Opinie - Alain Badiou

De samenleving is ziek. Hoe wordt zij beter? Alain Badiou pleit voor culturele revolutie

In de onderstaande tekst legt Badiou uit hoe crises inherent zijn aan het kapitalisme en laat hij zien waar de benodigde andere krachten voor een alternatief vandaan moeten komen. Hij pleit voor een culturele revolutie: wij “Westerlingen” moeten afstand doen van onze arrogante identiteit en ‘alle reactieve fascistische stromingen absoluut afwijzen’. Alain Badiou: ‘dit zijn de noodzakelijke negatieve momenten waarin we de kracht van onze nieuwe egalitaire waarden kunnen bevestigen’.

woensdag 6 mei 2020 21:23
Spread the love

 

De moderniteit is allereerst een negatieve werkelijkheid. Zij behelst vooral een breuk met de traditie. Ze betekent het einde van de oude wereld van kastenstelsels, adelstanden, religieuze verplichtingen, jeugd-initiatierituelen, lokale mythologieën, de onderwerping van vrouwen, de absolute macht van vaders over hun kinderen, en de officiële scheidslijn tussen een kleine groep van heersers en de massa van ondergewaardeerde zwoegers. Niets kan deze ontwikkeling tegenhouden. Deze beweging begon in het Westen met de Renaissance, consolideerde met de Verlichting van de achttiende eeuw en materialiseerde daarna in de ongekende doorbraken in productietechnieken en de toenemende perfectionering van berekeningsmethoden, vervoer en communicatie.

Het opvallendste is misschien dat deze breuk met de wereld van de traditie, die als een wervelwind onder de mensheid huishield en millennia-oude organisatievormen in krap drie eeuwen wegvaagde, een crisis in onze subjectiviteit creëert waarvan de oorzaken en omvang duidelijk te zien zijn, en waarvan een van de meest opmerkelijke gevolgen, in het bijzonder voor jonge mensen, de extreme en almaar groter wordende moeite is om een plek voor jezelf in deze nieuwe wereld te vinden. 

Dát is de werkelijke crisis. Soms denken mensen dat dit een crisis is van het financiële kapitalisme. Nee! Helemaal niet! Het kapitalisme groeit wereldwijd en bloeit volop. De crisis, de oorlogen, ze vormen onderdeel van zijn karakteristieke ontwikkelingswijze. Crises en oorlogen zijn immers ook de brute en noodzakelijke middelen om concurrentie weg te vagen en stellen de winnaars in staat om een zo groot mogelijke hoeveelheid beschikbaar kapitaal in hun eigen handen te verzamelen.

Vanuit het gezichtspunt van de concentratie van kapitaal bevinden we ons, volkomen objectief, hier: tien procent van de wereldbevolking bezit 86 procent van het beschikbare kapitaal; één procent van de wereldbevolking bezit 46 procent van dat kapitaal; en vijftig procent van de wereldbevolking bezit helemaal niets, 0 procent. Het is niet moeilijk te begrijpen dat de tien procent die bijna alles bezit niet in de situatie wil geraken van diegenen die niets hebben. Een groot deel van hen die de overige 14 procent van het beschikbare kapitaal bezit [veertig procent van de wereldbevolking (noot vert.)], heeft een brandend verlangen zich vast te klampen aan wat men heeft. Dat is de reden waarom zij de ontelbare repressieve maatregelen ondersteunen — ook racisme en nationalisme spelen hier een rol — die maken dat er zo veel verdedigingsmuren kunnen worden opgetrokken tegen de verschrikkelijke ‘dreiging’ die zij zien uitgaan van de vijftig procent bezitlozen.

Dit alles leert ons dat de slogan van [bijvoorbeeld (noot vert.)] Occupy Wallstreet ‘We are the 99%’, met zijn veronderstelde vermogen mensen te verenigen, compleet leeg is. De waarheid is dat wat wij het Westen noemen, vol zit met mensen die (hoewel ze geen deel uitmaken van de tien procent die de heersende aristocratie vormt) het geglobaliseerde kapitalisme een kleinburgerlijke ondersteuning bieden. Dit betreft de beroemde middenklasse, zonder welke de democratische oase geen enkele kans van overleven zou hebben.

Inderdaad representeerden de moedige jongelui die Wall Street bezetten (feitelijk vanaf het eerste begin) niet meer dan een klein handjevol mensen, verre van dat zij de 99 procent zouden zijn — zelfs symbolisch gezien niet —, wiens lot het is te verdwijnen als het feest van de ‘beweging’ eenmaal voorbij is. Behalve als zij erin slagen om zich op duurzame wijze te verbinden met de werkelijke massa van hen die totaal niets hebben of echt heel weinig, als zij een politiek diagonale verbinding kunnen leggen tussen hen die een deel bezitten van de 14 procent — in het bijzonder intellectuelen — en de vijftig procent van de mensen die niets hebben: dat zijn allereerst arbeiders en landarbeiders, en dan het lagere, meest kwetsbare en slechtst betaalde deel van de middenklasse.

