Erdogan, PKK en het Koerdische vraagstuk, een inleiding

maandag 21 oktober 2019 14:58

‘De verraderlijkheid en de wreedheid van de PKK.’ Het is de titel van een 200 bladzijden tellende publicatie die begin 2018 in duizenden brievenbussen valt in verschillende steden in België en Nederland. De auteur, Adnan Oktar, alias Harun Yahya, is een vreemde, steenrijke figuur met een eigen tv-zender. ‘Ultraconservatief, homofoob, antisemitisch, sekteleider en seksgoeroe’, aldus De Standaard van 29 januari 2018. Het boekje is in opruiende taal geschreven, gericht tegen de Koerdische Arbeiderspartij (Partiya Karkerên Kurdistanê, PKK). Die wordt omschreven als een ‘bloeddorstige communistische beweging die goddeloosheid en terrorisme predikt’.

De verspreiding van het pamflet valt samen met de Turkse aanval op de Noord-Syrische Koerdische enclave Afrin. De Turkse autoriteiten mogen de man dan wel ‘geestesziek’ noemen, zijn discours over de PKK is gemeengoed bij zowel de regering als een belangrijk deel van het Turkse electoraat. Het is een van de motivaties waarom ik mijn boek over de Koerdische kwestie schreef. Ik volg de Koerdische kwestie al meer dan twintig jaar. De eerste keer dat ik naar de Koerdische regio reisde was in 1997, aan het eind van een van de bloedigste periodes van het al decennia durende conflict. Ik neem deel aan een internationaal vredesinitiatief, de Musa Anter-vredestrein. Musa Anter was een geëngageerde schrijver en dichter die in 1992 is vermoord, zoals vele anderen voor en na hem.

De affaire is nooit opgehelderd (geklasseerd als ‘faili mechul’, ‘onopgelost’), maar voor tal van politieke moorden wijzen mensenrechtenorganisaties met beschuldigende vinger naar de Turkse contraguerrilla en aanverwante doodseskaders. Het is de bedoeling met de trein vanuit Duitsland naar Turkije te reizen met een 160-tal Turkse, Koerdische en internationale activisten. Als gevolg van Turkse druk op Duitsland wordt het uiteindelijk een buskonvooi dat vertrekt vanuit Istanboel, met op zak een oproep om de repressie stop te zetten en werk te maken van een politieke oplossing.

Gewelddadige repressie

Het protestkonvooi zal nooit zijn eindbestemming Diyarbakır (Amed in het Koerdisch), waar een groot vredesfeest werd voorbereid, bereiken. Het wordt een lange calvarietocht met talrijke controles, intimidaties en arrestaties door politie en leger. Duizenden Koerden verwelkomen enthousiast en hoopvol het konvooi, maar de Turkse pers bestempelt de deelnemers als ‘barış teröristleri’, ‘vredesterroristen’. Dat etiket is voldoende om een repressief en gewelddadig optreden tegen activisten te legitimeren.

‘Terrorisme’ is een begrip dat in Turkije – maar ook daarbuiten – deuren opent om politieke en burgerrechten met de voeten te treden. Aan de andere kant sluit het de deuren voor een onderhandelde oplossing. Ik heb er ondertussen verschillende reizen opzitten in de Koerdische regio’s in Turkije, Syrië en Irak. Ik zie daar een heel ander verhaal dan terrorisme: verzet tegen discriminatie en strijd voor een Koerdische identiteit. De jongste jaren gaat dat gepaard met de opkomst van een emancipatorische politieke beweging die streeft naar een ‘democratisch confederalisme’ waarbinnen basisdemocratie, vrouwenrechten, pluralisme en andere waarden centraal staan. Het is een brede beweging van organisaties, politieke partijen en militante (gewapende) groepen verspreid over de hele Koerdische regio.

Wat de PKK betreft, kunnen er vragen worden gesteld over de manier waarop ze die strijd voert, over haar dogmatische karakter ook. Zeker in de beginjaren van de guerrillaoorlog gaat de PKK er met de grove borstel door. Maar de anti-PKK-hysterie die hier te lande ook gedeeld wordt door sommige gezaghebbende politici, academici en activisten is ideologisch (Turks-nationalistisch) gemotiveerd, met een nogal eenzijdige zwart-witlezing van het conflict. Doorgaans berust ze ook op weinig kennis van zaken en wordt de moeite niet genomen om ter plaatse poolshoogte te nemen.

