Op zijn land in Chenini, droogt Amm Salah planten voor zadenproductie. Foto: Myrah Vandermeulen
Reportage - Kobe Hautekiet, Myrah Vandermeulen, Meriam Aissaoui, Olfa Hanneche

Een kolonisatie met zaden in de oases van Tunesië

Tien studenten van de Master Conflict and Development aan de Universiteit Gent trokken begin april 2019 voor drie weken naar het stadje Gabès in Tunesië, een stad in en rond een unieke fauna en flora van drie oases gelegen aan de Middellandse Zee. Deze biodiversiteit wordt sterk bedreigd door de zeer vervuilende fosfaat-industrie en staat het sociale leven van een groot deel van de bewoners die afhankelijk is van de oases heel sterk onder druk. De bevindingen van de studenten resulteerden in een reeks van 5 artikelen rond 5 thema's: sociaal protest, toegang tot land, toegang tot water, de zaden-business en de degradatie van het sociale leven in de oase. Dit vierde artikel focust op de zaden-business.

vrijdag 1 november 2019 04:19

We bevinden ons in Chenini, de enige maritieme oase ter wereld, bij de stad Gabès in Tunesië. Al eeuwenlang is landbouw essentieel in de oase. Landbouw in trois étages creëerde er een microklimaat: palmbomen (de hoogste ‘verdieping’), vervolgens fruitbomen zoals granaatappels en als derde étage groenten vormden samen een evenwichtig systeem. Bovendien waren de lokale variëteiten van gewassen goed aangepast aan het Tunesische klimaat. Water was overvloedig, voorzien door een natuurlijke bron. Boeren kenden geen tekorten aan grondstoffen, noch aan zaden, die zij zelf jaar na jaar produceerden door planten en grond te reserveren voor zaadproductie. Zo voorzagen zij de hele streek van voedsel, en leefden zij goed. Dit was het leven in de oase, tot niet zo lang geleden.

De stad Gabès is nu een van de meest vervuilde plaatsen van Tunesië (een zone of sacrifice ten dienste van industrialisering en economische ontwikkeling) vooral door de Groupe Chimique, die fosfaat verwerkt tot pesticiden en haar afvalstoffen in de zee dumpt. Industrie en agro-industrie veroorzaken een tekort aan water, waardoor boeren in de oase nu verplicht zijn te betalen voor irrigatie – vroeger ondenkbaar. Kleine boeren worden weggeconcurreerd door agro-industrie, en de introductie van hybride zaden versterkte hun afhankelijkheid en zette lokale zaden buitenspel. Sommigen ervaren de huidige situatie als een nieuwe kolonisatiegolf: een agrarische kolonisatie met zaden. Nog anderen noemen het ‘une guerre des semences’, een oorlog over zaden.

Effecten van de kolonisatie

Afhankelijkheid binnen Tunesische landbouw, zoals door exportgerichte handel en koloniale machtsrelaties, is niet nieuw. Tijdens de Franse kolonisatie (1881-1956) keken de colons neer op lokale, traditionele kennis. Boeren-kolonisten trok men aan met beloftes over de natuurlijke rijkdom, terwijl koloniale landbouwscholen moesten helpen zoveel mogelijk uit het land te halen. De kolonisatie had een enorme impact op de Tunesische agricultuur, zowel fysiek (bijvoorbeeld de immense toename van wijngaarden) als psychologisch (de onderwaardering van traditionele kennis). Ook na de kolonisatie wordt lokale savoir-faire nog als inferieur gezien.

Introductie van hybride zaden

Na Tunesië’s onafhankelijkheid in 1956, legde de staat zich toe op een moderniseringsproject met focus op industrialisatie en verstedelijking. De postkoloniale staat promootte een ‘Groene Revolutie’ pro mechanisering en industrialisering van de landbouw, ten koste van de kleine boer. Ook de neoliberale structurele hervormingsprogramma’s (in de jaren 80-90) droegen hieraan bij. De focus lag opnieuw op een ‘moderne’ landbouw. Kapitaal investeerde vooral in exportgeoriënteerde agrobedrijven en de verhoogde competitie over middelen zou een enorme impact hebben op de oase.[3] Zo was de komst van de agro-industrie het begin van het eind van het gebalanceerde oase-systeem.

