Gatz eindigt mandaat met woordbreuk

dinsdag 23 juli 2019 11:37

Bij zijn exit als cultuurminister laat Sven Gatz een zoveelste teleurstelling na. Hij bracht de projectsubsidies van 3 naar 2 rondes en voorzag 1,4 miljoen minder. Van het recordaantal aanvragen (520 projecten) werden er slechts 90 gehonoreerd. Dat is 17 procent. Zoveel talentverspilling. No Gatz, no glory?

Besparen om te vermarkten, dat was het businessplan van cultuurminister Gatz. Dat blijkt opnieuw bij zijn laatste subsidieronde voor kortlopende en meerjarige beurzen, projectsubsidies voor individuele kunstenaars en voor organisaties.

Goedgekeurd, maar geen centen

Veel kunstenaars die bij deze ronde een ‘zeer goed’ als beoordeling kregen, zullen het toch zonder middelen moeten doen. Dat krijgen ze nu in de zomervakantie te horen, zo kan het stilletjes passeren. Dat ze dan maar ondernemer worden? Of renteloos lenen bij de cultuurbank en zichzelf zo aan de schuldketting leggen?

Je moet het maar meemaken: er valt niets aan jouw dossier te verbeteren, toch word je wandelen gestuurd. Zoveel verspilde energie die naar dossierschrijven ging, het komt neer op een ontmoedigingscampagne.

Vlaanderen zet in op erfgoed en immobiliën terwijl het talent van vandaag wordt afgeknepen. In 2018 klopte de cultuurminister zichzelf nog op de borst dat er eindelijk extra geld voor de projectsubsidies was gevonden, iets waarvan hij zelf benadrukte dat het om een noodzakelijke inhaalbeweging ging. Natuurlijk, toen moesten de verkiezingen nog komen.

Het is de evidentie zelve: dossiers met een positieve beoordeling moeten ook centen krijgen. Een verveelvoudiging van het budget voor projectsubsidies dringt zich al langer op.

Nu zet de omgekeerde tendens zich voort: het aantal aanvragen stijgt exponentieel maar het percentage aan gehonoreerde dossiers gaat verder in dalende lijn. 430 dossiers kregen een njet. Zoveel kunst die er niet zal zijn, daar zijn we allemaal het slachtoffer van.

Beeld: Steve Michiels

Verarming neemt toe

Ondanks alle beloftevolle beleidsnota’s stuurt het liberale cultuurbeleid verder aan op een toenemende verarming van de kunstenaars. Hoe democratisch kan je een cultuurminister noemen die geen rekening houdt met het onderzoek naar de beleidsnoden die de bevoegde instanties plegen?

Kunstenpunt, het steunpunt van de kunsten, trok onlangs bijvoorbeeld nogmaals aan de alarmbel: “Er is iets grondig mis wanneer professionele sectoren zo functioneren dat net hun kernspelers er niet in slagen om van hun praktijk te leven. Wanneer artistiek succesvolle artiesten aan het einde van de maand nog onder de rode lijn van de armoedegrens vallen, is dat een belangrijk signaal dat het hele systeem van werken, samenwerken, verlonen en sociale bescherming aan herziening toe is.”[1]

Kunstenpunt spreekt zelfs van een ‘deprofessionalisering van de kunstensector’, want de onbetaalde werktijd neemt systematisch toe. Organisaties kregen te weinig middelen waardoor de verloning van cultuurwerkers zich steeds meer beperkt tot de prestatie zelf. Het voorbereidende werk dat vooraf gaat aan de voorstelling, de tentoonstelling, het optreden of de draaidagen, zoals de creatie, zelfstudie, opleidingen, overleg en administratie, dient meer en meer op eigen kosten te gebeuren.

Hogere projectsubsidies zouden dit enigszins kunnen opvangen, maar die steun blijft dus uit. Dit duwt cultuurwerkers dieper in de werkloosheid. Werkloosheid als opvangnet voor periodes tussen opdrachten. Gewoon doen – maar dan zonder poen.

 

Robrecht Vanderbeeken is vakbondsverantwoordelijke, ABVV-ACOD Cultuur.

 

Bron:

[1] Delphine Hesters, Kunstenpocket#3, april 2019.

Creative Commons

dagelijkse newsletter

take down
the paywall
steun ons nu!