Narciso Ibáñez Serradors ¿Quién puede matar a un niño?: Waanzin in de kinderspiegel

“Het lijkt een slasher maar het is een metafysische, existentiële horrorfilm”, zegt De Belgische cineast Fabrice du Welz in zijn intro bij het Spaanse ¿Quién puede matar a un niño? op de sublieme Blu-ray met de absurde Franse releasetitel Les révoltés de l’an 2000. De inspiratiebron voor Vinyans aardekinderen blijft een transgressief meesterwerk getekend Narciso Ibáñez Serrador. Een filmmaker die in eigen land gold als ‘de Spaanse Alfred Hitchcock’, even in de vergetelheid belandde maar nu herontdekt wordt omwille van de kracht, de urgentie en de actualiteit van zijn seventies klassieker.

maandag 2 november 2020 12:30
Spread the love

 

¿Quién puede matar a un niño? heeft veel mensen gechoqueerd door zijn intensiteit”, zegt regisseur Narciso Ibáñez Serrador, “maar mij niet. Het standpunt dat ik inneem schandaliseert me niet. Ik identificeer me met wilde kinderen in een gekke wereld.” Tijdens de jaren 70 schreef Amos Vogel over ‘Film als taboe-breker’ en trachtten cineasten vaak de grenzen van stijl en inhoud, van smaak en fatsoen, te verleggen. Geprikkeld door moraalridders die krampachtig op de rem gingen staan en laverend tussen provocatie en plezier gaven filmmakers hun verbeelding vrij spel. Het leverde intense films, andere cinema, op.

¿Quién puede matar a un niño?

De seventies waren de wonderjaren van Salò o le 120 giornate di Sodoma (Pasolini), L’empire des sens (Oshima), Angst essen Seele auf (Fassbinder), Tout va bien (Godard), Last Tango in Paris (Bertolucci), Cet Obscur Objet du Désir (Buñuel), Ceddo (Sembène), The Brood (Cronenberg), Professione: Reporter (Antonioni), Bring Me the Head of Alfredo Garcia (Peckinpah) én ¿Quién puede matar a un niño?. Serradors horrormysterie uit 1976 mag dan minder bekend zijn, het blijft ruim 40 jaar later een mokerslag en een fraai staaltje intense cinema.

De Spaanse Hitchcock

Narciso Ibáñez Serrador (1935-2019) werd geboren in Uruguay maar groeide in Spanje uit tot een legende. “Het is onmogelijk om Spanjaard te zijn en Serrador niet te kennen”, aldus Paco Plazza ({REC}). “Voor een groot deel van onze generatie staat ‘Chicho’ voor de angsten van onze kindertijd”, vult J.A. Bayona (El orfanato) aan. Terwijl Guillermo del Toro (El labirinto del fauno) wijst op “zijn blijvende invloed op de Spaanstalige horrorfilm.” Serrador was, dixit Bayona “naast een groot cineast ook een icoon van de Spaanse cultuur.” Spanjaarden zagen hem als een ‘showman’, iemand die met veel verve familieprogramma’s voor televisie (o.m. Un, dos, tres) maakte, entertainde met de serie Historias para no dormir, grossierde in tv-films en horrorklassiekers als The Incredible Shrinking Man en The Fly voorstelde in zijn filmprogramma. “Serrador is televisie”, stelt Plazza, “hij is de Spaanse Hitchcock.”

Uiteindelijk zou Chicho maar twee speelfilms maken. De mysterieuze gotische thriller La Residencia (1969) en het overweldigende gruwelsprookje ¿Quién puede matar a un niño? (1976). “Ik heb het altijd een verlies voor cinema gevonden”, benadrukt DoP José Luis Alcaine terwijl volgens Bayona “film zo een auteur mis liep.” Serrador vond het zelf ook jammer, “maar ik kon het geduld niet opbrengen om jaren aan projecten te duwen.” Komt daarbij dat alhoewel zijn beide films kritisch en commercieel prima scoorden, het voor perfectionist Serrador moeilijk werd toen midden jaren 70 de Spaanse B-film markt (spaghettiwesterns, horror en soft-core films) instortte. Met La Residencia (somptueuze decors, Cinemascope) had hij zich immers artistiek veeleisend getoond terwijl het compromisloze ¿Quién puede matar a un niño? allerminst mainstream was. De filmindustrie zat niet te wachten op een eigenzinnige auteur en Serrador voelde zich comfortabel als televisie maestro.