Bovendien werden met de komst van de agro-industrie vanaf de jaren 1960, en meer nog vanaf de jaren 80-90, ‘hybride’ zaden geïntroduceerd. Deze veredelde zaden werden aanvankelijk gratis aan boeren aangeboden, met beloftes over hogere productie en minder werk. Een eerste oogst zorgde nog voor de beloofde kwantiteit. Een tweede jaar was de productie al een pak minder, en een derde jaar leverden de zaden niets meer op. Hybride zaden combineren de beste kwaliteiten van twee ouderplanten, maar kunnen die niet doorgeven aan een volgende generatie. Boeren kunnen deze zaden zelf niet vermeerderen en zijn verplicht tot het aankopen van nieuwe hoeveelheden. Zo trapten boeren in de ‘val’ van afhankelijkheid, en verdwenen lokale variëteiten stelselmatig.

Landbouw en staat vandaag: verbod op lokale zaden

De revolutie van 2011, ondanks haar kiem in rurale onvrede, met haar roep om waardigheid en brood, bracht niet veel verbetering in de relatie tussen kleine boer en staat. Vertrouwen ontbreekt, want de staat heeft nooit voor de kleine boer gewerkt, integendeel. Het (impliciete) verbod op verkoop van lokale zaden demonstreert dit.

Zadenwinkel in de Soek Jara, het centrum van Gabès. Foto: Myrah Vandermeulen

In een winkeltje in het centrum van Gabès, waar het groen tot buiten reikt, vertelt een zadenverkoper ons over de evolutie van zijn winkel en zadengebruik. Voorheen, toen zaden simpelweg werden uitgewisseld onder boeren, was er geen nood aan winkels als deze. Nadien, in de jaren na de opkomst van zadenwinkels in de jaren 1960 verkochten zij voornamelijk lokale variëteiten. Vandaag mag de verkoper echter geen lokale zaden meer aanbieden. De wet verplicht hem alleen zaden uit de officiële catalogus te verkopen. Die bevat enkel gepatenteerde, geïmporteerde variëteiten. De staat bevestigt zo de bestaande afhankelijkheidsrelaties. De verkoper zelf bekritiseert dit en benadrukt de voordelen van lokale variëteiten. Toch legt hij zich neer bij de wil van de grote verdelers en de wet – hij moet immers zijn familie onderhouden. Het doet de man “mal au coeur”.

Daarenboven bevoordeelt het Ministerie van Agricultuur grote bedrijven. Om investeerders aan te trekken, werd het boren naar grondwater in de steppe – tot voorheen verboden – toegestaan aan agrobedrijven. Om te mogen boren (tot wel 200 meter diep) moet de investeerder over een zeker kapitaal en land beschikken. Deze voorwaarde sluit kleine boeren uit, wiens bronnen in de oase ondertussen opdrogen door dit beleid. De bescherming van de oase is geen prioriteit. Vandaag is de ‘moderne’ agro-industrie grotendeels in handen van investeerders uit andere regio’s die, in tegenstelling tot traditionele landbouw, vooral winst boven het voeden van de lokale gemeenschap plaatsen. Zij focussen dan ook vooral op export, ten koste van de lokale voedselonafhankelijkheid.

De rol van de staat is ambigue. Dit wordt onder meer duidelijk in de tegenstelling tussen het Ministerie van Landbouw en het Ministerie van Milieu, die vaak lijnrecht tegenover elkaar staan. Het eerste ministerie promoot agro-industrie, het tweede duurzame landbouw en lokale variëteiten.

Uitgelicht: Amm Salah en zijn traditionele savoir-faire

Amm Salah demonstreert zijn kennis. Foto: Myrah Vandermeulen

Voor ons onderzoek bezochten we Amm Salah: de bekendste boer van Chenini, geciteerd in artikels en een hoofdrol in verschillende documentaires en de film ‘Couscous’. De kranige boer van 79 jaar oud, steeds met een rode Chechia op zijn hoofd, is een vaste gast op landbouwconferenties. Hij komt er praten over zijn werk alsook om zaden uit te wisselen. Salah cultiveert namelijk uitsluitend met lokale zaden die hij zelf produceert. Onder zijn pet bevindt zich een unieke schat aan ‘savoir-faire’. Hier is hij duidelijk trots op, zoals de tentoongestelde portretten en certificaten, en de rondleiding die hij ons graag geeft, aantonen.