Deze politieke route is begaanbaar, in de sixties en seventies is die uitgeprobeerd onder de vlag van het maoïsme.[1] Onlangs nog werd die geprobeerd in de bezettingsbewegingen in Tunesië en Caïro [Arabische Lente 2011 (noot vert.)] en zelfs in Oakland [2014-2015 bijvoorbeeld (noot vert.)] is er in ieder geval een ontwerp geweest van een actieve verbinding met de dokwerkers in de haven. Alles, absoluut alles, hangt af van de definitieve wedergeboorte van deze alliantie, en van haar politieke organisatie op internationaal niveau.

Echter verkeert een dergelijke beweging in de huidige situatie in een extreem zwakke toestand en kan het objectieve, meetbare gevolg van de breuk met de traditie zoals die plaatsvindt in een door het geglobaliseerde kapitalisme gestructureerde wereld, slechts datgene zijn waarover we het al hebben gehad. Namelijk een minuscule oligarchie die haar wet niet alleen dicteert aan een afgematte meerderheid van mensen op de rand van simpelweg overleven, maar ook aan de verwesterde — dat betekent de onderworpen en steriele — middenklassen.

Maar wat gebeurt er op het sociale en subjectieve niveau? Marx gaf hiervan in 1848 een verpletterende beschrijving, in die zin dat die nu oneindig veel juister is dan die in zijn eigen tijd al was. Laten we een paar regels van een tekst citeren die ondanks zijn hoge leeftijd ongelofelijk van nu is gebleven:

De bourgeoisie heeft, waar zij dan ook is gaan heersen, een einde gemaakt aan alle feodale, patriarchale en idyllische verhoudingen. […] Zij verdronk de heilige huiveringen van religieuze extase, het ridderlijke enthousiasme en de sentimentaliteit van de kleinburgerlijkheid, in het ijswater van egoïstische berekening. Het heeft persoonlijke waarde tot simpele ruilwaarde gemaakt. […] De bourgeoisie heeft zich van haar aureool ontdaan bij alle bezigheden die zij tot dusver achtenswaardig vond en waar zij met een heilig respect tegen opkeek. Zij heeft de arts, de advocaat, de priester, de dichter, de man van de wetenschap, tot haar betaalde loonarbeiders gemaakt.[2]

Hier beschrijft Marx hoe de breuk met de traditie — als deze breuk een bourgeois, kapitalistische vorm aanneemt — in werkelijkheid een gigantische crisis van de symbolische organisatie van de mensheid opent. Millennia lang werden de verschillen die inherent zijn aan het menselijke leven in feite gereguleerd en gesymboliseerd in een hiërarchische vorm. De belangrijkste dualiteiten, zoals jong en oud, man en vrouw, binnen en buiten mijn familie, arm en machtig, mijn handel en die van anderen, buitenlanders en landgenoten, ketters en getrouwen, burgers en edelen, stad en provincie, zij die met hun handen werken of met hun hersenen, allen werden bejegend (in taal, in mythologieën, in ideologieën, en in de gevestigde religieuze modellen) door gebruik te maken van ordelijke structuren die iedereen een plaats gaven in een verzameling van overlappende hiërarchische systemen.

Dus een edele vrouw was inferieur aan haar man, maar superieur aan een burger; een rijke bourgeois moest buigen voor een hertog, maar zijn bedienden moesten buigen voor hém; net zoals een squaw van een of andere indiaanse stam bijna niets was in de ogen van een strijder van haar eigen stam, maar bijna almachtig in de ogen van een gevangene van een andere stam over wie zíj soms besliste hoe die gemarteld moest worden. Een arme aanhanger van de katholieke kerk deed er zeer weinig toe in vergelijking met zijn bisschop, maar kon zichzelf als één van de uitverkorenen beschouwen vergeleken met een protestantse ketter, net zoals de zoon van een vazal, totaal afhankelijk van zijn vader, een zwarte man die aan het hoofd van een grote familie stond als persoonlijke slaaf kon hebben. 

Zo rustte de hele traditionele symbolisering op een geordende structuur die onze plaats in de samenleving bepaalde en als gevolg daarvan de relaties tussen die plaatsen vaststelde. De breuk met de traditie, zoals het kapitalisme als algemeen productiesysteem realiseert, stelt in feite geen nieuwe actieve symbolisering voor, maar wel slechts het brute en onafhankelijke spel van de economie: de neutrale, a-symbolische heerschappij van wat Marx ‘het ijswater van egoïstische berekening’ noemde. Het resultaat is een historische crisis van symbolisering en dat is de reden waarom de jeugd tegenwoordig lijdt aan een dergelijke grote desoriëntatie.

