Analyse -

‘Defund the police’: hebben we de politie eigenlijk wel nodig?

‘Defund the police’ is één van de meest gehoorde en geziene slogans van de opstand in de VS. Maar wat betekent het precies?

donderdag 23 juli 2020 14:56
Spread the love

 

‘Defund the police’ zou je letterlijk kunnen vertalen als ‘desinvesteer in de politie’ – al bekt dat iets minder goed dan de Engelstalige variant. Maar desinvesteren kan op zijn beurt natuurlijk veel betekenen. Wanneer er opgeroepen wordt om niet langer te investeren in politiediensten dan kan die oproep gaan van de concrete afschaffing van de politie – wanneer er geen geld meer naar de politie vloeit, dan is er ook geen politie meer – tot het structureel laten inkrimpen van bestaande politiediensten.

‘Defund the police’ omvat met andere woorden een spectrum aan radicale en minder radicale eisen, maar wat de verschillende eisen met elkaar delen is het fundamentele idee dat er geen heil meer kan gezocht worden in een zoveelste hervorming van de politie. Wat moet gebeuren is een (verregaande) afbouw van de grootte, reikwijdte en bevoegdheden van politiediensten. En, het voornaamste middel daartoe is het dichtknijpen van de geldstromen richting politiediensten.

De eis om te desinvesteren in de politie wordt makkelijk verward met het idee dat veiligheid niet van belang zou zijn. Want wie de politie wil afbouwen, die kan het toch niet nauw nemen met de veiligheid van de burgers? Dit is echter een zeer beperkte framing van waar het werkelijk om gaat. Niemand durft te beweren dat het niet belangrijk is om te zorgen dat mensen in veiligheid kunnen leven. De vragen die door de eis ‘defund the police’ worden op tafel gelegd zijn eerder: welke soort veiligheid willen we creëren, wie zal instaan voor de handhaving van die veiligheid en hoe zal die handhaving gebeuren?

‘Cultuur van armoede’

De voorbije decennia heeft de politie steeds meer het monopolie op veiligheids- en ordehandhaving verkregen. Dat is geen toeval, maar het proces van een specifiek ideologisch-politiek offensief. Sinds de jaren zestig ontstond er vanuit conservatieve hoek een obsessie met het thema veiligheid en criminaliteit. Voormalig president Lydon B. Johnson kondigde midden jaren zestig reeds aan een ‘war on crime’ te willen voeren, zijn opvolger Nixon had het over de dringende noodzaak van ‘law and order’ en initieerde een ‘war on drugs’. Deze ‘oorlogen’ tegen drugs en criminaliteit waren steeds ingegeven door hetzelfde narratief: het idee dat er een moreel verval heerste dat zich uitdrukte in toenemende criminaliteit en stedelijke verloedering. Het gevolg van deze kijk was dat een hele hoop maatschappelijke problemen die in wezen medisch, economisch of sociaal van aard zijn op ééndimensionale wijze worden aanzien als veiligheidsproblemen die moeten aangepakt worden door middel van dwang en geweld.

Deze politiek-ideologische evolutie in het beleid werd mede mogelijk gemaakt door het werk van conservatieve sociale wetenschappers. In 1970 publiceerde Edward Banfield, een goede vriend van de neoliberale econoom Milton Friedman en tevens adviseur onder Nixon, Ford en Reagan, het invloedrijke werk The Unheaval City. Centrale stelling het werk van Banfield was dat armen in de VS vastzaten in wat hij noemde ‘een cultuur van armoede’ (culture of poverty) die ervoor zorgde dat ontvankelijkheid voor crimineel gedrag, normvervaging, onverschilligheid en luiheid de dominante ingesteldheid was bij de armen. Volgens Banfield zorgde deze cultuur van armoede ervoor dat sociale overheidsmaatregelen in wezen nutteloos zijn, het probleem zit immers in de normen en waarden van lagere klassen én een gebrek aan autoriteit om die normen en waarden te laten respecteren.

Wat dus in de eerste plaats nodig was volgens Banfield en anderen, waren instanties die lagere klassen discipline bijbrengen. Het instrument bij uitstek daartoe was de politie. De politie moest niet enkel instaan voor misdaadbestrijding, maar moest ook waken over het ophouden van een bepaald morele autoriteit. Het is deze benadering die in de jaren tachtig mede leidde tot het idee van broken windows policing. James Wilson, een leerling van Banfield toonde door middel van behaviouristisch onderzoek aan dat een geparkeerde auto met gebroken ramen meer vandalisme aanzoog en dus leidde tot meer criminaliteit dan een auto zonder gebroken ramen. Dit bracht hem tot de conclusie dat de politie steeds dient op te treden bij de kleinst mogelijke vergrijpen of verstoring van de openbare orde om een algehele ontaarding te vermijden. Broken windows policing werd doorheen de jaren tachtig en negentig de norm, wat als concreet gevolg had dat de politie haar werkveld drastisch uitbreidde; steeds meer vormen van gedrag werden het object van politiecontrole en -interventie. Tegelijk werd het ingrijpen van de politie strenger: zero tolerance werd het nieuwe normaal.

