Joël De Ceulaer

Joël De Ceulaer

dinsdag 5 mei 2020 19:31
Spread the love

Dit is mijn laatste tekst als journalist ( of burgerjournalist of amateurjournalist of pseudo-journalist al naargelang uw aanvoelen).
Existentiële crisis.
Hoe komt dat zo?

Als beginnend journalist lees je natuurlijk ook wel eens iets als je niet aan het schrijven bent. Als beginnend journalist kijk je al eens naar het werk van de groten der aarde. Als beginnend journalist las ik de beginselverklaring van Joël De Ceulaer. Als dit hier alsnog een longread wordt is dat geheel zijn verdienste.

Ik interview liever Filip Dewinter dan Paul Verhaeghe. Sterker nog: ik héb Dewinter al een paar keer geïnterviewd en pieker er niet over om dat ooit te doen met Verhaeghe. Dat klinkt krankzinnig, daarvan ben ik mij bewust. Tenslotte is Dewinter een radicaal rechtse stokebrand en Verhaeghe een aimabele professor aan de UGent.  Dat ik de ene wel en de andere niet aan het woord wil laten, is een persoonlijke keuze, die ik zelfs aan de meeste van mijn collega’s niet uitgelegd krijg. En misschien hebt u, waarde lezer, er ook uw bedenkingen bij. Sta mij dus toe dat ik mijzelf nader verklaar. Een journalist mag af en toe ook wel eens verantwoording afleggen.
Ik maak eerst een kleine omweg, want u vraagt zich wellicht af waarom ik daar ineens over begin. Dat zit zo: mijn chef heeft mij gevraagd om u in een eindejaars­column te vertellen waar ik in 2018 zoal van wakker lag. En de waarheid luidt dat ik zelden wakker lig. Ik leid momenteel, met gepaste dankbaarheid, een privé­leven dat mij veel vreugde en weinig gepieker verschaft. Wereld­problemen houden mij ook niet uit mijn slaap, omdat het nogal hoog­moedig zou zijn te denken dat ik die problemen kan oplossen. Ik ga ervan uit dat mensen die zeggen dat ze wakker liggen van klimaat of armoede, dat alleen figuurlijk doen. Niet letterlijk.
Ik ben dus niet zo’n wakker­ligger. Ik slaap goed en gerust. En dus dacht ik: laat ik dan maar schrijven over een professionele kwestie die mij dit jaar erg heeft bezig­gehouden, waar ik zo diep over heb nagedacht dat ik er af en toe figuurlijk van wakker lag. En dat brengt ons dus bij Dewinter en Verhaeghe. Bij het verschil tussen democratie en wetenschap –  want dáár gaat het om. Het is, onder meer, op dát cruciale verschil dat ik mijn beslissing baseer om bepaalde mensen al dan niet te interviewen.

In het democratisch debat wil ik de band­breedte zo groot mogelijk houden. Ik verwerp de ideeën van Dewinter met volle kracht, maar hij is wel de invloed­rijkste politicus van de voorbije 30 jaar – zonder hem hadden we nu nog een regering, om maar iets te noemen. En journalisten hebben de taak om, op kritische wijze uiteraard, ook radicale stemmen in het politieke veld aan het woord te laten. Volgens mij, toch. Die overtuiging leidt ertoe dat ik soms controversiële keuzes maak, die iedereen heftig mag afkeuren en betwisten – zo interviewde ik dit jaar zelfs Dries Van Langenhove, weliswaar vóór de Pano-reportage, maar goed: toen ik hem sprak, klonk hij al behoorlijk radicaal.
Hoe kom ik er dan bij, denkt u nu, om een veto te stellen tegen Paul Verhaeghe? Wel, omdat we ons met hem niet in het democratische, maar in het wetenschappelijke debat bevinden. En er bestaat een fundamenteel verschil tussen democratie en wetenschap.
Als het over democratische keuzes gaat, bestaat De Waarheid niet: wel of geen migratie­pact, meer of minder belastingen, kern­energie of zonne­panelen – politici discussiëren daarover, en wie de meeste stemmen behaalt (of een meerderheid kan vormen) krijgt het voor het zeggen. In de wetenschap is dat anders. Daar wordt niet gestemd, maar is de werkelijkheid de baas. Wie wil weten of zijn of haar hypothese deugt, moet die onderwerpen aan empirische of experimentele toetsing. Zo komen wetenschappers – stapje per stapje – tot betere en juistere inzichten over mens en wereld, die de waarheid soms ontbloten en in elk geval steeds dichter benaderen. De wetenschap is een methode om aan waarheids­vinding te doen, de democratie is een methode om de samenleving te organiseren.

Daarom verdient het wetenschappelijke debat, volgens mij althans, minder band­breedte dan het democratische. Wie nog altijd denkt dat de aarde plat is, heeft ongelijk – en ga ik niet interviewen. Wie zegt dat homeo­pathische middelen een werkzaam bestand­deel bevatten, zit ernaast – en ga ik niet interviewen. Wie vindt dat kinderen maar beter niet worden gevaccineerd, vertelt pertinente onzin – en ga ik niet interviewen. Wie beweert dat de aarde niet opwarmt, of dat de mens daar niets mee te maken heeft, zet zich buiten de wetenschappelijke consensus – en ga ik niet interviewen.
En psycho­analytici zoals Verhaeghe, die beweren dat mensen trauma’s zoals seksueel misbruik jarenlang kunnen verdringen tot een therapeut die herinnering weer naar boven haalt, druisen even hard in tegen de wetenschappelijke consensus als klimaat­negationisten, want ook voor die stelling bestaat geen enkele evidentie. Daarom, dus: wel Dewinter, geen Verhaeghe.

Maar wees het gerust met mij oneens. Journalistiek is ook geen wetenschap.

Misschien is het omdat ik ook een senior writer ben, maar ik kon Joël De Ceulaer wel volgen.
Indien de journalistiek de wetenschappelijke consensus links laat liggen, is het enige alternatief een afglijden naar een Roger Ailes journalistiek. The loudest voice. Als je het maar dikwijls genoeg en luid genoeg herhaalt.

In hoeverre kan je als journalist het dragen van mondmaskers propageren?
Kan je verwijzen naar een viroloog als Marc Wathelet?

Zaterdag was er een interview van Joël De Ceulaer met viroloog Steven Van Gucht. Hij vroeg om een mondmasker en kreeg er een in de vorm van een ducttape.
“Hij (Marc Wathelet) is een wetenschapper met een mening. Maar wetenschap werkt bij consensus en de consensus wijkt af van zijn mening.”

Creative Commons

dagelijkse newsletter

take down
the paywall
steun ons nu!