Drone.
Bron: Pixabay
Opinie - Juliet Hoornaert

Drones en de verheerlijking van de politiek

Onlangs kreeg mijn neef, die bij de overheid werkt, telefoon van een “jurist” die vroeg of het nu geoorloofd is joggers weg te duwen met een stok. Meer nog, vroeg hij zich af of de crisis verwondingen legitimeert - want nu het gevaar dat van de ander uitgaat zo reëel is, kan het toch niet anders dan dat we ons gepast mogen verdedigen?

vrijdag 10 april 2020 14:23
Spread the love

Iets gelijkaardig vindt op macroniveau plaats in Brussel, aan de kunst, en in de Kempen, waar de federale politie nu het bevel kreeg drietalige (!) drones te lanceren met als doel de bevolking om afstand te gebieden. Beleefd zijn ze wel – de hartverwarmende “bedankt” krijgen we er immers gratis bij – maar zijn ze wel noodzakelijk?Op het nieuws wordt al wekenlang over niets anders bericht dan over de dreiging van het coronavirus. Ook sociale media zijn ervan doordrenkt en er zijn zelfs reclameborden en winkeletalages aan gewijd. ​Blijf in uw kot, was je handen, protect yourself and others​. Het is een collectief refrein geworden, een gedeeld en absoluut noodzakelijk neurotisch symptoom.

Iedereen die dit advies niet ter harte nam, kan al in contact gekomen zijn met de politie die, dankzij onduidelijkheden in de wetgeving, genoodzaakt is om er een eigen interpretatie van uit te dragen – hierbij neemt de voorzichtigheid het al te snel over, waardoor zelfs banale wandelingen in de openlucht al ontmoedigd werden.

En of het nu de burgerzin was, angst of disciplinering, het heeft gewerkt. Zo zijn nu ook in Brussel de straten zo goed als leeg – er zijn amper studenten te zien, noch ouderen of buitenlanders. Gelachen of gevoetbald wordt al zeker niet meer en er heersen twee geboden: afstand tot elkaar en radiostilte. Het gros van het volk, wit of niet, begrijpt de ernst van de situatie, blijft thuis en doet al zonder tussenkomst van drones een inspanning om het advies van de overheid te respecteren.

Het spreekt voor zich dat er hier en daar uitzonderingen zijn. Genoeg burgers tasten in het duister als het om deze wetgeving gaat. ​Ook zijn er in Brussel heel wat daklozen en vluchtelingen die nog steeds de openbare ruimte bevolken. Dit is op zijn zachtst gezegd onveilig: want aangezien zij zelden van hygiëne, noch van het voorrecht dat zich quarantaine noemt kunnen genieten, zijn ze wel degelijk een risicofactor in het verspreiden van het virus.

Een concrete maatregel die we zouden kunnen nemen is dus van ruimschoots degelijke en afgebakende opvang te voorzien. Zo kan het risico op COVID-19 gecontroleerd blijven en heeft de gemiddelde dakloze de keuze tot een onderkomen, tot maaltijden die de weerstand bevorderen. En eerder dan op stadsbrede en aangepaste zorg te kunnen rekenen, worden zij onderhevig gesteld aan het ironische mantra van een drone: ​“Blijf zo veel mogelijk thuis, enkel essentiële verplaatsingen zijn toegestaan.”

Maar waarom zijn die drones dan zo noodzakelijk? Waarom moét daar crisisbudget naartoe, terwijl ze toch vooral een boodschap die al deel is van ons collectieve bewustzijn regurgiteren? Waarom is de overheid erop gebrand om van dit rampenfilmscenario een dure B-film te maken?

Eerder dan op burgerzin te rekenen die, zoals de grootschalige zelfopsluitingen en de applauzen voor de zorgsector uitwijzen, wél aanwezig is onder de bevolking, worden we beschermd en bekeken. Dat hier politie aan te pas komt, tot daar aan toe: zo behouden zij hun loon, kunnen ze de burger informeren en terechtwijzen. Maar de introductie van drones is van een andere orde.

Pas weken na de uitbraak van de epidemie werden commerciële zaken verplicht gesloten, ging het land in lockdown. Tot veel later dan absoluut noodzakelijk was, kon u nog uw haren laten knippen bij uw favoriete kapper. En nu wordt aan de burgerlijke verwarring tegemoet gekomen met de introductie van radicale surveillancetechnieken. Angst wordt gecompenseerd met het installeren van argwaan.

Deze argwaan is functioneel, gezien het gevoel bekeken te worden onmetelijk veel krachtiger is dan de letterlijke aanwezigheid van de wet – het is grenzelozer, spreidt de blik van de staat tot waar ze niet komen kan. Zo wordt de drone, die op het eerste zicht een aansporing lijkt tot gezonde burgerzin, een vehikel om aan het volk te beklemtonen dat we in de eerste plaats een ​subject d​ienen te zijn. Iedereen is schuldig tot het tegendeel bewezen is.

