Lise Vandecasteele.
Opinie - Lise Vandecasteele

Bestrijd de armoede, niet de mensen in armoede

woensdag 22 mei 2019 17:07

Vorige maand schreef ik een opinie in de krant die heel wat stof deed opwaaien.[1] Ik stelde dat het Antwerpse OCMW een menswaardig leven niet (meer) als een recht beschouwt maar als een gunst. Het idee heerst dat armoede vooral een individuele verantwoordelijkheid is. Men zet in op het controleren en sanctioneren van mensen in armoede. “Met schaamrood las ik jouw opinie. Het klopt dat er veel te paternalistisch wordt opgetreden en dat arme mensen als onmondig of lui worden beschouwd”, schreef een gepensioneerd hoofdmaatschappelijk werker me.

Als sanctie een week geen leefloon

Anderen waren het daar niet mee eens. N-VA-ers beschuldigden me in een reactie van schuldig verzuim. Mensen in armoede niet sanctioneren als ze niet doen wat ze moeten doen, zorgt dat ze verder in armoede zullen blijven leven. Ook Monica De Coninck (sp.a) mailt me, ze vindt mijn opinie getuigen van populisme en mijn uitspraken antidemocratisch. De wet schrijft immers controle op behoeftigheid en werkbereidheid voor.

Een getuigenis. Een jonge vrouw komt ter horing op het Antwerpse OCMW-comité. Ze verschijnt er voor een tribunaal van acht politici en twee maatschappelijk werkers. Ze is dakloos en – omdat ze ‘onvoldoende goed meewerkt’ met het OCMW – krijgt ze een sanctie. Ze geeft onvoldoende door waar ze slaapt, ze ging niet naar de psycholoog en ze haalt haar post niet wekelijks op. Ze zal één week geen leefloon ontvangen. “We moeten een signaal geven, ze moet doen wat we haar vragen.” Zo legitimeert de voorzitter van het comité de sanctie. De ondervraging van mensen in het comité is weinig respectvol en getuigt van veel wantrouwen.

Ik verdedig dat de sanctie in deze precaire situatie onaanvaardbaar is. Maar het idee is dat de vrouw niet uit de armoede geraakt omdat ze niet voldoende haar best doet, en een sanctie haar ‘op het rechte pad’ moet brengen. Door de invoering van het GPMI (Geïndividualiseerd Project voor Maatschappelijke Integratie) is dit soort geldelijke sancties van mensen die niet goed meewerken mogelijk.

Het mensbeeld over mensen in armoede

We gaan hier niet in op het waarom van de armoede als maatschappelijke toestand en hoe grote en steeds grotere groepen mensen daar slachtoffer van worden. Daarover zijn vele en grondige studies geschreven. Ik wil het hier hebben over het mensbeeld dat aan de basis ligt van deze veroordeling. Mensen in armoede worden niet alleen als onkundig gezien, maar ook als onbetrouwbaar. Alle middelen lijken goed om de hulpvrager zogenaamd te ontmaskeren. In Antwerpen zijn er politiekers die als een ware Sherlock Holmes zelf aan de slag gaan. Ze pluizen tijdens de horing Facebook-profielen uit, ze sms’en met interimkantoren om te checken of mensen daar geregistreerd zijn, en gaan de mensen zelfs na de horing op straat achterna. Ze willen zien of mensen wel degelijk geen koppel zijn en of ze al dan niet een wagen besturen.[2]

Armoede wordt gezien als het gevolg van morele zwakte en niet als het gevolg van sociale uitsluiting of economische tegenspoed. Daardoor kunnen de comitéleden zorgeloos een ganse vragenbatterij op de mensen loslaten. Men moet geen doorgewinterde psycholoog zijn om te merken dat zulk kruisverhoor elke burger in verwarring brengt, zeker dus mensen die in een toestand van sociale uitsluiting zijn gedrongen.

Die ‘eigen schuld dikke bult’-ideologie dateert niet van vandaag, maar heeft een nieuwe impuls gekregen door het beleid dat in de VS en het VK wordt gevoerd en dat zijn spiegelbeeld heeft in de manier waarop de rijken in de watten worden gelegd. Iemand die rijk is, wordt over het algemeen als intrinsiek moreel hoogstaand beoordeeld en iemand die arm is, als moreel minderwaardig veroordeeld. Dit maatschappelijke bijgeloof wordt vertaald in neoliberale managementcredo’s van ‘responsabilisering’ , ‘flexibiliteit’, ‘efficiëntie’, ‘kwantificering’. Al deze ogenschijnlijk neutrale begrippen zijn evenveel canons van de nieuwe dominante theologie van de vrije markt en evenveel kanonnen gericht op de welvaartsstaat. Geen enkel onderdeel van onze samenleving lijkt nog te ontsnappen aan dit onbarmhartig model.