Alle gewassen op Salah’s percelen zijn lokale variëteiten. Waar zijn werkwijze vroeger de regel was, is dit nu een unicum. Ondanks zijn beperkte inkomen, weerstaat hij toch aan de lokroep van hybride zaden. Zijn grootste motivatie is de liefde voor zijn beroep en het doorgeven van kennis. Hij benadrukt de voordelen van het werken met lokale variëteiten. Die zijn beter aangepast aan bodem en klimaat en zorgen dus voor een zekere stabiliteit. Bovendien is de kwaliteit van zijn producten beter dan die van geïmporteerde zaden. Ook wij waren overtuigd na het proeven van zijn verse sla.

Via mond-aan-mond reclame horen zowel consumenten als boeren over Amm Salah. Tijdens ons bezoek kwamen verscheidene buurtbewoners langs om groenten te kopen. Zij zeiden breed lachend dat ze dan tenminste zeker zijn dat het écht bio is – ofschoon zonder het bij ons gekende label. En ook boeren passeren hier geregeld. Zij komen vanuit verschillende regio’s om zaden te kopen waar ze zelf niet langer over beschikken. Salah bewaart ze allemaal in zijn voorraadkamer (een ware schatkamer!).

Voor Amm Salah werd het zweren bij lokale zaden steeds meer een ideologische keuze – een bewust afwijzen van afhankelijkheidsrelaties in de landbouw. De cruciale vraag is of zijn model, een model uit het verleden, opnieuw een model voor de toekomst kan zijn?

Amm Salah aan het werk in zijn kleurrijke tuin. Foto: Myrah Vandermeulen

Motivaties voor de shift naar hybride zaden

De besproken verschuiving in de landbouw gebeurde niet zomaar. Naast staatsinterventies duwden verscheidene andere factoren de boeren eveneens richting hybride zaden.

Druk van de markt

Variëteiten werden traditioneel geplant volgens de seizoenen. Vandaag trekt de markt zich hier echter niets meer van aan. Het hele jaar door is er druk om te produceren naargelang vraag. Hybride zaden kunnen eender wanneer geplant worden en zijn dus geschikt voor marktvraag, in tegenstelling tot lokale zaadvaste variëteiten (met een oneindige voortplantingscyclus) die seizoensafhankelijk zijn.

Daarnaast richten consumenten zich steeds meer op het uitzicht van groenten en vruchten. Vruchten van hybride zaden voldoen aan deze esthetische eisen. Aisha, een lokale onderwijzeres die ons haar ervaring als consument vertelde, benadrukt het verschil tussen vroeger en nu: “De presentatie is mooier, maar vanbinnen wordt de vrucht sneller rot.”

Lagere arbeidskosten

Hybride zaden vereisen minder arbeid, want worden sneller geoogst. “Bij geïmporteerde, hybride zaden kan je al na 70 dagen oogsten”, vertelt Hédi Hamrouni, een boer uit Chenini, “terwijl dit bij lokale zaden 4 maanden duurt”. Ook zorgen de chemische stoffen die met hybride zaden meekomen er bijvoorbeeld voor dat er minder onkruid is. Arbeid inhuren wordt overbodig, en al helemaal wanneer er met zaailingen (vooraf gekweekte plantjes) wordt gewerkt. Het gevolg is dat er minder (gespecialiseerde) arbeiders beschikbaar zijn, en waardevolle kennis verloren gaat.

Groupe Chimique Tunisien, naast akkers. Foto: Myrah Vandermeulen

Vervuiling

Ook vervuiling door de fosfaatfabriek dwingt boeren tot het gebruiken van hybride zaden. In Chatt Essalam vertelt een boer, wiens veld zich op minder dan 500 meter van de fabriek bevindt, over de impact op zijn oogst. “C’est comme si on jouait au lotto”: wanneer de wind fout staat en de giftige fabriekswalmen richting zijn veld waaien, kan dat veld op één nacht van groen naar geel, of zwart, gaan. Dit dwingt hem tot herzaaien, ook buiten seizoen, en dat kan enkel met niet-seizoensgebonden hybride zaden. Om een goede oogst te hebben zijn deze boeren bovendien gedwongen om chemische stoffen te gebruiken. De ironie is dat zij door de vervuiling van de fabriek verplicht zijn om hun velden nóg meer te vervuilen met pesticiden.[2] Het is een vieze vicieuze cirkel.

