Bron: PxHere / Public Domain
Opinie - Helena Dalemans, RITCS

Het coronavirus als ‘Zoönose’

Helena Dalemans, masterstudente aan het Royal Institute for Theatre, Cinema and Sound (RITCS) te Brussel, laat haar licht schijnen op de coronacrisis vanuit de begrippen zoönose en speciësisme en fileert en passant onze voedingsindustrie voor de cursus ‘Filosofie: onderzoek’ van Lieven De Cauter, in het kader van ‘Politics in pandemic times. Fourth RITCS Symposium on Art and Politics’.

maandag 14 december 2020 15:22
Spread the love

 

December 2019 in Chinese stad Wuhan. Tal van mensen werden plots ziek met symptomen van een longontsteking. De ziekte Sars-Covid werd vastgesteld. Een groot deel van de besmette patiënten hadden de beruchte “wet markets” bezocht, waar dieren zoals katten, kippen, honden, maar ook exotische dieren zoals slangen en vleermuizen geslacht en verkocht worden. Het idee om wilde dieren te eten ontstond in de Chinese volkskeuken door een grote hongersnood in 1960. Mensen doodden allerlei soorten dieren om te eten, uit gebrek aan ander voedsel. Zo ontstond de traditie om alles wat leeft te slachten en te eten.

De consumptie van exotische dieren is levensgevaarlijk omwille van het grote risico op bacteriën en virussen, en meer specifiek zoönosen: ziektes die overgaan van dier op mens. Zoönosen zijn niks nieuws, ze vormen al gedurende de hele geschiedenis van de mens een bedreiging. Bijna 70 procent van alle menselijke infecties komen oorspronkelijk van andere diersoorten. Wat wel nieuw is, is de alarmerend hoge snelheid waarmee nieuwe zoönosen opduiken. En dat heeft alles te maken met de destructieve manier waarop wij als mens met de natuur omgaan.

Er werd na het ontdekken van COVID-19 vanuit heel de wereld met de vinger gewezen naar China

Maar zoals zo vaak het geval is kijken mensen niet verder dan hun neus lang is. Het is makkelijk om de schuld bij een ander te leggen, zodat je zelf niet naar je eigen aandeel in de verantwoordelijkheid moet kijken. Want door een stuk vlees te eten, draag je zelf ook onrechtstreeks bij aan de potentiële verspreiding van ziektes. Begin 1990 werden honderdduizenden koeien in Groot-Brittanië ziek omdat ze meel gevoederd kregen waarin kadavers van zieke schapen en koeien verwerkt zat. Miljoenen koeien moesten afgeslacht worden, en intussen hadden ook al mensen vlees van zieke koeien gegeten. In 1997 was er paniek rond de vogelgriep, toen bleek dat het griepvirus in staat was van pluimvee op mensen over te springen. In 2014 brak de zoönose ebola uit, met een dodental van meer dan 11.000 mensen. Ook de bekende ziekte door de Salmonella-bacterie is een zoönose, die in België per jaar gemiddeld 175 mensen het leven kosten. In sub-Sahara-Afrika daarentegen wordt het jaarlijks dodental geschat op meer dan 600.000. En nu is er COVID, die wereldwijd al meer dan een miljoen mensen het leven kostte.

Onze eetgewoonten en de voedselindustrie als grote boosdoeners

Waarom hebben wij dan nog steeds niets bijgeleerd? We weten dat massa’s dieren bijeen gepropt in een gesloten ruimten een broeihaard zijn voor bacteriën, en toch is dat exact hoe de industriële veeteelt dieren voor menselijke consumptie de dag van vandaag houdt. Grote hoeveelheden vee worden samengeperst in megastallen, waardoor een infectie zich makkelijk kan verspreiden. De industriële veeteelt en visteelt heeft hier zelf een zogezegde “oplossing” voor gevonden; antibiotica. De helft van alle antibiotica ter wereld wordt vandaag gebruikt in de veehouderij.

In theorie zijn er strenge regels op het gebruik van antibiotica, maar in realiteit worden die niet vaak nageleefd. De antibiotica in dierlijke producten zijn niet alleen rechtstreeks schadelijk voor onze gezondheid, maar er is een groter probleem; door het massaal gebruik ervan worden steeds meer bacteriën resistent tegen antibiotica. Deze superresistente microben kosten jaarlijks tal van mensen het leven.

Naast zoönosen en resistente bacteriën, brengt de veeteelt nog meer gevaren met zich mee

De productie van veevoeder kan ervoor zorgen dat er toxische stoffen in de voedselketen terechtkomen. Zo was er in 1999 een schandaal in België, toen bleek dat een kankerverwekkende stof – dioxine – terecht was gekomen in diervoeder, en zo dus ook in dierlijk vlees, zuivelproducten en eieren. Miljoenen dieren moesten vernietigd worden, en intussen hadden al tal van mensen producten met de kankerverwekkende stof geconsumeerd.

