog goeie reis gewenst.

Vijf coronatests door drie verschillende dokters (sommige personages negentien keer), gemiddeld drieëndertig keer per dag handen ontsmetten, oud vel, eenzaamheid, vloeibaar voedsel, trauma’s, schlagers, pilletjes geplet tussen een boterham, valse tanden, paarse aders, decafeïne koffie, steriele handschoenen, seksisme, weinig buitenlucht, grijstinten, grote enge paarden poster aan de ingang, rollators op een rij voor de lift. Het hadden de details voor het decor van een voorstelling kunnen zijn. Maar dit is geen fictie.

In de week waarin de angst het grootst was en er ook de meeste doden vielen, was de nood aan fictie zo sterk dat ik voortdurend werd afgeleid (al deden mijn handen nog precies de taken die ze moesten doen). Ik zag beelden in de eetzaal die zo treffend waren dat het leek alsof ze door een regisseur waren geënsceneerd. Ik dwong mezelf om grappen te onthouden die ik zelf nooit bedacht zou hebben. Ik zag composities van oude dunne beentjes en rollators die perfect samenvielen met de muziek die net op de radio speelde (in theater moeten we daar soms weken naar zoeken). Ik probeerde te incorporeren hoe mensen elkaar aanraakten, wandelden en met elkaar spraken, misschien om ooit te kunnen gebruiken als voeding voor een personage. Ik werkte extra snel zodat ik minstens een kwartier per dag naar een bewoner kon luisteren en deeltjes kon opvangen van een levensverhaal (de meeste waren intens pijnlijk, sommige ook mooi). Iedere dag was een repetitie, letterlijk, alles hetzelfde en opnieuw. Alleen gebeurde er niets. Het werd niet beter, mooier of meer gestroomlijnd. Er was geen ontlading of een glas cava achteraf. Geen zucht van opluchting dat het dan toch al het zweet en de tranen waard was geweest. De bevestiging dat we iets moois gemaakt hadden, kwam er niet. Er was geen applaus. Er was ook geen publiek of een première. Er waren geen personages en niemand deed alsof. Het enige wat er wel was, is dat we na zes weken repeteren met veel minder spelers waren overgebleven.

Dit is geen fictie en dit is geen voorstelling. Dit is geen theater. Dit is realiteit. Een te grote realiteit die weinig aan de fantasie overlaat waardoor ze hard binnenkomt. Ik heb gehuild (thuis). Ik heb gedacht dat ik niet meer verder kon doen (thuis). Mijn lief heeft voor het eerst mijn haar gewassen (thuis). En soep gemaakt (thuis). Ik kreeg een aftelkalender (thuis). Ik heb uren muziek geluisterd (thuis). Ik heb dutjes gedaan (thuis). Ik heb twee keer gedacht dat ik nu echt wel besmet zou zijn (thuis). Op een dag na een shift kwam ik thuis en begon ik neer te schrijven wat ik had gezien.

Dat er geen publiek was vond ik een gemiste kans. Ik wou dat mensen zagen hoe we daar waren. Ik hoopte dat een van mijn vrienden opeens in de tuin voor het raam zou staan zwaaien en dat die de onophoudelijke kerstmuziek even ironisch zou vinden als ik. Of dat ik iemand voor een dag heel klein kon maken en meenemen in het borstzakje van mijn kostuum. Of dat er een nieuwsploeg kwam, die minutieus vastlegde hoe ik, op een veilige plek in de buitenlucht, de maskers een voor een aflegde, in minder dan twee minuten een koffie naar binnen goot en moest huilen omdat de zon zo mooi opkwam en ik haar warmte voelde in de afdrukken die het masker in mijn gezicht had gemaakt. Ik wenste dat iemand in het publiek op een dag was opgestaan en had gezegd: vandaag om 11:45 uur is de lunch niet stipt maar gaan we samen in een kring staan en zingen we een lied.

Hoe dichter we bij Kerstmis kwamen, hoe korter de dagen buiten werden en hoe langer de uren binnen. Tijdens die lange uren in het woonzorgcentrum heb ik me vaak vragen gesteld over het verbinden van twee realiteiten. En hoe we onze verschillende realiteiten (hoe groot of hoe klein die ook zijn) vaker en beter met elkaar moeten verbinden omdat ik denk dat we dat met z’n allen veel te weinig doen. Om te ervaren hoe het daar is, in een andere realiteit. En hoe het soms gebeurt dat je de tools van de ene kan gebruiken om een andere beter te begrijpen. Hoe minder verbeelding er was in het centrum, hoe meer ze zich plots zichtbaar maakte. Hoe desastreuzer de sfeer, hoe opvallender de details werden. Hoe groter de realiteit was, hoe meer er theatrale grond ontstond. Het was geen fictie want ik moest niets verzinnen. Alles was er al. Het moest alleen aandacht krijgen. Hoe onoverkomelijk, banaal, tragisch, bedoeld of onbedoeld een realiteit ook is, soms helpt het om te focussen en te letten op de details.

Ik wilde de uitkering vooral om te kunnen blijven creëren. Om te doen waar ik voor opgeleid ben: theater maken en spelen. Om de focus te kunnen verleggen en de details te kunnen zien. Ik had nooit kunnen voorspellen dat deze twee realiteiten elkaar zouden helpen: werken in de zorg om theater te kunnen blijven maken en theatrale verbeelding gebruiken om te kunnen blijven zorgen. Vanaf 2021 heb ik recht op een uitkering. En een kunstenaarsstatuut. Het voelt alsof ik een gouden ticket gewonnen heb. Eentje dat toegang verschaft tot de verbeelding en begint op 4 januari 2021.

Laten we samen blijven verbeelden (er zijn nog tickets), elkaars realiteiten bezoeken en met de grootst mogelijke zorg aandacht hebben voor elkaar. Gelukkig nieuwjaar!

 

(Laat die rollen als verpleegster maar komen).

 

 

*De namen van de bewoners zijn fictief, uit respect voor hun privacy.

Creative Commons

take down
the paywall
steun ons nu!