De olifant van Côte d'Or op zijn huidige standplaats voor het AfricaMuseum in Tervuren. Foto: © Philippe Schyns
Essay - Gie Van den Berghe

‘Wild’. Exotische dieren en mensen op Belgische Wereldtentoonstellingen

Volgens ethicus Gie van den Berghe toont het vernieuwde AfricaMuseum in Tervuren nog steeds niet het ware gelaat van het Belgische koloniale verleden. Over de manier waarop dieren en mensen werden afgebeeld tijdens én na de koloniale periode schreef hij 'Wild'. DeWereldMorgen.be publiceert het eerste deel van zijn essay.

woensdag 16 oktober 2019 22:49

Toen in december 2018 het AfricaMuseum in Tervuren zijn deuren opende waren de verwachtingen hooggespannen. Schrijfster Dalilla Hermans en historicus Marc Reynebeau beten de spits af: het koloniale verleden wordt niet kritisch genoeg belicht, al te veel herinnert aan wat nu onverholen racisme heet en de ‘weldaden’ van de kolonialen worden nog steeds verheerlijkt.

Men had, vonden ze, het oude museum beter behouden als getuigenis over kolonialisme en racisme, en het ingekapseld in een kritisch metamuseum. België is nog steeds niet in het reine gekomen met zijn onverteerd koloniaal verleden.

Foto: © Philippe Schyns

In de vele commentaren werd geen aandacht besteed aan het enorme beeld van een Afrikaanse olifant dat tachtig jaar lang de weg had gewezen naar het Koninklijk Museum voor Midden-Afrika, de voorloper van het AfricaMuseum. Door het verplaatsen van de ingang naar wat ooit de achterkant was, heeft het museum de olifant en zijn geschiedenis de rug toegekeerd. In het kader van de vernieuwing van het museum is dit niet van wezenlijk belang maar er zit wel een boeiende geschiedenis aan vast.

De betonnen Olifant bereden door Zwarten (Eléphant monté par des Noirs) is een werk van de Antwerpse dierenbeeldhouwer Albéric Collin (1886-1962), gemaakt voor de wereldtentoonstelling van 1935 in Brussel, de eerste universele expo na de Groote Oorlog. Vijfentwintig landen namen er officieel aan deel en vijf officieus (Duitsland trok zich uiteindelijk terug).

Foto: © Philippe Schyns

Belangrijke thema’s waren transport, met als aanleiding de honderdste verjaardag van de eerste Belgische spoorweglijn, en kolonisatie, ter gelegenheid van de vijftigste verjaardag van de ‘Onafhankelijke staat van Congo’ (Congo-Vrijstaat), het privébezit van koning Leopold II. Elk deelnemend land had op de Heizelvlakte een eigen paviljoen en daarnaast waren er – zoals op elke wereldtentoonstelling – paleizen over handel, industrie, landbouw, technologie en paviljoenen van commerciële bedrijven, zoals Persil, Byrrh en Philips.

Het jaartal en de benaming van de allereerste wereldtentoonstelling, die van 1851 in Londen, The Great Exhibition of the Works of Industry of All Nations, maken duidelijk dat World’s Fairs de étalage of hoogmis waren en zijn van de geïndustrialiseerde wereld, van de kapitalistische handel en wandel. Alle landen en deelnemers zetten hun beste beentje voor, probeerden elkaar de loef af te steken met spectaculaire paleizen. In feite waren en zijn het universele promotiecampagnes.

Op de wereldtentoonstelling van 1935 pakte Côte d’Or uit met een indrukwekkend paviljoen. De chocoladefabrikant, die sinds 1907 een olifant met geheven slurf als logo gebruikt, financierde een standbeeld van een gigantische olifant met daarop drie zwarte krijgers of jagers. Het dier ‘symboliseerde kracht, trouw, doorzettingsvermogen en lang leven’.

Het beeld kwam merkwaardig genoeg niet voor het paviljoen van Côte d’Or te staan, maar voor het ‘paleis van Belgisch-Congo’, een paviljoen dat volgens Onroerend Erfgoed – een agentschap van de Vlaamse Overheid – diende ‘als verwijzing naar het koloniale verleden van België’. Maar Congo werd, zoals bekend, pas midden 1960 werkelijk onafhankelijk.