Twee broers in Chatt Essalam doen ons de situatie uit de doeken. Foto: Myrah Vandermeulen

Gevolgen voor het leven in Chenini

Het boerenleven in Chenini veranderde enorm in de afgelopen decennia. Lokale kennis, onder meer over zaadproductie, ging verloren. Boeren zijn afhankelijk van grote zadenverkopers en chemische producten. Kleine boeren werden uit het systeem geduwd, of verplicht tot schaalvergroting. Zo vond een differentiatie tussen boeren plaats, met enkelen die groeiden ten koste van de rest. De kleine boer die toch overleefde, deed dat als deeltijdse boer en heeft een tweede job elders. Zij die zich verzetten tegen de landbouw-industrialisatie en met lokale zaden voortdoen zijn zeldzaam. Ze verdienen amper hun brood.

Door deze moeilijkheden trekt de jeugd weg en ligt veel land er braak bij. De overgebleven boeren zijn misschien wel de laatste generatie die hier werkt; na hen zal het land aan de agro-business vallen, of verloederen.

Dode palmbomen door het aftappen van palmsap. Foto: Myrah Vandermeulen

Gevolgen voor ecologie

Ook ecologisch gezien is het gebruik van hybride zaden nefast. Dit omwille van het voorgeschreven gebruik van chemische voedingsstoffen en pesticiden. De zaden zijn namelijk gecreëerd voor cultivatie in bijvoorbeeld Amerika en dus niet aangepast aan Tunesische bodem en klimaat. Een heel assortiment aan producten is nodig om dit te doen werken. Dit zien we bij de zadenverkoper in Gabès: naast de blikken zaden uit Nederland en Amerika, vallen de flacons met pesticiden op (onder meer van het alomtegenwoordige Monsanto). De uitgestalde producten bevestigen dat geïmporteerde zaden nooit alleen komen, maar steeds in ‘pakket’ met de benodigde chemische stoffen.

Het overvloedige gebruik van chemicaliën veroorzaakt bodemverzilting en vervuiling van het grondwater. Bovendien zijn monoculturen en hybride zaden zeer kwetsbaar. Ze worden gecreëerd in labo’s en zijn bijgevolg niet adaptief aan veranderde klimatologische omstandigheden. En dit terwijl er – met het oog op klimaatverandering – net nood is aan een weerbare landbouwsector.

Uitgelicht: Ammar Hamrouni en de combinatie van lokaal en hybride

Ammar toont ons een (hybride) slakrop op zijn veld in Chenini. Foto: Myrah Vandermeulen

Ammar Hamrouni is een bioboer (al is dat concept bijna onbestaande in Tunesië). Al toen hij klein was bewerkte hij samen met zijn vader en moeder het land, en nu leeft hij van zijn chauffeurspensioen en van de landbouw.

Ammar heeft een voorliefde voor lokale soorten, maar werkt uit noodzaak zowel met lokale als geïmporteerde zaden. Hybride planten kan je tweemaal zo snel oogsten, met meer winst. Deze zaden koopt hij onder meer aan voor bepaalde niet-lokale groenten die erg in vraag zijn, zoals rode biet. Hij kan hiervoor ook met zaailingen werken, wat tijd en moeite bespaart. Wel boeten zijn hybride planten, zoals salades, aan kwaliteit in en moet hij jaarlijks zaden bijkopen.

In zijn huis heeft Ammar een grote collectie aan gedroogde lokale zaden. Foto: Myrah Vandermeulen

Ammar vertelt over lokale variëteiten die verloren gingen, waaronder een bepaalde kool met een zeer groot rendement. Die wil hij terugvinden; nu heeft hij slechts de herinnering. Lokale zaden die hij wel kon bewaren, wisselt hij uit met andere boeren uit de buurt. “En zo maak ik ineens ook reclame voor mijn groenten”, lacht hij. Net als Amm Salah verkoopt hij zijn zaden via mond-aan-mond reclame. Ook organisaties als de Association De Sauvegarde De l’Oasis De Chenini (ASOC, zie verder) kopen bij hem. Toch denkt hij niet dat zijn cliënteel zal blijven groeien. Er is amper aanmoediging om met lokale zaden te werken, niet vanuit de civiele samenleving, noch van de staat.