¿Quién puede matar a un niño?

Kleine en grote monsters

“Ik ontdekte wat angst is dankzij Serrador”, bekent Bayona, verwijzend naar de horrorfilms die hij elke maandagavond losliet op de Spaanse huiskamers. Angst die Serrador in zijn eigen werk niet verbond met schrikeffecten maar met gruwel en perversie. La Residencia, dat speelt in een afgelegen kostschool waar verdwijningen verbonden zijn met moord (wat Argento hernam in Suspiria), toont een schijnbaar onschuldige wereld die corrupt en pervers blijkt, gedreven door sado-masochistische, necrofiele en morbide impulsen. “De blik van de regisseur is er pervers”, stelt Jaume Balagueró (Los sin nombre), “terwijl ¿Quién puede matar a un niño? gaat over perversie. Het is een wrede film over de jeugd waar moord een dagelijkse activiteit is voor kinderen.”

Na een gesprek met schrijver Juan José Plans ging Serrador, nog voor de publicatie van El juego de los niños, aan de slag met twee horror ingrediënten: waanzinnig geworden kinderen én twee volwassenen op een geïsoleerd eiland. Zijn scenario verschilt van het boek. “Daar worden de kinderen aangezet om zich tegen de volwassenen te keren door een geel poeder dat over het dorp valt”, zegt Serrador, “een nogal absurd fantastisch element. Mijn film gaat meer over de rebellie van de kinderen.” ¿Quién puede matar a un niño? opent in een badstad waar aanspoelende lijken de feestpret niet verstoren. Britse toeristen, Tom en zijn zwangere vrouw Evelyn, zoeken de rust van een afgelegen eiland op. De straten zijn quasi leeg op introverte kinderen na.

Dat verontrust het koppel niet. Totdat die kids gewelddadige sadisten blijken, claustrofobische angstgevoelens overnemen en de overlevingsstrijd leidt tot een moreel dilemma: doden of gedood worden. De (titel)vraag wie een kind kan doden wordt acuut wanneer een machinegeweer binnen handbereik komt. Maar het is perceptie die fataal wordt. Vanop afstand lijken de kleine monsters tijdens een worsteling op een aangemeerde boot slachtoffers. Ordehandhavers maken een foute inschatting en zetten ongewild de kinderen op weg naar het vasteland. “Er zijn veel kinderen in de wereld”, zegt een van hen, “heel veel.” De dystopie wenkt.

¿Quién puede matar a un niño?

Transitie en trauma’s

¿Quién puede matar a un niño? is even intrigerend als extreem. Even fascinerend als weerzinwekkend. Kinderen met een verbrijzelde schedel of bij wie bloed uit kogelwonden gutst, het is geen alledaagse filmkost. Net als het beeld van een man die geconfronteerd met een posse kinderen de trekker van zijn machinegeweer overhaalt. Het zijn ‘Oh My God!’-momenten uit een tijdperk waar status quo niet hersteld diende te worden door (super)helden, drama complexer was dan een goed vs. kwaad conflict en dubbele bodems bijna standaard waren. Zeker in Spanje waar volgens du Welz “filmmakers niet enkel vaak balanceerden op de grens van realisme en fantastiek maar ook het gebeuren situeerden in een socio-economische en politieke context. Mensen als Victor Erice (El espíritu de la colmena), Carlos Saura (Cria Cuervos) en Narciso Ibáñez Serrador.”