Het werkelijke paviljoen van Belgisch-Congo stond, zoals te zien is op de volgende afbeelding, achter de olifant. Vlak voor de ingang van het gebouw stond een bovenmaats borstbeeld van Leopold II.

Aan de andere zijde van het Congopaviljoen stond een groot gebouw van de Société Auxiliaire de Propagande Coloniale (de privéfirma Soprocol) waarin promotie werd gemaakt voor Congotoerisme. In dit Soprocolgebouw was een panorama te bewonderen van Ruwenzori en het Parc National Albert, alsook een recyclage van het panorama van de Gentse wereldtentoonstelling in 1913.

Maar de grootste attractie was de Caravane Congolaise, een twaalftal levensgrote poppen die Afrikanen voorstelden die kisten sjouwden en door een witte baas werden aangevuurd.

In de koloniale tuin boden Congolezen in traditionele hutten zelf vervaardigde exotische voorwerpen en andere producten (chocolade, likeur) te koop aan. De directeur van het Koloniaal Bureau beklemtoonde dat de inboorlingen van nabij in de gaten gehouden moesten worden en aan strenge discipline onderworpen om misbruiken te voorkomen.

Côte d’Or verwierf dankzij de wereldtentoonstelling internationale bekendheid en in België verrezen ‘overal aan de stranden Côte d’Or-paviljoenen’. Veel was te danken aan de hoogwaardige Congolese cacao.

Toen de aanvoer ervan stokte tijdens de Tweede Wereldoorlog lanceerde Côte d’Or in 1940 de Congobar, minder verfijnde chocolade. Op een reclame uit die tijd wordt de Congobar aangeprezen door een Congolees in het uniform van de Openbare Weermacht, de onder Leopold-II opgerichte Force Publique – witte officieren, Afrikaanse soldaten – die in Congo-Vrijstaat en in Belgisch Congo een schrikbewind uitoefende.

Het door Côte d’Or gesponsorde kunstwerk werd in 1938 door de directeur van het Koninklijk Museum voor Midden-Afrika naar Tervuren gehaald en op ‘een ijzerzandstenen sokkel’ opgesteld tegenover de ingang van dat museum.

Volgens Onroerend Erfgoed zitten er op de olifant ‘drie Afrikaanse krijgers waarvan één speerdrager’. Begin 21ste eeuw werd het beeld van de Afrikaanse olifant als onderdeel van het Park van Tervuren een beschermd monument.

Op de witte olifant zitten drie naakte zwarte mannen. Twee zitten achter de kop, één met opgerichte speer, de ander houdt ze heel wat lager (twee speren dus). De derde man zit achterop en kijkt om. Zijn op de flank van het dier rustend schild is middendoor gebroken.

Albéric Collin en België waren wat olifantenbeelden betreft niet aan hun proefstuk toe. De beeldhouwer kreeg voor de Internationale tentoonstelling van 1930 in Antwerpen opdracht om twaalf reusachtige olifanten in gips te maken met een vergulde mantel­­­ over de rug.

Begin juni werden de beelden op stèles (steunpilaren, nvdr.) geplaatst aan weerszijden van de brug die het Kiel verbond met één van de hoofdingangen van de tentoonstelling. De Olifantenbrug verwees naar de Belgische kolonie, één van de thema’s van de tentoonstelling, en was bijzonder populair. De brug bestond zoals de meeste monumentale constructen van deze internationale tentoonstelling niet uit duurzaam materiaal en werd na afloop afgebroken.

 

Foto: UGent

Dit is de aanhef van een langer essay van Gie van den Berghe met tal van ongeziene en ongepubliceerde illustraties, alsook bronverwijzingen, noten en bibliografie. Dat essay kunt u hier lezen op de website van Gie Van den Berghe.

Tenzij anders vermeld komen alle illustraties in dit artikel uit het persoonlijk archief van de auteur.

Creative Commons

dagelijkse newsletter

take down
the paywall
steun ons nu!