In de tuin zien we een bananenboom, wat ons verbaast. Ammar vertelt ons dat Chenini vroeger vol bananen stond. Echter, bananen vereisen veel water. Het huidige watertekort is een bijkomende oorzaak voor het verloren gaan van lokale variëteiten, onder meer meloen- en perzikvariëteiten. Ook wordt ons verteld dat in de jaren 1970 boeren zelf perzikbomen vernietigden ten voordele van hennaplanten omwille van de enorme vraag vanuit Libië. Het verlies van variëteiten wordt dus mee in de hand gewerkt door de groeiende focus op exportmarkten.

De toekomst is onduidelijk. Ammars kinderen werken niet op het veld en verlieten Chenini. “Met een andere job verdien je 10 keer meer”. Ooit legden 50 boeren samen om dit land van enkele Franse bezetters te kopen. Hun nazaten (waaronder Ammar en zijn broers) zijn nog steeds eigenaar. Wat zal er met deze gedeelde familie-erfenis gebeuren? Is Ammar de laatste generatie?

Bewustmakingsinitiatieven

De grootste uitdagingen voor de rurale gemeenschap rond Gabès zijn het verstoorde oase-ecosysteem en de afhankelijkheid waarin boeren verzeild raakten. Gelinkt aan het identificeren van problemen, is het zoeken naar oplossingen. Hoe kan worden vermeden dat traditionele landbouw uit Tunesië verdwijnt? Hoe kan de opgedroogde oase gered worden?

Eén van de nefaste gevolgen van ‘modernisatie’ is het verdwijnen van traditionele kennis. Deze savoir-faire is essentieel om de mogelijkheid van een alternatieve landbouw te behouden. Net daarom is het cruciaal om oudere en jongere generaties opnieuw bewust te maken van het belang van lokale variëteiten en duurzame landbouw. Verschillende organisaties in Chenini leggen zich hierop toe.

AFCO (Association Formes et Couleurs Oasiennes) focust op bewustmaking van jongeren via educatie met kunstprojecten. AFCO wil hen de nodige kennis meegeven en hen terug motiveren om het land te bewerken. Deze mentaliteitsverandering gaat hand in hand met een meer duurzame landbouwsector.

De oase waar ASOC en AFCO voor strijden. Foto: Myrah Vandermeulen

ASOC (Association De Sauvegarde De l’Oasis De Chenini) werkt rond de bescherming en het herstel van de oase. De organisatie is ooit opgericht met het doel de oase van Chenini als Patrimoine Nationale te laten erkennen. Het is echter afwachten of UNESCO’s goedkeuring er komt voor het vergaan van de oase zelf. ASOC steunt traditionele landbouw, waaronder het gebruik van lokale zaden. Ze organiseert vormingen rond ecologische landbouw en ondertussen zou zowat elke boer uit de regio bij ASOC gepasseerd zijn. Zelf bewaart ASOC lokale fruitvariëteiten in hun Jardin de la Biodiversité.

Voor ASOC is het helpen van boeren veelal een middel tot bescherming van de oase.[1] En net daarom tonen sommige boeren een zeker wantrouwen tegenover de organisatie. Daarenboven zijn er geen boeren vertegenwoordigd in het bestuur van ASOC. Ammar Hamrouni is van mening dat de directie van ASOC niets van agricultuur weet en te gebureaucratiseerd is. Volgens Ammar en enkele anderen met wie we spraken, zijn aanpassingen nodig om dichter bij de leefwereld van de boeren te komen.

Nationale Genenbank

De Tunesische Nationale Genenbank (BNG) valt onder het Ministerie van Milieu en promoot de valorisatie van lokale variëteiten. Dit doel verschilt erg van de prioriteiten van het Ministerie van Landbouw, dat de verkoop van zaden buiten de officiële catalogus verbiedt en zo het verkopen van lokale zaden de facto criminaliseert. De Ministeries werken erg gescheiden van elkaar.

De BNG werkt aan een catalogus van lokale variëteiten om deze zo te formaliseren en binnen het beleid van het Landbouwministerie in te passen. Het krijgt hiervoor hulp van lokale associaties (waaronder AFCO). Het doel is dat lokale zaden binnenkort in officiële winkels verkocht kunnen worden. Momenteel kunnen boeren reeds zaden aan de BNG vragen. Hiervoor hoeven ze niet betalen, enkel het jaar erop eenzelfde hoeveelheid zaad teruggeven. Op die manier kunnen ze zaden bij de bank bewaren.