Cinema was voor hen een vervormde spiegel die weergaf wat verdrongen werd en toeliet om een cryptische onderstroom toe te voegen. Doordat Serrador afzag van verklaringen waren diverse interpretaties mogelijk. De Spaanse releasedatum viel tussen de dood van dictator Franco (1975) en de Amnestiewet (1977) die de overgang naar een parlementaire democratie, de Transición, trachtte te faciliteren door politieke misdaden uit het verleden ‘te vergeten’ (critici zagen het ‘pacto del olvido’ als een collectief geheugenverlies). Alhoewel de film onmogelijk een melancholische of verbitterde terugblik kon zijn op de transitieperiode is er iets te zeggen voor de stelling dat Serrador de worsteling van dit tijdsgewricht – de vragen naar geheimen, herinnering en verwerking, bestraffing en loutering, geweld en rouw – en het klimaat van malaise en onzekerheid erin verwerkt heeft.

¿Quién puede matar a un niño?

Het koppel blijft lang blind voor de gruwel om dan te twijfelen over de opties. Wegvluchten of bestrijden? Vergeten of ontmaskeren? Het dilemma van Tom gaat verder dan de morele vraag of hij een waanzinnig kind mag/moet doden. Men kan het kind immers zien als product en slachtoffer van een gekke (volwassenen) wereld en het geweld als een reactie, een opstand die de brutale beschaving vernietigt. Waarbij de kinderen moderne versies van Buñuels vergeten kinderen (Los Olvidados) worden en het net de herhaling van geweld is die loutering oplevert. Of dit extreem sprookje inderdaad een bespiegeling over transitie en trauma was heeft Serrador nooit willen bevestigen maar zijn knipoog naar twee franquistische filmgenres (Noticiero Documental en toeristische film) legt toch een link naar de geschiedenis.

Geperverteerde onschuld

Volgens DoP Alcaine beoogde Serrador “een kruising tussen Night of the Living dead en The Birds.” Ze besloten af te zien van de typische expressionistische horrorfotografie en een normaliteit te suggereren die plots doorbroken wordt door iets vreemd. Vandaar het gebruik van daglicht en natuurlijke kleuren terwijl ‘gewone’ kinderen de plaats van lelijke monsters innemen. Door een piñata, een opgevulde gekleurde pop vaak gebruikt om geesten te verjagen, te vervangen door een aan zijn benen opgehangen man, creëerde Serrador een gruwelijke scène. Versterkt door het contrast tussen de wonden van de volwassene en het plezier van de met stokken slaande kinderen. “Voor hen is het een spel,” zegt Serrador, “ook al is het een macaber spel.”

¿Quién puede matar a un niño?

De cineast evoceert een rebellie van kinderen, voor hem “de belangrijkste slachtoffers van evenementen die wij volwassenen bewust of onbewust veroorzaken. Of het nu gaat om oorlogen, bombardementen of hongersnood; de slachtoffers zijn altijd kinderen. Geweld en boosaardigheid zijn volgens mij aangeboren. Het is aan volwassenen om er over te waken dat die neigingen niet groeien en goede instincten triomferen.” Hij illustreert dit door te openen met historische gruwelbeelden (Vietnam, Dachau). Maar “ik had deze documentaire-beelden aan het einde moeten plaatsen om aan te geven dat de grootste vijand voor de kinderen vandaag oorlog is, een oorlog die het werk is van volwassenen. Zo had ik kunnen zeggen: ‘Kijk, de kinderen wreken zich, ze verdedigen zich tegen hun vijand.’ Wie is de vijand? De volwassene. Wanneer kinderen een andere soort waren dan de onze, zouden ze zich misschien verdedigen, zoals mieren dat doen.”