Zo ook in de welzijnssector. De begeleidingsfunctie van de maatschappelijk werkers, waarvoor ze dan toch zijn opgeleid, wordt uitgehold of verdwijnt helemaal. Ze worden verondersteld te controleren en te bestraffen. Ze ervaren een verzakelijking van hun opdracht, er is minder ruimte voor menselijk contact, voor laagdrempelige ondersteuning en aanklampende opvolging. Het accent wordt verschoven van solidaire naar individuele verantwoordelijkheid.

Maar hoe zijn wij in deze harde en kille wereld terechtgekomen? Wie of wat is er veranderd opdat zulke modellen ons denken en handelen zijn gaan overwoekeren? Waar zijn de zo geprezen ‘waarden en normen van de Westerse beschaving’? Waar is de warmte en het verzet tegen onrechtvaardigheid en leugenachtigheid? Wie of wat heeft dit mogelijk gemaakt en wie of wat heeft dit toegelaten?

Van liefdadigheid naar solidariteit en terug naar af

Tot in de 19e eeuw werd bijstand aan de armen vooral bedeeld via liefdadigheid. Rijke burgervrouwen en kloosterlingen hielpen de armen voor het eigen zielenheil en om andermans zieltje te winnen. Maar toen al wist Victor Hugo “dat de rijken niet zonder de armen kunnen bestaan (…) en dat hun immoraliteit altijd groter zal zijn dan dat de ellende van de armen diep is” (‘Les misérables’). Karl Marx heeft dat nog eens wetenschappelijk onderbouwd.

Vanaf 1925 hadden de ‘Commissies van Openbare Onderstand’ de taak om de ellende van de armen te verzachten. Maar steun bleef een gunst. In 1976 werd wettelijk vastgelegd dat de hulp voortaan een recht was. Het OCMW kreeg de wettelijke opdracht ervoor te zorgen dat iedereen een leven kan leiden dat beantwoordt aan de menselijke waardigheid. Het was de grote stap van armen- naar welzijnszorg. De welvaartsstaat kwam op volle stoom. Maar dat duurde niet lang.

Sinds de neoconservatieve ommezwaai in de jaren tachtig (Thatcher, Reagan, Friedman, Verhofstadt) wordt niet alleen getracht de welvaartsstaat radicaal door te spoelen, via een vloed aan privatiseringen. Ook en in hetzelfde élan tast men de democratische grondbeginselen onder deze staat aan (alt-right). Er doemt een sociaal-darwinistisch wereldbeeld op waar de ‘zwakken’ de prijs moeten betalen voor de misdadige graaizucht van de ‘sterken’. Denk aan de overval van de banken in 2008 en de besparingshype ten koste van de ‘zwakken’ die er uit volgde.

De dubbele bodem van responsabilisering

Responsabilisering, flexibiliteit, efficiëntie, vrije markt: al die gladde ideetjes, gebracht door een onuitputtelijke rij van managementconsulenten die nu ook over de sociale sector zwermen, hebben een dubbele bodem en paradoxale betekenis. ‘Responsabilisering’ betekent meer regelneverij voor de gewone mensen maar evenzeer deregulatie, dus minder regels, voor de elites en bijgevolg straffeloosheid. ‘Flexibiliteit’ staat tegelijk voor minder bescherming voor de werkende mensen en meer belastingparadijzen voor de kapitaalbezitters. ‘Efficiëntie’ betekent meer absolute en relatieve uitbuiting van de middelen (arbeid en milieu) én continue winst voor de aandeelhouders. De ‘vrije markt’ is in feite nooit ‘vrij’ geweest en wordt vandaag beheerst door kartels, oligo- of monopolies die zich via lobbyisten in regeringskringen wurmen. Daartegenover staat dat de arbeidsmarkt wordt gederegulariseerd en jongere of oudere werknemers slachtoffers zijn van de “Race to the Bottom”.