Er schuilt veel potentieel in de BNG, maar één van de obstakels is – opnieuw – het gebrek aan vertrouwen bij de boeren. Om evidente historische redenen is het vertrouwen in staatsinstituties eerder zeldzaam in Tunesië. Daarenboven moeten boeren zelf de stap zetten richting de BNG dat enkel een bureau in Tunis heeft. Dit kan een te grote drempel zijn. Om haar potentieel waar te maken, is er dus een alternatieve strategie nodig, met meer budget en mankracht, zodat de BNG zelf tot bij de boer kan gaan.

Uitgelicht: Zakaria Hechmi – toekomstplan?

Zakaria vertelt ons over zijn leven in Chenini, en zijn motivatie om de jeugd de waarde van landbouw bij te brengen. Foto: Myrah Vandermeulen

Zakaria is een van de boeren die, in navolging van het werk van deze associaties, probeert om opnieuw te werken met lokale zaden. Gefrustreerd door zijn vorige job stortte hij zich op het boerenleven, in de voetsporen van zijn vader. Hij volgde allerlei vormingen, en ging aan de slag. Zakaria heeft een zoon te onderhouden, waardoor loon een belangrijke drijfveer is. Desondanks slaagt hij erin voornamelijk met lokale zaden te werken, gemotiveerd door het argument dat “les semences importées, c’est comme des drogues”. Samen met zijn vader toentertijd trapte Zakaria niet in het fabeltje van de grote importeurs, die boeren overtuigden met gratis zaden en hen zo meetrokken in een moeilijk te breken cirkel van afhankelijkheid. Hij beschrijft deze geschiedenis als een ‘guerre aux semences’.

Zakaria wordt gedreven door een persoonlijke liefde voor de métier, maar ook door het doel een betere kwaliteit te bekomen voor hemzelf en voor de consument. Een andere motivatie is het doorgeven van kennis. Vandaar zijn passie om studenten en scholen te ontvangen en te onderwijzen. In de toekomst wil Zakaria nog meer van zijn grond en tijd besteden aan het produceren van lokale zaden. Het verhaal van Zakaria is zo een mogelijke blauwdruk voor een duurzame toekomst voor Chenini.

Vrijhandelsakkoord ALECA

Die duurzame toekomst vereist grote, diepgaande veranderingen. Zoniet blijven de inspanningen van individuen en associaties ten spijt. Toch stelt de Tunesische staat haar prioriteiten niet bij. Integendeel, er worden gesprekken gevoerd voor een vrijhandelsakkoord tussen Tunesië en de Europese Unie: ALECA (Accord de Libre-Échange Complet et Approfondi). Dit zou vrije toegang tot de Tunesische markt voor Europese bedrijven faciliteren en hoogstwaarschijnlijk nadelig zijn voor de kleine Tunesische boer. Afhankelijkheid zou slechts toenemen en soevereiniteit over voedsel afnemen, terwijl het tegenovergestelde nodig is voor voortbestaan van boer, lokale variëteiten en oase.

Vrijhandelsakkoorden passen binnen het dominante voedselregime dat streeft naar voedselzekerheid via marktwerking, grootschaligheid, monocultuur en bewerkte zaden.[4] Het is echter niet zo dat grootschalige landbouw de enige en beste manier is om de wereld te voeden. Dit wordt steeds vaker gecontesteerd. Een ommekeer in prioriteiten is nodig, en een mogelijk alternatief is het principe van voedselsoevereiniteit. Dit principe stelt onafhankelijkheid en eerlijke voedseldistributie voorop en streeft naar een duurzame balans tussen het voortbestaan van lokale boeren en de bescherming van de leefomgeving.

Voedselsoevereiniteit en zaden als publiek goed

‘Voedselsoevereiniteit’ draait in de eerste plaats om zelfvoorzienendheid. Maar het gaat verder dan dat. Het gaat over autonomie en controle over lokale/regionale productie en consumptie. Het gaat over het beschouwen van toegang tot voedsel en land als een mensenrecht. Op die manier formuleert de beweging achter voedselsoevereiniteit een scherpe kritiek op de huidige marktwerking. Voedselsoevereiniteit staat als model tegenover het dominante corporate food regime, met zijn focus op export en grootschaligheid, en stelt dat kleinschalige, duurzame landbouw de wereld beter kan voeden dan industriële monoculturen.[5] Dit geldt zeker als we kijken naar de lange termijn.