‘Terrorist’

Een van de ambities van mijn boek is een antwoord te formuleren op degenen die de PKK en haar zusterbewegingen in Rojava, Noord-Irak en Iran op sloganeske en ongenuanceerde wijze verwijten terroristische organisaties te zijn en die het onderscheid weigeren te maken met bevrijdingsbewegingen. Ook ANC-leider Nelson Mandela en PLO-leider Yasser Arafat, die respectievelijk streden tegen de Apartheid in Zuid-Afrika en de Israëlische bezetting van Palestina, werden ooit terroristen genoemd, maar kregen later zelfs de Nobelprijs voor de Vrede. Het is volgens mij een kwestie van tijd vooraleer de feiten en de evolutie van het conflict ervoor zullen zorgen dat ook PKK-leider Abdullah Öcalan, die de afgelopen decennia talloze oproepen deed voor een politieke oplossing van het Koerdische vraagstuk, van dat terroristische label verlost zal worden.

De begrippenstrijd gaat niet over symboliek. De erkenning dat het om een conflict gaat en niet om een of andere als legitiem verkochte oorlog tegen de terreur, is een noodzakelijke voorwaarde om tot een vredesproces te komen. Dat de Europese Unie en de VS de PKK sinds 2002 op hun lijst met terroristische organisaties blijven houden, helpt een politieke oplossing niet vooruit. Dergelijke lijsten zijn sowieso controversieel omdat er politieke motivaties schuilgaan achter het al dan niet categoriseren van organisaties als ‘terroristisch’. Voor de PKK kan daar verandering in komen. In België hebben zowel de Brusselse raadkamer (november 2016) als de kamer van inbeschuldigingstelling (september 2017) geoordeeld dat het Turks-Koerdische conflict inderdaad een gewapend conflict is en bijgevolg buiten de toepassing valt van de terrorismewetgeving.

Eind 2018 wordt ook een uitspraak verwacht van het Europees Hof van Justitie over de aanwezigheid van de PKK op die lijst. Meer dan honderd Europese parlementsleden roepen de EU alvast op om de organisatie van de terreurlijst te halen. Politiek is het terreurlabel ook om andere redenen moeilijk vol te houden. Zo leverde de VS sinds eind 2014 steun aan de Syrisch-Koerdische YPG (Yekîneyên Parastina Gel, Volksbeschermingseenheden), hoewel die gezien wordt als een zustermilitie van de PKK. En die steun verliep alsmaar intenser, zelfs zodanig dat VS-militairen op een gegeven ogenblik YPG-insignes op hun uniform begonnen te dragen, wat tot een diplomatieke rel met Ankara leidde.

Onderhandelingen

Ook andere Europese landen van de internationale coalitie die in Syrië tegen Islamitische Staat strijden, werkten samen met de YPG. Zelfs in Turkije waren er periodes dat de PKK als een gewapende tegenstander werd gezien met wie onderhandeld moest worden, om zo een einde te maken aan het conflict in het land. Dat was zo begin jaren 1990 en dan nog eens – in verschillende fases – van 2008 tot 2015. Persoonlijke machtsambities van de Turkse president Erdoğan en een aantal militaire incidenten zorgden er uiteindelijk voor dat Ankara zich de jongste jaren opnieuw compromisloos is gaan opstellen. Vandaag is de PKK als vanouds een ‘terroristische’ organisatie. Tegen terroristen en hun bondgenoten treed je hard op, met militair machtsvertoon en zware gevangenisstraffen. De Turkse president weigert opnieuw met ‘terroristen’ te onderhandelen en sluit daarmee de deur voor een politieke oplossing in Turkije, maar ook in Syrië, hoewel daar van de kant van de PKK en de PYD (Partiya Yekîtiya Demokrat, de Democratische Uniepartij) en andere gelijkgezinde bewegingen veel ruimte voor is geschapen.

Erdoğan weet als geen ander hoe hij de nationalistische gevoelens van zijn bevolking kan aanwakkeren. Hij staat erom bekend zeer polariserende taal te gebruiken, zijn tegenstanders te brandmerken en daarbij kwistig om te springen met het woord ‘terrorisme’. Het doel heiligt de middelen. Zijn hysterische discours was (en is) bedoeld om zoveel mogelijk de macht in zijn handen te concentreren en de regionale macht van Turkije uit te breiden. Critici van zijn regime worden genadeloos de mond gesnoerd.

Er zijn legio voorbeelden van hoe de president zijn autoritaire gezag laat gelden. In de aanloop naar de verkiezingen van 2015 noemt hij zijn politieke opponent, Selahattin Demirtaş, de toenmalige covoorzitter van de Democratische Partij van de Volkeren (Halkların Demokratik Partisi, HDP), botweg een ‘terrorist’. Erdoğan was zwaar op de tenen getrapt omdat Demirtaş zijn steun weigerde te geven aan de omvorming van het Turkse staatsbestel tot een sterk presidentieel systeem. Demirtaş, die parlementslid is, wordt in 2016 gearresteerd. Hij zit nog steeds in de cel en riskeert 142 jaar voor banden met een terroristische organisatie.