Een zeer grote factor in het verspreiden van zoönosen, is de ontbossing van tropische regenwouden. Elke seconde worden er 169 bomen uit tropische regenwouden gekapt. Veeteelt staat in voor 65% van de ontbossing van het Amazonewoud. Doordat wilde dieren steeds meer hun natuurlijke habitat kwijtraken, komen ze meer en meer in contact met mensen. Het overspringen van virussen op mensen gebeurt opvallend vaak aan de rand van tropische wouden; gele koorts, malaria, en ebola zijn ziektes die werden overgedragen aan de rand van het bos.

Als we zo blijven doorgaan met het uitbuiten van dieren en het aantasten van hun habitat, zullen er nog tal van nieuwe ziektes opduiken

Waarom draait de wereld gewoon op deze manier door, terwijl er al zo veel slachtoffers door gevallen zijn? Het antwoord is simpel: geld. Het doel is niet om het gezondste voedsel te leveren, maar het voedsel dat het meeste winst oplevert. De vlees-en visindustrie hebben jaarlijks een immense omzet. En daar hebben wij als consument een groot aandeel in. Een gemiddelde Belg verorbert in zijn leven naar schatting 1800 dieren (891 kippen, 789 vissen, 42 varkens, 7 schapen, 5 runderen, 24 konijnen, 43 kalkoenen en een derde van een paard). Per jaar peuzelen alle Belgen samen 247 miljoen dieren op. 247 miljoen dieren. Alleen Belgen. Op één jaar.

Tal van wetenschappers en onderzoeken hebben al aangetoond dat een kleinschalige en ecologische landbouw niet alleen een oplossing biedt voor de klimaats- en biodiversiteitscrisis, maar ook voor de volksgezondheid. En toch blijven regeringen het grootschalig industrieel model van voedselproductie ondersteunen en promoten. Een heel recent voorbeeld hiervan: onlangs, op 20 oktober, was er in het Europees Parlement een belangrijke stemming over het landbouwbeleid. Ze verwierpen de voorstellen van de milieucommissie om subsidies voor megastallen te verlagen of om de financiering voor milieumaatregelen fors op te trekken. Het is duidelijk dat de landbouw drastisch moet veranderen om de klimaatscrisis te kunnen aanpakken, en toch willen ze ons nu weer jarenlang opsluiten in het huidige destructieve model. Hiermee hebben ze het doodsvonnis getekend voor kleinere boerderijen, en voor de natuur.

Toch hoeft het geen verloren zaak te zijn. Het begin van verandering zal bij onszelf moeten liggen. De veeteelt produceert een enorm aanbod, omdat er een enorme vraag is. Door minder vlees te eten, daalt de vraag. En daalt de vraag, dan daalt het aanbod. Het klinkt simpel, en dat is het eigenlijk ook. Iedereen zou zijn steentje kunnen bijdragen door minder dierlijke producten te consumeren. Je hoeft daarom niet met volle overtuiging vegetariër of veganist te zijn. Alle beetjes helpen, en veel handen maken licht werk.

Natuurlijk is er ook een bewustwording vanuit de vleesindustrie zelf nodig. De Boerenbond liet onlangs weten dat ze boos was omdat er in de serie Familie een personage veganistische broodjes verkoopt. In het Europees Parlement werd op 19 oktober gestemd over een verbod om vegetarische producten te laten refereren naar dierlijke producten, want de vleesindustrie was boos omdat de termen “vegetarische burger” of “vegan worst” misleidend zouden zijn voor de consument. Dit zijn de discussies die in het Europees Parlement gevoerd worden, te midden van een pandemie die rechtstreeks en onrechtstreeks gelinkt is aan dierlijke consumptie. En dat terwijl juist de vleesindustrie zelf de koning van misleiding is: op de verpakkingen staan dieren te grazen in groene weilanden terwijl ze in realiteit nooit een sprietje gras zien, over de impact op het milieu reppen ze met geen woord, de gezondheidsrisico’s hoeven niet op de verpakking vermeld te worden.

Ooit werd geloofd dat tabak goed zou zijn voor de gezondheid, het werd ook zo gepromoot door zelfs dokters. Maar toen de gevaren bekend raakten, mocht het niet langer als gezond product gepromoot worden en moesten de gezondheidsrisico’s verplicht op de verpakking vermeld worden. Bij dierlijke producten zijn de gevaren voor de gezondheid al lang bekend, en toch wordt het geaccepteerd dat de industrie er in alle talen over zwijgt. Als de vleesindustrie verplicht zou worden om de impact op gezondheid en op milieu te vermelden op de verpakking, in plaats van de misleidende manier waarop het nu gepromoot wordt, zou de consument zich veel meer bewust worden van wat hij eet, en zelf de keuze hebben om hier verantwoorde beslissingen in te maken.