Een Tunesische organisatie die zich hiervoor inzet is OSAE (Observatoire de la Souveraineté Alimentaire et de l’Environnement). Hoewel in Tunesië de helft van de bevolking gevoed wordt door buitenlandse producten, beschikt het land volgens OSAE over genoeg middelen, arbeid en kennis om zichzelf te voorzien. Het is absurd dat eigen kwaliteitsvolle producten worden geëxporteerd om zelf basisproducten – zoals couscous, toch traditioneel Tunesisch voedsel – te importeren. OSAE vraagt bijgevolg om het ALECA-akkoord niet te tekenen, en meer te investeren in de eigen landbouw.

Controle over zaden is een essentieel onderdeel van voedselsoevereiniteit.[6] Zaden, als essentiële grondstof voor landbouw, staan symbool voor vrijheid. Zij moeten publiek goed zijn, en geen patenteerbare handelswaren, om te vermijden dat zadengiganten als Monsanto eigendomsrecht claimen. Boeren moeten zelf zaden kunnen vermeerderen, uitwisselen, en bewaren. Ook het plaatsen van een genetisch slot, om zaden steriel te maken, is een principe uit de landbouwindustrie dat wordt aangeklaagd binnen de voedselsoevereiniteitsbeweging. Tenslotte zou informatie over nuttige technologieën en strategieën vrij beschikbaar moeten zijn.

Bijen in de tuin van Ammar. Foto: Myrah Vandermeulen

Waarop wachten we?

Organisaties als OSAE, maar ook ASOC en AFCO, verzetten zich tegen het huidige destructieve agro-industriële systeem en bieden een alternatief met hun focus op lokale zaden, kleinschalige milieuvriendelijke landbouw en het principe van voedselsoevereiniteit. Maar ook individuele boeren zoals Amm Salah, Ammar Hamrouni en Zakaria Hechmi maken deel uit van deze belangrijke beweging. Met veel doorzettingsvermogen geven zij vorm aan alternatieven. Het werken met lokale zaden is hiervan een essentiële component.

Welke lessen kunnen wij hieruit trekken? Op welke manier kunnen deze Tunesische boeren een model zijn voor een broodnodige mondiale transitie weg van agro-industrie met haar eenzijdige focus op winstmaximalisatie en weg van (markt)afhankelijkheid? De staat zou haar verantwoordelijkheid moeten opnemen, door onder meer het veiligstellen van ecosystemen en de promotie van lokale variëteiten (bijvoorbeeld via subsidies voor kleine boeren) als een prioriteit te beschouwen.

Indien de intrinsieke waarde van mens, leven en biodiversiteit ons niet overtuigt, tonen de Tunesische boeren ook nog dat een duurzame, kleinschalige landbouw beter bestand is tegen – en minder bijdraagt aan – de opwarming van de aarde. Moeten we wachten op de volledige teloorgang van de unieke oase in Chenini en vele andere waardevolle ecosystemen elders in de wereld als gevolg van de klimaatopwarming voor we alternatieven serieus nemen? Of, starten we de (zaad- en voedsel)revolutie nu?

Zakaria werkt aan alternatieven voor toekomstige generaties. Foto: Myrah Vandermeulen

Auteursnoot:

Dit artikel is gebaseerd op veldwerk uitgevoerd in de oase van Chenini van 9 tot 15 april 2019. Dit gebeurde in een team met Meriam Aissaoui, Olfa Hanneche, Kobe Hautekiet en Myrah Vandermeulen. De samenwerking tussen twee Tunesische landbouwingenieurs en twee Belgische politieke wetenschappers gaf ons een uniek perspectief. Dankzij Meriam en Olfa verliepen alle interviews en focusgroepen zeer vlot. We willen graag onze dankbaarheid jegens hen uiten, alsook naar alle respondenten (landbouwers en anderen) die tijd voor ons maakten.

 

Voetnoten:

[1] Carpentier, I., & Gana, A. (2017). Changing agricultural practices in the oases of southern Tunisia: conflict and competition for resources in a post-revolutionary and globalisation context. Oases and Globalization, 153-176.

[2] Ook ironisch is dat ze de producten van de naburige (pesticide)fabriek niet terugvinden in de winkel.