Iedereen terrorist

In maart 2016, enkele maanden voor de mislukte staatsgreep van juli 2016, houdt de Turkse president een pleidooi om de definitie van terrorisme te veranderen zodat ook ‘aanhangers’ eronder vallen zoals ‘parlementsleden, burgeractivisten en journalisten’. Hij doet dat na de arrestatie van drie academici op beschuldiging van ‘terroristische propaganda’ omdat ze een verklaring voorlazen waarin ze opriepen om de militaire operaties in het Koerdische zuidoosten van het land stop te zetten. Erdoğan zei dat ze een prijs voor hun ‘verraad’ zullen betalen. Wanneer het Turkse leger in de tweede helft van januari 2018 de Koerdische enclave Afrin binnenvalt om de ‘terroristen’ uit te roeien, vervalt hij in zijn gebruikelijke scheldproza met de nodige superlatieven: ‘Dat zijn barbaren, moordenaars, dieven, verkrachters. Dit zijn de nieuwe collaborateurs van de postmoderne kruistochten.’

Met de invasie redt Turkije ‘de eer van de gehele mensheid’. Hij waarschuwt de linkse pro-Koerdische oppositie (HDP) om niet te protesteren tegen de oorlog in Afrin met de woorden: ‘Weet dat waar je ook de straat optrekt, je de veiligheidsdiensten in je nek krijgt.’ Twee maanden later reageert een groep van studenten aan de prestigieuze Bogazici-universiteit in Istanboel met antioorlogsslogans op een actie van een nationalistische studentenclub. Die laatste deelt Turks fruit uit om de militaire overwinning tegen de YPG, de Syrisch-Koerdische evenknie van de gewapende vleugel van de PKK, in Afrin te vieren. De politie schuimt de campus af en arresteert een twintigtal studenten die tegen de oorlog protesteren. Het incident verleidt president Erdoğan om tijdens een bijeenkomst van zijn AK-Partij (Adalet ve Kalkınma Partisi, AKP) de studenten als ‘terroristen’ te brandmerken.

Al vele decennia lang zijn er Koerdische opstanden waar het centrale gezag, getraumatiseerd door de nederlaag en het gebiedsverlies na de Eerste Wereldoorlog, met veel militair machtsvertoon op reageert. Op de puinhopen van het Ottomaanse Rijk groeit een moderne natiestaat bestuurd volgens de principes van het kemalisme, genoemd naar de historische leider Mustafa Kemal Atatürk. Hij vaart een erg nationalistische koers. Voor een Koerdische identiteit is er geen plaats. Koerden zijn ‘Bergturken’ die geassimileerd dienen te worden, en dat leidt tot deportaties, Turkstalig onderwijs, verbod op het gebruik van de Koerdische taal …

Harde hand

Na Atatürks dood wordt de kemalistische koers angstvallig bewaakt. Telkens wanneer de seculiere en nationalistische principes in gevaar komen, grijpt het Turkse leger in. Met harde hand: linkse en Koerdische activisten vliegen achter de tralies, sommigen worden ter dood veroordeeld. Na de staatsgreep van 1980 oordeelt een groep van jonge linkse Koerden die eind jaren 1970 de PKK oprichtten, dat alleen de gewapende strijd de Koerden rechten zal geven. Aanvankelijk bestaat het doel van de gewapende opstand van de PKK uit de oprichting van een Koerdische staat volgens marxistisch-leninistische principes.

Als er begin jaren 1990 een voorzichtige opening komt met enkele wetswijzigingen onder de regering van premier Türgüt Özal, die onder meer het verbod op de Koerdische taal opheffen en Koerden niet langer definiëren als ‘Bergturken’, toont ook de PKK vanaf 1993 haar politieke wil. Ze kondigt voor de eerste keer een staakt-het-vuren af, doet een voorstel voor een politieke oplossing en zweert publiekelijk het separatisme af. Het dan nog almachtige Turkse leger en het gros van de politieke tenoren weigeren evenwel de dialoog en ontketenen in de plaats daarvan een ‘totale oorlog’. De guerrillaoorlog mondt uit in een heftig gewapend conflict waarin naar schatting 40.000 mensen het leven laten. Ankara schuift dat grote aantal doden in de schoenen van de PKK, hoewel het misschien vooral de zware staatsterreur is die een hoge tol eist. De Turkse mensenrechtenorganisatie IHD rapporteert eind jaren 1990 dat het leger 4000 dorpen heeft ontruimd of vernietigd. Verdwijningen en folteringen zijn schering en inslag. Volgens IHD zijn doodseskaders verantwoordelijk voor 4700 ‘onopgeloste’ moorden in de periode 1992-1997.