Deze crisis aanschouwend — die, onder voorwendsel van een neutrale vrijheid geen enkel ander universeel referentiepunt heeft dan geld — wil men ons doen geloven dat er slechts twee wegen bestaan. De ene weg is de bewering dat er niks bestaat, en er niets anders kan bestaan, dat beter is dan het liberale ‘democratische’ model van vrijheden dat doortrokken is van de neutraliteit van het berekende marktdenken, en de andere weg is het reactieve verlangen om terug te keren naar de traditionele — oftewel hiërarchische — symbolisering.

In mijn visie houden beide wegen extreem gevaarlijke impasses in, en hun steeds bloedigere tegenstelling sleurt de mensheid mee in een cyclus van eindeloze oorlogen. Dat is het hele probleem van onjuiste tegenstellingen, ze verhindert het spelen van het spel van de waarachtige tegenstelling.

Deze waarachtige tegenstelling — die als kader moet dienen van ons denken en handelen — plaatst twee verschillende visies op de onafwendbare breuk met de hiërarchische symbolische traditie tegenover elkaar. Dat is de tegenstelling tussen enerzijds de Westerse kapitalistische a-symbolische visie, die monsterlijke ongelijkheden en pathologische dwalingen creëert, en anderzijds de visie die over het algemeen ‘communisme’ wordt genoemd, en die vanaf Marx en zijn tijdgenoten voorstelt om een egalitaire symbolisering uit te vinden.

Deze fundamentele tegenstelling van de moderne wereld wordt aan het oog onttrokken, na het eindige failliet van de geschiedenis van het staatssocialisme in de USSR of in China, door de onjuiste tegenstelling — ten aanzien van het verlaten van de traditie — die de volgende twee visies tegenover elkaar stelt: enerzijds de zowel neutrale als steriele, pure negativiteit van het dominante Westen en anderzijds de fascistische reactionaire kracht die, vaak gedrapeerd in ontaarde religieuze verhalen, de terugkeer van de oude hiërarchieën ophemelt met spectaculair geweld teneinde te verhullen dat zij zelf in werkelijkheid machteloos is. 

Deze onenigheid dient voornamelijk het eigenbelang van beide posities, hoe hevig hun conflict ook mag lijken. Geholpen door zijn macht over de communicatiemiddelen kaapt het conflict het algemeen belang, en forceert een valse keuze tussen ‘het Westen of Barbarij’.

Daarmee blokkeert het de komst van de enige allesomvattende overtuiging die de mensheid van een ramp kan redden.[3] Deze overtuiging — die ik soms de communistische idee heb genoemd —  geeft aan dat we, in de beweging van de breuk met de traditie, moeten werken aan de uitvinding van een egalitaire symbolisering die het volgende kan begeleiden, coderen en formeren: de stabiele subjectieve onderbouwing van de collectivisatie van rijkdommen, het effectieve verdwijnen van ongelijkheden, het erkennen van verschillen — vóór gelijke subjectieve rechten — en het geleidelijk verdwijnen van afgescheiden autoriteitsvormen van het type ‘staat’.[4]

Dus we moeten onze subjectiviteit afstemmen op een totaal nieuwe taak: in een strijd op twee fronten — de strijd zowel tegen de ondergang van het symbolische in het ijswater van de kapitalistische berekening, als tegen het reactieve fascisme dat de restauratie van de oude orde beoogt — moeten we een egalitaire symbolisering uitvinden die de verschillen een nieuwe plek geeft. Hierbij moeten de gemeenschappelijke regels die gebaseerd zijn op het delen van alle beschikbare rijkdommen het meeste gewicht in de schaal leggen.

Wat onszelf betreft, wij Westerlingen moeten beginnen met een culturele revolutie die eruit bestaat de absoluut archaïsche overtuiging te elimineren die stelt dat onze visie op de dingen superieur is aan al het andere. Ze loopt ver achter op wat de eerste grote critici uit de negentiende eeuw voor ogen stond, en op wat zij voorzagen aan brute en betekenisloze ongelijkheid in het kapitalisme. Deze grote voorlopers zagen ook dat de veronderstelde democratische organisaties van de politiek, met haar belachelijke electorale rituelen, slechts een façade zijn voor het totaal getrouw worden van de politiek aan de hogere belangen van concurrentie en hebzucht. We kunnen tegenwoordig meer dan ooit het trieste schouwspel zien van wat zij — in hun genadeloze helderheid — ‘parlementaire imbeciliteit’ noemden.