[3] Dit is een prioriteit die men kan bekritiseren. AFCO heeft als doel de bescherming van de oase, en stelt hierbij niet altijd het welzijn van de boer voorop – al is dit doorgaans wel gelinkt. Zo geven zij soms zaden van lokale variëteiten aan boeren zonder de boer in te lichten over welk gewas het gaat, en wordt de boer dus misleid ‘in het voordeel van de oase’. De natuur wordt boven de mens gesteld. Maar is de tegenstelling mens-natuur ondertussen niet achterhaald?

[4] McMichael, P. (2014). Historicizing food sovereignty. Journal of Peasant Studies 41(6): 933-957.

[5] Ibid.

[6] Kloppenburg, J. (2010). Impeding dispossession, enabling repossession: biological open source and the recovery of seed sovereignty. Journal of agrarian change 10(3): 367-388.

 

Meer info over dit project:

Begin april 2019 trokken tien studenten van de Master Conflict and Development aan de Universiteit Gent voor drie weken naar het stadje Gabès in het Zuiden van Tunesië. De reis maakte deel uit van hun opleidingsprogramma en werd geleid door prof. Koenraad Bogaert (Ugent) in samenwerking met prof. Sami Zemni (Ugent), dr. Soraya El Kahlaoui (Ugent) en prof. Habib Ayeb, voorzitter van het Tunesische Observatorium voor Voedselsoevereiniteit en Milieu (OSAE). De reis werd mede gefinancierd door het Franse Comité Catholique Contre la Faim et pour le Développement – Terre Solidaire (CCFD)

Gabès is een stad gebouwd in en rond een unieke fauna en flora van drie oases gelegen aan de Middellandse Zee. Sinds een aantal decennia wordt deze biodiversiteit echter sterk bedreigd door de zeer vervuilende fosfaat-industrie en staat het sociale leven van een groot deel van de bewoners die afhankelijk zijn van de oases heel sterk onder druk.

OSAE zet zich al jaren in voor de bescherming van de oases en tracht het bewustzijn te bevorderen rond het belang van lokale landbouw, voedselsoevereiniteit, milieubescherming, sociale rechtvaardigheid en de preservatie van natuurlijke rijkdommen. Onder de deskundige leiding van Habib Ayeb en OSAE werden de Gentse studenten samen met tien Tunesische collega-studenten uit de hoofdstad Tunis tien dagen lang ondergedompeld in het dagelijkse leven van Gabès en kreeg de groep een unieke inkijk in de huidige problemen rond grootschalige vervuilende industrialisatie en een landbouwpolitiek die vooral gericht is op export (naar het rijke Noorden). Beide vormen van lokale ‘ontwikkeling’ veroorzaken ernstige gevolgen voor de lokale biodiversiteit en voedselzekerheid.  

Na een intensief programma van terreinbezoeken, trokken de studenten er zelf op uit om in groepen van vier (telkens twee Belgische en twee Tunesische studenten) hun eigen veldwerk en onderzoek te verrichten. Hun bevindingen resulteerden in een reeks van vijf artikelen rond vijf verschillende thema’s: sociaal protest, toegang tot land, toegang tot water, de zaden business en de degradatie van het sociale leven in de oase. Deze reeks zal de komende vijf weken gepubliceerd worden door De Wereld Morgen.

De conclusies van de studenten zijn relevant voor iedereen die bezorgd is over de steeds urgenter wordende milieuproblemen. Bovendien geven de studenten ook een gedetailleerde kijk op de situatie in Tunesië en wordt al snel duidelijk dat sommige landen en regio’s in de wereld, voornamelijk in het Globale Zuiden, disproportioneel getroffen worden door de klimaatcrisis. Tenslotte plaatst het onderzoek van de studenten een aantal vraagtekens bij het dominante idee dat voedselzekerheid op wereldvlak enkel en alleen kan gevrijwaard worden met behulp van grootschalige industriële landbouw, monocultuur en een op export georiënteerde markt. Het concept van voedselsoevereiniteit dat gepromoot wordt door organisaties als OSAE stelt daar tegenover dat een duurzame toekomst en een mondiale voedselzekerheid veel beter gegarandeerd wordt door een beleid dat gericht is op een meer kleinschalige, sociaal rechtvaardige en duurzame vorm van landbouw.

Groepsfoto studiereis naar Gabès, Tunesië, April 2019

Creative Commons

dagelijkse newsletter

take down
the paywall
steun ons nu!