Foto: 3dman_eu / Pixabay
Opinie - Michiel Van Oudheusden

Oost-Azië: lichtend voorbeeld in ‘coronatijden’?

Er lijkt zich onder experts een consensus af te tekenen dat Oost-Aziatische landen de coronacrisis goed – of toch naar best vermogen – aanpakken. Maar klopt dat beeld? En waaraan is het ‘succes’ van die landen dan te wijten? 

vrijdag 1 mei 2020 15:48
Spread the love

 

De dagelijkse stroom ‘coronacijfers’ laat er geen twijfel over bestaan: het aantal besmettingen, doden en opnames als gevolg van het coronavirus ligt in Taiwan, Zuid-Korea en Singapore beduidend lager dan elders in de wereld. Instanties als de Wereldgezondheidsorganisatie spreken daarom met lof over het gevoerde beleid van Oost-Aziatische staten en worden daarin gesterkt door andere gezaghebbende stemmen.

Voormalig VN-ambassadeur Kishore Mahbubani van Singapore roemt in internationale media de Singaporese aanpak die stoelt op uitvoerig testen, informatiecampagnes en alertheid. Koert Debeuf (EUObserver) prijst de Oost-Aziatische burgerzin, evenals de paraatheid van Aziatische overheden en hun expertise op het vlak van volksgezondheid (‘De wijzen komen nog steeds uit het Oosten’, De Standaard, 25-26/04/2020). Hij verwijst daarbij vooral naar Zuid-Korea, dat in tegenstelling tot China en Europa geen toevlucht nam tot een lockdown. Ook Taiwan krijgt van waarnemers lof toegezwaaid omdat het vroegtijdig maatregelen nam om de verspreiding van het virus tegen te gaan (‘Taiwan toont dat het kan en hoe’, Mo Magazine, 18/03/2020).

Er lijkt zich onder experts dus een consensus af te tekenen dat Oost-Aziatische landen de crisis goed – of toch naar best vermogen – aanpakken. Maar klopt dat beeld? En waaraan is het ‘succes’ van die landen dan te wijten? 

Lessen uit vorige crisissen

Begin februari, toen het coronavirus nog niet de proporties had aangenomen van een pandemie die overal ter wereld slachtoffers zou maken, verbleef ik in Japan. In het straatbeeld zag ik menig burger met mondmasker; men hield fysiek afstand van anderen en ontsmette geregeld de handen met handgel. Zoals een Japanse collega het toen treffend omschreef: het dragen van een mondmasker is hier een ‘way of life’ die voorkomt dat we anderen ziek maken.

Desondanks vragen vele Japanners zich vandaag af of de overheid niet te laat in gang is geschoten, onder meer met het uitdelen van beschermingsmiddelen. De regering heeft beloofd om twee mondmaskers per gezin te voorzien, wat te weinig is voor een doorsnee Japanse familie bestaande uit twee ouders en één kind. Burgers klagen ook over het gebrek aan transparantie in de overheidscommunicatie, wat nare herinneringen oproept aan de kernramp van Fukushima toen er tegenstrijdige en zelfs foutieve informatie verspreid werd vanuit verschillende diensten. Ze lijken ook nu weer vooral zelf hun plan te moeten trekken.

In Singapore voert de overheid sinds enkele dagen veel strengere maatregelen in dan aanvankelijk voorzien, wat een journalist van The Economist onlangs tot deze omschrijving noopte: ‘lichtend voorbeeld onder lockdown’ (11/04/2020). De stadstaat miste, ondanks het uitvoerig testen, aanzienlijke clusters van covid-19-gevallen, vooral in wooncomplexen met arbeidsmigranten. Sommigen stellen zich luidop vragen over die selectieve aanpak en vrezen dat het virus opnieuw, of alsnog, zijn kans zal grijpen.

Ook in het geroemde Zuid-Korea en Taiwan klinkt vandaag kritiek. Dankzij grootschalig testen op het covid-19-virus is het aantal besmettingen en sterfgevallen in die landen al bij al laag gebleven, maar dat heeft mede te maken met de wijze waarop burgers zelf tijdig in actie schoten. In het Zuid-Koreaanse Daegu, het eerste ‘corona-epicentrum’ buiten China, gingen de meeste winkels en restaurants eerder dan verplicht over tot een sluiting, omdat bedrijven en burgers zelf voor een ‘passief isolement’ kozen om erger te voorkomen.