We moeten op grote schaal afstand doen van deze ‘Westerse’ identiteit, en we moeten alle reactieve fascistische stromingen absoluut afwijzen: dit zijn de noodzakelijke negatieve momenten waarin we de kracht van onze nieuwe egalitaire waarden kunnen bevestigen. Door niet de speelbal te zijn van de onjuiste tegenstelling, en door onszelf te richten op de ware tegenstelling, kunnen we onze subjectiviteit veranderen. Dit zal ons uiteindelijk in staat stellen om de politieke kracht uit te vinden die privé-bezit en concurrentie zal vervangen door wat Marx ‘de vrije associatie’ noemde.[5] — AB — 

 

Dit artikel is een vertaling, origineel geschreven door Alain Badiou. Met dank aan ‘Buiten de Orde’ voor de toestemming dit artikel digitaal te publiceren.[6]

 

Notes:

[1] Badiou pleit voor een communisme zonder partij en staat. De communistische staat zou slechts executies, gevangenissen, legers en dergelijke inhouden. Voor Badiou opende het evenement van Parijs 1968 de mogelijkheid van de waarheid van universaliteit, oftewel van het communisme, als collectief leven. Badious trouw aan de idee van communisme komt ook tot uitdrukking in zijn verwantschap met niemand minder dan Mao Tse-tung (1893-1976). Tijdens de Chinese Culturele Revolutie waarschuwde Mao de communisten geen nieuwe bourgeoisie te worden met een groot bureaucratisch systeem zoals gebeurde in de Sovjet Unie. Badiou en Mao delen met name hun toewijding aan egalitaire principes en dialectiek. In 2012 betuigde Badiou in Le Point zijn spijt voor zijn enthousiasme in de jaren 1970 voor de overwinning van de Rode Kmer die vreselijke daden tegen de mensen van Cambodja beging, zoals willekeurige executies, genocide en mislukte agriculturele hervormingen (Kelly, M., Piero (2014) Introducing Alain Badiou. A Graphic Guide, p. 140-158). Londen: Icon (noot van de vertaler J.M & J.N.).

[2] Uit: Karl Marx en Friedrich Engelse (1848) Het communistische manifest. Bourgeois = iemand uit de middenstand, uit de bezittende klasse (noot vert. J.N.).

[3] Badiou ziet het als een van de belangrijkste taken van de huidige emancipatoire politiek om een idee niet te totaliseren. Badious filosofie (materialistische dialectiek genaamd) houdt een niet-dogmatische, niet-deterministische en niet-totalitaire visie in, die wordt gevormd door denkend handelen en handelend denken (noot vert. J.N.).

[4] Het gaat er hier om dat de staat in het kapitalisme los staat van de mensen en hen tegenwerkt.  Er zijn ook andere types ‘afgescheiden autoriteitsvormen’ (koning, führer, waar hun bijzondere wil of logica de wet bepaalt, net als het kapitaal of de markt in het kapitalisme). En er is misschien een vorm van organisaties, waar er ongetwijfeld een vorm van ‘autoriteit’ is – regels waar men zich aan houdt, bijvoorbeeld in vrije associatie – maar waar die autoriteitsvorm niet een afgescheiden vorm heeft (noot vert. J.M. & J.N.).

[5] Volgens Marx betekent vrije associatie een samenleving van vrij geassocieerde individuen; die houdt een relatie in tussen individuen zonder dat er een staat is, zonder sociale klassen, zonder autoriteit en zonder privébezit van de productiemiddelen. Als het privébezit is afgeschaft zijn individuen niet langer beroofd van de toegang tot de productiemiddelen zodat ze vrij kunnen associëren (zonder maatschappelijke restricties) om hun eigen bestaansvoorwaarden te produceren en reproduceren en hun individuele en creatieve behoeften en verlangens te vervullen. De term wordt door anarchisten en communisten gebruikt. (Wikipedia: https://en.wikipedia.org/wiki/Free_association_(communism_and_anarchism) (noot vert. J.M. & J.N.).

[6] Eerder gepubliceerd in Buiten de Orde 2015: 4, als ‘De crisis: ware en onjuiste tegenstelling van de huidige wereld’ Buiten de Orde (2015:4), https://www.vrijebond.org/buitendeorde/, vertaald door Jorg Meurkes en Jan Nol, met dank aan Laurens Krüger en Joost de Bloois (Nederlands Badiou-expert, UvA, auteur van (2013) Badiou. Amsterdam: Boom). De oorspronkelijke lezing is opgetekend door Miri Davidson 29 mei 2015 (origineel: http://www.liberation.fr/politiques/2015/04/13/la-crise-vraie-et-fausse-contradiction-du-monde-contemporain_1240409 ).

Creative Commons

take down
the paywall
steun ons nu!