Het spreekt voor zich dat drones zo een middel kunnen zijn om een aantal “devianten”, opzettelijke overtreders van de wet, te belemmeren of betrappen. En toch moeten we ons afvragen of dit wel dé manier is: een transparante wetgeving, een goed ingelicht politiekorps en een alternatief voor daklozen zouden immers niet alleen efficiënt zijn, ze reflecteren ook een veeleer constructieve moraal. De vraag is ook of de maatschappelijke winst wel het verlies overstijgt: met het inzetten van drones wordt immers een nieuwe “norm” geïntroduceerd, hetgeen, via gewenning en op termijn, veel minder logische vormen van machtsuitoefening mogelijk maakt.

De heropleving van staatscontrole is alvast geen geïsoleerd fenomeen: ook de EU, idealiter de grote beschermer van burgerrechten, relativeert sinds eind januari het geplande verbod op gezichtsherkenning op straat. Ook op federaal niveau liet Jambon al weten dat in zijn adaptatie van het kunstendecreet een beperkt aantal kunstinstellingen ‘structureel verankerd’ zullen worden (De Standaard, 27/03).

Concreet wil dit zeggen dat hij aan de precarisering van de kunstensector tegemoetkomt door beheersovereenkomsten te sluiten met kunstinstellingen, waardoor deze meer bestaanszekerheid zouden krijgen. Hiervoor komt in de plaats dat ze “iets strakker aan de teugel worden gehouden”. Eerder dan dus budget aanzienlijk te gaan verhogen en zo de onafhankelijkheid van de kunstensector te stimuleren, volgt hij zijn belofte van instabiliteit op met structurele inbedding en zekerheid. In ruil wordt een dichtere opvolging door de staat mogelijk – en zoals bekend is de nationalisering van kunstinstellingen (en dus de nationalisering van cultuur) een vitale stap in het bepalen van wat er al dan niet gezegd kan worden en wie dit recht tot spreken heeft.

Zo staan we aan de voet van een wereldwijde beweging richting onvrijheid – het soort onvrijheid dat in tijden van crisis niet alleen ongemerkt door de deur kan, maar ook actief gelauwerd wordt. Kijk maar naar Benjamin Netanyahu, die zich met ijzeren dwangmaatregelen (zoals een kliksysteem en het opvolgen van gsm-verkeer) als Israëls messias profileert in de hoop het einde van zijn termijn te ontwijken – of naar Orbán, die van noodwetgevingen gebruikmaakt om het laatste woord te verkrijgen over wat er in Hongaarse media verschijnt.

Zelfs de immer meelijwekkende Donald Trump steeg aanzienlijk in de Amerikaanse opiniepeilingen en dit ondanks zijn lakse optreden ten aanzien van het coronavirus. Blijkbaar zijn in deze tijden van crisis een afwachtende en bagatelliserende houding ​(“bij een gewone griep leggen we het land toch ook niet plat?”) g​enoeg om zelfs bij Democraten een kleine goedkeuring op te leveren.

Als iedereen een mogelijke bedreiging is voor de gezondheid, laat angst zich immers moeilijk sublimeren ten aanzien van een groep, noch kan ze volledig opgelost worden door routine of naastenliefde. En waar kan men dan op terugvallen? Hetgeen dat in de postreligieuze samenleving het meeste ontbreekt: autoriteit, die in onze plaats over ons lot kan beschikken als het troebel wordt. Zo wordt ons verlangen naar welzijn geconcentreerd bij “zij die wél weten wat verlossing brengt”, de politiek en de wetenschap. Jammer genoeg zijn politici evenzeer aan het vechten tegen onzekerheid: wel kunnen ze hierop inspelen, om ervoor te zorgen dat ze op zijn minst de macht die we denken te ontbreken kunnen blijven symboliseren.

Zo wordt het mogelijk om van deze precaire toestand gebruik te maken om ons te laten wennen aan moderne vormen van staatscontrole, die het mogelijk maken “het kaf van het koren te scheiden”, een norm te laten gelden boven de afwijkingen die haar constitueren. In China zijn de vruchten van een dergelijke ethos al zichtbaar: ze gaat zelden ten koste van de bezittende klasse, en kan er zelf toe dienen om zij die een lage ‘social credit score’ hebben een reispaspoort te ontzeggen. Zelfs de meest basale vormen van bewegingsvrijheid moeten het ontzien, worden een voorrecht eerder dan een basisrecht.

Zonder het optimisme omtrent de uitkomst van deze globale crisis te willen fnuiken, had ik dus graag het volgende geopperd: als staatscontrole het uitgelezen antwoord wordt op collectieve onzekerheid, is een ecosocialistische utopie nog even veraf als daarvoor. De deur komt immers open te staan voor controlemechanismen die, in combinatie met rechtse gedachtengoeden, onvoorzienbare vormen van uitsluiting mogelijk maken. Misschien is wat gezonde argwaan ten aanzien van drones dus inderdaad geen slechte oefening.

 

Juliet Hoornaert is afgestudeerd als theaterwetenschapper aan UGent en muziekjournaliste bij SBVRSV.press.

Creative Commons

take down
the paywall
steun ons nu!