Dit nieuwe roofkapitalisme heeft de aanval ingezet op de beschavingsbastions van onze samenleving. Niet in het minst op de sociale sector, de gezondheidssector en het onderwijs. Allemaal sectoren die moeilijk weerstand konden bieden. Je kan geen behoeftigen van honger en kou laten omkomen, zieken in de kou laten staan, leerlingen op straat laten ronddolen.

Voor wat hoort wat

Kunnen we vandaag in de meest kwetsbare sector nog over ‘een grondrecht’ spreken? De praktijk toont iets anders. Dat is mijn vaststelling na drie jaar deelname aan de Antwerpse OCMW-comités. In deze comités passeren de individuele steunaanvragen bij acht politici. Op het digitale platform vinkt de politieker aan of men vindt dat iemand steun verdient of niet. Ze moeten geen deskundigheid over armoede hebben en verdienen een aardige duit aan zitpenningen.

Het is het ‘eigen schuld-model’ in volle operatie. Dat je dakloos blijft, ligt aan je zoekgedrag en niet aan het tekort aan betaalbare woningen. Dat je schulden hebt, komt door verspilzucht en niet omdat een leefloon volstrekt niet volstaat om aan de elementaire behoeften te voldoen. Het is gemakkelijker om hulp te weigeren als je gelooft dat iemand zelf voor een situatie kiest en zelf verantwoordelijk is. Mensen in armoede straffen lijkt wel belangrijker dan echte oplossingen zoeken.

Dat was al zo onder voorzitster Monica De Coninck (sp.a), met het devies ‘voor wat hoort wat’. Dat bleef zo onder Liesbeth Homans en Fons Duchateau (N-VA) die het harde neoliberale model volop binnen brachten en dat is nog altijd zo onder Tom Meeuws (sp.a) die al meermaals zijn lof zong over het beleid van zijn voorganger van N-VA. Beiden partijen, de één volmondig en de ander in de praktijk, zijn vertolkers van het hoger geschetste neoliberale model van uitsluiting en bestraffing en van een top-down benadering. Mensen in armoede mogen geen tegenmacht ontwikkelen, geen zelfrespect bewaren, ze moeten machteloze cliënten blijven. Wat deze functionarissen over het hoofd zien is dat hun politiek opportunisme hen het morele leiderschap kost.

Echte oplossingen tegen armoede

Studies en zelfs grootschalige sociale experimenten zoals het Canadese gelijke inkomensproject in de jaren 70 en 80, wijzen uit dat slechts een miniem deeltje van de mensen in armoede zich als ‘profitariaat’ gedragen. De verpletterende meerderheid van de mensen willen geen afhankelijkheid en hun bijdrage komt niet alleen ten goede aan hunzelf maar aan de hele gemeenschap. Dat is zo klaar als pompwater voor iedereen die wil zien, maar problematisch voor de mentale blindheid van de huidige neoliberale bestuurders of hun waterdragers.

De armoede groeit in ons land. Armoedeorganisaties, vakbonden, mutualiteiten, academici en maatschappelijk betrokken burgers trekken aan de alarmbel. We kunnen armoede uitroeien als we echte oplossingen bieden, zoals vervangingsinkomens optrekken, inzetten op betaalbare woningen, volwaardig werk op maat creëren, de waterval en uitval in het onderwijs bestrijden, de gezondheidszorg toegankelijker maken, het recht de kant van de rechtelozen doen kiezen, rechtvaardige belastingen heffen. Mensen in armoede willen hun leven uitbouwen en kunnen dat als men vertrekt vanuit vertrouwen in de kracht van mensen en hen de nodige ondersteuning biedt. We moeten de democratische grondbeginselen met overgave verdedigen, het recht op een menswaardig leven weer garanderen. Vandaag ben je ironisch genoeg al revolutionair als je tracht te behouden wat nog overeind blijft en terug wil winnen wat verloren is gegaan.

 

Notes:

[1]        https://www.pvda.be/voer_strijd_tegen_armoede_niet_tegen_armen

[2]          Men wil controleren of mensen een koppel zijn omdat een alleenstaande een hoger leefloon krijgt dan een samenwonende, en omdat men van partners familiale solidariteit verwacht. Ook wil men controleren of je een wagen hebt, omdat je die eerst moet verkopen alvorens je een leefloon kan ontvangen.

Creative Commons

dagelijkse newsletter

take down
the paywall
steun ons nu!