Een politieke uitlaatklep is er niet. Verschillende pro-Koerdische politieke partijen worden verboden. De PKK gaat zeker niet vrijuit. In de beginperiode voert ze evenzeer een harde en autoritaire militaire koers waarbij ze de burgerbevolking niet ontziet. De guerrillaorganisatie pleegt talrijke aanslagen op militaire doelwitten en geregeld worden strafexpedities gevoerd tegen ‘collaborateurs’ en ‘verraders’. Het huidige autoritaire bewind onder leiding van president Erdoğan grijpt terug naar het harde militaire regime van de jaren 1990. In de Koerdische regio treden leger en politie vanaf midden 2015 ongemeen hard op tegen acties en blokkades van de Patriottische Revolutionaire Jongerenbeweging (Yurtsever Devrimci Gençlik Hareket, YDG-H) in verschillende Koerdische steden.

Syrië

De jongeren roepen de autonomie uit als antwoord op de toenemende nationalistische koers van Ankara en de vijandige houding van Turkije in Noord-Syrië. Zij vrezen dat het regime Kobani, waar de YPG en de YPJ (Vrouwelijke Volksbeschermingseenheden, Yekîneyên Parastina Jinê) in de tweede helft van 2014 een hevige verdedigingsstrijd voeren tegen een oprukkende Islamitische Staat, aan de extremisten wil overleveren. Ankara haalt het grof geschut boven. Het leger kondigt een uitgangsverbod af. Mensen die zich buiten wagen, worden beschoten. Steden als Cizre, Sirnak, Nusaybin en Sur worden nagenoeg met de grond gelijkgemaakt. Honderden burgers vinden de dood. Het leger verhindert ambulances om de gewonden op te halen. De beelden van de verwoeste steden doen denken aan de oorlog in Syrië. Maar de NAVO-bondgenoten houden zich gedeisd. De relaties met Ankara verlopen zo al stroef genoeg en een te harde taal kan de belangen van de militaire alliantie schaden.

De oorlog tegen de PKK en pro-Koerdische bewegingen is al lang geen loutere binnenlandse aangelegenheid meer. Turkije heeft zijn strijd tegen de PKK naar het buitenland uitgebreid. Het Turkse leger is de afgelopen jaren zowel Noord-Irak als Noord-Syrië binnengevallen, waar het een aantal gebieden bezet houdt. Vooral Noord-Syrië is een doorn in het oog van de Turkse president. Erdoğan kan niet genoeg herhalen dat er wat hem betreft geen onderscheid is tussen Islamitische Staat en de Syrisch-Koerdische PYD (Democratische Uniepartij), een zusterpartij van de PKK. Hij legitimeert er de Turkse invasie tegen de Koerdische enclave Afrin mee.

Het succes van de strijd van de Koerdische Volksbeschermingseenheden YPG/YPJ tegen Islamitische Staat heeft ervoor gezorgd dat die een groot deel van de noordelijke grensstreek controleren. Ze zijn de militaire arm van een politieke beweging die het bestuur in handen heeft genomen van een Democratische Federatie van Noordelijk Syrië.

De PKK

De PKK heeft sinds haar oprichting een grondige gedaantewisseling ondergaan. De guerrillaorganisatie heeft zich getransformeerd van een gewelddadige autoritaire marxistisch-leninistische organisatie naar een beweging die haar ideologische ingrediënten onder meer in libertaire kringen is gaan halen. Doorheen de jaren, vooral tijdens zijn gevangenschap sinds 1999, heeft PKK-leider Abdullah Öcalan zich verdiept in het werk van heel wat denkers zoals Ferdinand Braudel, Immanuel Wallerstein, Maria Mies, Michel Foucault en vooral Murray Bookchin.

In de verschillende delen van de Koerdische regio (Turkije, Syrië, Irak en Iran) omarmen en propageren militante bewegingen de ideeën van Öcalan. In Bakur in Zuidoost-Turkije ontstaat vanaf 2011 op vele plaatsen een parallelle samenleving met initiatieven die het communalisme op politiek, sociaal, economisch en cultureel vlak in de praktijk proberen om te zetten. Het historische trauma dat in Ankara over een mogelijke afscheuring van de regio leeft, maakt dat het Turkse staatsapparaat alle juridische en militaire registers heeft opengetrokken om dit project de das om te doen. Het is evenwel in Syrië, waar manifestaties in 2011 in een burgeroorlog uitmonden, dat de voorwaarden worden gecreëerd voor een revolutionaire beweging in het Koerdische noorden van Syrië (‘Rojava’ of West-Koerdistan) die streeft naar een samenleving op basis van de ideeën van Öcalan.

Dit is de een bewerking van een stuk uit de inleiding van het boek Het Koerdisch Utopia van Ludo Debrabandere dat onlangs verscheen bij EPO. 

Creative Commons

dagelijkse newsletter

take down
the paywall
steun ons nu!