Einde van het ‘speciësisme’: beginnen met een nieuwe levenswijze

Een volgende stap is een einde maken aan speciësisme. De term “speciësisme” werd bedacht door de Australische filosoof Peter Singer. ‘Speciësisme’ is de levensovertuiging van de mens dat de levens en ervaringen van andere dieren inferieur zijn aan die van mensen, simpelweg omdat ze van een andere soort zijn. Het ondermijnt de realiteit dat dieren net als mensen pijn, plezier, angst, eenzaamheid en liefde kunnen voelen. In zijn boek Animal Liberation strijdt Peter Singer ervoor om dieren het recht te geven om vrij van leed en uitbuiting te leven.  Indien er een einde gemaakt wordt aan speciësisme, heeft dit automatisch als gevolg dat het aantal dieren dat geproduceerd wordt voor menselijke consumptie, drastisch zal verminderen.

Deze overtuiging hangt samen met het volgende werkpunt voor de mensheid: we moeten terugkeren naar het gegeven dat niemand eigenaar is van de aarde. De relatie tussen menselijke arbeid en natuur moet hersteld worden, in plaats van dat het een het ander domineert. Enkel op die manier kunnen we de aarde in goede staat doorgeven aan de volgende generaties. Deze mentaliteitsverandering zal niet van de ene op de andere dag kunnen plaatsvinden. Integendeel, er zullen enkele generaties overheen moeten gaan. Daarom is het belangrijk dat we nu al de impact van verandering aan de jongere generaties bijbrengen, en idealiter gebeurt dit al in het lagere en middelbare onderwijs, een belangrijke vormingsfase voor jongeren. Een verplicht vak rond ecologie en milieu is minstens zo belangrijk als wiskunde of taalvakken. Eigenlijk zelfs belangrijker, want het betreft iets wat de hele wereld aangaat. Met taal- en wiskundekennis ben je niks als er geen wereld is om die kennis in te gebruiken.

Een volgende werkpunt is het actief tegengaan van voedselverspilling. Naar schatting wordt 1/3 van al het geproduceerd voedsel weggegooid. De verantwoordelijkheid hiervoor ligt bij elke schakel van de keten: bij de producent, de winkel, en de consument. Opnieuw begint de verandering hier dus bij onszelf. Indien er minder voedsel verspild wordt, wordt het aanbod dat er momenteel is nuttiger benut, waardoor de vraag naar meer vanzelf zal verlagen, wat er weer voor zorgt dat het aanbod kan verkleinen, enzovoort. Het is een vicieuze cirkel, alleen moeten wij zelf het begin van die cirkel in gang zetten. Ook lokaal kopen heeft op veel vlakken een impact. Niet alleen is er zo minder uitstoot door transport en moeten er in andere landen minder goedkope werkkrachten aan lage lonen worden ingezet, ook houden de boeren meer winst over aan hun product. Die winst kunnen ze gebruiken om te investeren in andere, ecologischere manieren van voedselproductie.

De huidige Covid-crisis heeft wereldwijd een hoge tol geëist. Maar wetenschappers zijn hoopvol dat deze pandemie onze ogen kan openen. Het is iets typisch menselijk dat er eerst een ramp nodig is, vooraleer wij mensen tot inzicht komen. Het is te hopen dat er nu preventief actie ondernomen wordt, vooraleer de volgende zoönosen weer een pandemie kunnen veroorzaken. De impact die wij hebben op de natuur, en vice versa, is niet te onderschatten. Alle verandering begint bij onszelf. Door zelf als enkeling kleine stappen te ondernemen, heeft dit uiteindelijk een sneeuwbal-effect op de hele industriële vleeslobby. Van daaruit wordt de sneeuwbal een lawine die een drastische ommekeer met zich meebrengt op vlak van milieu én volksgezondheid; minder ontbossing, minder verspreiding van zoönosen, reduceren van ziektes verbonden aan dierlijke consumptie zoals hart-en vaatziekten, een beter dierenwelzijn, en algemeen een betere zorg voor de planeet waar wij allemaal op leven.

 

Helena Dalemans, Masterstudente RITCS, laat haar licht schijnen op de coronacrisis vanuit het begrippen zoönose en speciësisme en fileert en passant onze voedingsindustrie voor van de cursus ‘Filosofie: onderzoek’ van Lieven De Cauter, in het kader van ‘Politics in pandemic times. Fourth RITCS Symposium on Art and Politics’.

Meer bijdragen over Politics in pandemic times op https://www.ritcs.be/nl/agenda/symposium-politics-pandemic-times

Creative Commons

take down
the paywall
steun ons nu!