¿Quién puede matar a un niño? is gedrenkt in angstaanjagende wreedheid en bevat beelden die op ons netvlies gebrand blijven. Zoals de verschijning van de kinderen op een berg achter de rug van een vrouw, net als indianen in een western. “Chicho gebruikt kinderen metaforisch, als symbolen van de puurheid van moeder aarde en de essentie van menselijke goedheid, om volwassenen te laten betalen voor het vernietigen van die goedheid”, aldus Plaza, “het is als een Bijbelse plaag. Kinderen, de zuiverste wezens, beginnen te doden omdat volwassenen de wereld bezoedeld en vernietigd hebben. Het is een vorm van poëtische gerechtigheid.”

¿Quién puede matar a un niño?

Mysterie en malaise

Voor Bayona gaat het om de vraag “wat er zou gebeuren wanneer kinderen er genoeg van hebben om slachtoffers te zijn en beulen worden. Niemand zegt dat wat ze doen goed of slecht is, hun actie is ook zomaar niet naar de realiteit over te brengen. In tegenstelling tot Amerikaanse films die draaien rond helden creëert Serrador identificatie met de zwakkeren en met de menselijkheid van hun reacties. Iedereen begrijpt waarom de kinderen zo ageren. Ook al worden de redenen voor hun gedrag nooit uitgelegd.” Het ontbreken van verklaringen vormt de kracht van de film.

Ambiguïteit dient om dingen te suggereren, om de kijker te laten nadenken in plaats van hem bij de hand te nemen. Wanneer Tom een van de kinderen vraagt “Waarom? Waarom heb je dat gedaan?”, krijgt hij enkel een hysterische lach als antwoord. Geen uitleg of verantwoording. De volwassene wordt er gek van. Volwassenheid draait immers rond het opgeven van het irrationele, onverantwoordelijke, spontane, instinctieve, kinderlijke. Door het absurde, de verwarring en chaos te omarmen en niet alles te duiden (Tom geraakt niet verder dan “een soort waanzin” om het gedrag van de kinderen te plaatsen) bewaart Serrador het mysterie. En vergroot hij de angst en vertwijfeling.

¿Quién puede matar a un niño?

“Hij heeft het op mij gemunt”, roept Evelyn vertwijfeld over haar ongeboren kind. Een extreme moedermoord, een killer foetus die remakes in de weg stond. Veel taboes zijn in politiek correcte tijden immers nog versterkt. ¿Quién puede matar a un niño? blijft dan ook urgente, subversieve cinema. Narciso Ibáñez Serrador gebruikt een Spaanse traditie van transgressie, dubbele bodems en picareske humor om beulen en slachtoffers, kinderen en volwassenen, van plaats te wisselen en de wereld op zijn kop te zetten. Een nazinderende manier om aan te geven dat de wereld gek is en dat via erkenning van het verdrongene een eerste stap naar het uitzieken van de malaise gezet wordt.

 

Citaten uit de Blu-ray extra’s.

¿Quién puede matar a un niño?

 

¿QUIÉN PUEDE MATAR A UN NIÑO? (Les révoltés de l’an 2000); regie Narciso Ibáñez Serrador, Sp 1976, 112′; scenario Narciso Ibáñez Serrador geïnspireerd door Juan José Plans; met Lewis Flander, Prunella Ransome, Antonio Iranzo, Marisa Porcel; FILM: **** / EXTRA’S: **** (intro Fabrice du Welz, interview Serrador, interview DoP José Luis Alcaine, documentaire Serrador, documentaire Spaanse fantastische film); dis. Carlotta Films. (FR).

 

 

Creative Commons

dagelijkse newsletter

Unite Talks: Mohamed Barrie

This interview is one to to take your time for! 🙏 🔆 45 minutes of Mohamed Barrie!🔆 💥 Mohamed is a dedicated social worker, organizer and advocate for veganism. He shares his view on structural racism, power, exclusion and veganism. 🌏 Based on his own experiences he shines a new light on the vegan movement and on the role of racism within these movements. 〄 PS: We just started doing these interviews, so feedback is much appreciated!

Geplaatst door u:nite op Dinsdag 20 oktober 2020

take down
the paywall
steun ons nu!