Wat zonder twijfel meespeelde in die gezamenlijke beslissing zijn de negatieve ervaringen van Zuid-Koreaanse burgers met MERS in 2015. Toen dat virus uitbrak hield de Zuid-Koreaanse regering belangrijke informatie geheim, onder meer over het aantal besmette patiënten en waar die werden behandeld. Dat voedde het wantrouwen van de bevolking en leidde in sommige gevallen zelfs tot paniek.

Net als in Zuid-Korea speelden in Taiwan vorige ervaringen met infectieziekten een grote rol in de voorbereiding op deze corona-epidemie. Via het online platform Taiwan FactCheck Center lanceerden burgers en journalisten informatiecampagnes om de verspreiding van ‘fake news’ over het coronavirus tegen te gaan. Dat gebeurde in nauwe samenwerking met de Taiwanese overheid en in volledige transparantie, wat het publieke vertrouwen in het crisisbeleid van de overheid en andere instanties heeft versterkt.

We komen dus uit bij eenzelfde vaststelling: hoewel de meeste Oost-Aziatische overheden relatief vroeg optraden tegen het coronavirus, waren het vaak burgers die zich verenigden en vaak sneller en doortastender dan hun regering ingrepen. Laat ons daarom deze belangrijke les trekken om te vermijden dat we steeds dezelfde, voorkombare fouten blijven maken: wetenschappelijke en maatschappelijke problemen raken niet alleen opgelost door technologische vernieuwing of sturende overheden maar ook door burgerinitiatieven van onderuit.

Die initiatieven komen van de grond in landen als Taiwan en Zuid-Korea en ook bij ons waar talloze individuen, middenveldorganisaties en burgerinitiatieven zoals CoronaDenktank en CommunicatiePro’s tegen #COVID19BE in actie schieten om naar best vermogen de pandemie te bestrijden. Dat was in vorige crisissen het geval en blijkt nu opnieuw.

Voorbij de oost-west tegenstelling

Deze voorbeelden indachtig, doen we er goed aan voorbij de steriele oost-west tegenstelling te kijken. Om ons een weg te banen door deze crisis moeten we niet alleen oog hebben voor wat er zich tussen landen en culturen afspeelt maar evenzeer voor de situatie in die landen – en dan vooral voor de gelijklopende en uiteenlopende manieren waarop betrokkenen (overheden, experts, middenveldorganisaties, burgers) de crisis beleven en op zoek gaan naar antwoorden. Als de overheid tekort schiet, aarzelen burgers niet om zelf het heft in handen te nemen, ook in landen waar de gemeenschap voorrang heeft op het individu.

De ‘coronacijfers’ en -tabellen laten in dat opzicht te wensen over. Landen onderling vergelijken aan de hand van criteria als het aantal besmettingen en sterftes kan beslist nuttig zijn, bijvoorbeeld om te leren welke maatregelen waar en wanneer effectief zijn. Maar vergelijkingen kunnen evengoed essentiële verbanden verhullen. Het cliché dat Aziaten gezagsgetrouwer zijn dan westerlingen klopt gedeeltelijk maar biedt geen afdoende verklaring voor het ‘succes’ van de crisisaanpak in Taiwan en andere gidslanden.

Als we toch lijstjes willen maken en landen gaan vergelijken, is het zinvoller om na te gaan hoe overheden in tijden van crisis tekortschieten en waar andere groepen zoals burgers en middenveldorganisaties het initiatief namen (of nemen). Zo leren we waar de technische, economische en sociale noden liggen en hoe het nu en in de toekomst beter kan.

We moeten daarbij inzetten op een ander, meer crisis-bestendig overlegmodel, dat burgers en andere groepen inspraak geeft in de besluitvorming. Dat model kan in alle democratieën gedijen en vorm krijgen– oosterse en westerse, zuidelijke en noordelijke – tenminste als besluitvormers, niet-gouvernementele organisaties en burgers naar elkaar willen luisteren, samen leren uit voorgaande gebeurtenissen en anticiperen op toekomstige crisissen.

 

Michiel Van Oudheusden is verbonden aan de Universiteit van Cambridge, van waaruit hij onderzoek doet naar burgerwetenschap in Azië en Europa.

Creative Commons

take down
the paywall
steun ons nu!