Uiteraard zijn de theorieën van Banfield en Wilson doorspekt van een nauwelijks verholen racisme. Het idee dat lagere klassen en armen niet in staat zijn om bepaalde normen en waarden na te leven en moeten gedwongen worden om ‘civiel’ te zijn door externe instanties, is een variant van aloude racistische en koloniale schema’s. Bovendien zijn door Banfield vaak gebruikte woorden als ‘the poor’ of ‘gettho neighbourhoods’ gewoon weinig omfloerste wijzen om het te hebben over mensen van kleur. Eén keer die schijnbaar neutrale taal doorprikt is, blijft enkel een ordinair racisme over.

Ook de oproep om de politie meer macht te geven over mensen van kleur en de onderklassen, kadert binnen een racistisch en klassistisch project. De politie in de VS is in belangrijke mate het product van een raciale orde. De eerste vormen van politiepatrouilles in de VS dienden om weggelopen tot slavernij veroordeelde mensen op te jagen, slavenopstanden neer te slaan en, later, stakingen te breken. Deze racistische en klassistische oorsprongen van de Amerikaanse politie werken tot op de dag van vandaag door in de politiedepartementen en werden versterkt door de mate waarin theorieën als die van Banfield en Wilson vertaald werden in beleid.

Uitgaven

De dominantie van het neoliberalisme in de Amerikaanse politiek zorgde ervoor dat vanaf de jaren zeventig steeds minder geld vloeide naar publieke diensten en sociale voorzieningen. Investeringen in gezondheidszorg, onderwijs, publieke ruimten en infrastructuur werden drastisch afgebouwd. Wat op zijn beurt leidde tot toenemende armoede, ontwrichting en sociale woestenij. Onder invloed van het succes van hierboven geschetste theorieën waren het de ‘armen’ en ‘lagere klassen’ zelf die hiervoor de schuld kregen. Zij moesten gedisciplineerd worden door middel van meer en intensere vormen van policing.

Dit reflecteert zich ook duidelijk in de besteding van budgetten. De laatste vier decennia is het belastinggeld dat naar de politie vloeit maar liefst verdrievoudigd. 115 miljard dollar per jaar gaat naar de politie in de VS. Eén van de grootste slokoppen is de politie van Los Angeles. Dat politiedepartement kan rekenen op een slordige 1,8 miljard per jaar, wat neerkomt op ongeveer de helft van het totale stadsbudget. New York gaat nog verder en schuift jaarlijks 10,9 miljard naar de politie. Machtige politievakbonden waken erover dat deze disproportionele politiebudgetten vooral behouden blijven. Dat doen ze onder meer politieke campagnes mee te financieren en bepaalde politieke kandidaten te steunen.

Waarvoor dient de politie?

Wanneer er ‘defund the police’ wordt gescandeerd dan is dat in de eerste plaats om de disproportionaliteit van de financiering van de politie aan te klagen. Activisten wijzen erop dat het geld dat nu richting politie vloeit beter kan gebruikt worden om opnieuw te investeren in sociale diensten, medische voorzieningen, onderwijs en vormen van gemeenschapswerking. Dit zou ook een correctie vormen op het idee en de praktijk dat de politie op dit moment voor ongeveer alles ingeroepen wordt van ver of dichtbij met publieke orde te maken heeft.

Veel van de taken die momenteel aan de politie toekomen zou je echter kunnen aan andere, beter geplaatste diensten of personen toewijzen. Alles wat met drugs en verslaving te maken heeft, kan bijvoorbeeld beter door sociale werkers en medisch personeel behandeld worden. Vormen van lokale overlast kunnen vaak veel beter aangepakt worden door buurtwerkers. Bij huiselijk geweld zouden speciaal opgeleide bemiddelingsteams kunnen opvolgen. Verkeersdelicten kunnen behandeld worden door toezichters die zich daar specifiek op toeleggen. Eigenlijk kan je alles wat niet te maken heeft met gewelddadige misdaad beter en efficiënter laten aanpakken door andere diensten dan de politie. Dat zou ook veel levens en leed kunnen besparen. Want politieoptreden escaleert al te vaak en vergroot daardoor meestal het risico op vormen van geweld in plaats van het te verkleinen.

De politie minder macht geven is ook één van de voornaamste maatregelen die kan genomen worden in het tegengaan van structureel racisme. Dat structurele racisme wordt immers in zeer belangrijke mate in stand gehouden door politiediensten en het daaraan gekoppelde gevangeniswezen. Hoewel zwarte mensen slechts 12 procent deel uitmaken van de Amerikaanse bevolking, is 33 procent van de gevangenen wel zwart. Het politiegeweld tegen zwarte mensen en het daaraan verbonden geweld van het juridische en penetentiaire apparaat zorgt ervoor dat zwarte mensen en mensen van kleur systematisch worden achtergesteld. Veroordelingen oplopen en tijd doorbrengen in de gevangenis vergroot de kans op schulden, op ontwrichte thuissituaties, bemoeilijkt het vinden van een job en belemmert politieke participatie. Dit structurele racisme kan mede doorbroken worden door te desinvesteren in de politie. Vandaar dus: ‘defund the police’.

Creative Commons

take down
the paywall
steun ons nu!