Bron: Pixabey
Opinie, Economie, Politiek, Cultuur, België -

Waarom een debat over cultuursubsidies?

In de hoop op wat animo, voerde Knack-journalist Peter Casteels vorige week nogmaals een oud debat op over het ‘nut van de cultuursubsidies’. Met de reacties die hij daarmee sprokkelde via zijn Facebook, maakte hij nog een vervolgstukje op Knack.be waarin hij verschillende personen van antwoord dient. Robrecht Vanderbeeken kan zich niet vinden in de woorden die in zijn mond werden gelegd en schreef een recht van antwoord. Knack weigerde het te publiceren. Het zou zeker geen politieke keuze zijn. Zeker niet…

maandag 3 juli 2017 17:40

Het is sympathiek dat journalist en cultuurkenner Peter Casteels mij in een discussie betrekt over het nut van cultuursubsidies, door me in zijn opinie ‘Waarom cultuursubsidies geven? Ik weet het nog altijd niet goed enkele fictieve standpunten toe te schrijven. Ik ga graag op de invitatie in om te kunnen aanstippen dat het debat pas context krijgt als we even stilstaan bij de vraag waarom het bij herhaling wordt opgevoerd. Dat debat startte op hetzelfde moment dat deze rechtse regering aan haar besparingsbeleid begon en in dat debat blijft er heel wat buiten beeld.

De vraag is bijgevolg ook: waarom zetten commerciële media intensief in op dit debat in plaats van bijvoorbeeld een debat over de blanco cheque van 400 miljoen euro overheidssteun die ze zelf krijgen? Dat is bijna vier keer meer dan de cultuursubsidies die via het kunstendecreet naar kunst en cultuur gaan. Het integrale cultuurbudget dat eveneens erfgoed, bibliotheken en sociaal-cultureel werk omvat, bedraagt circa 1,5 procent van het totale overheidsbudget. Onevenredig weinig, vergeleken met de aanhoudende kritiek die het krijgt. Met die subsidiepot voor cultuur, koop je daar nu één of twee straaljagers voor?

Er zijn subsidies en subsidies …

Dat kunst en cultuur onpopulair zouden zijn – een courante vooronderstelling in dit debat – is misplaatste framing aangezien de publieke interesse alsook het aanbod jaar na jaar toeneemt. Dat merkt iedereen die al eens een museum bezoekt. Bijvoorbeeld, vanwege de grote toeloop moest je voor de prachtige overzichtstentoonstelling van David Hockney in Londen minstens een dag op voorhand jouw bezoek reserveren binnen een vooraf aangegeven tijdsblok. En dat voor een evenement dat maanden liep, tot laat in de avond.

Ook een Brusselse instelling als het KMSKB doet het uitstekend, al hoort N-VA dat niet graag. Federale instellingen deugen niet, weet je wel. De tentoonstelling over de schilder Rik Wouters was nochtans schitterend opgezet en omkaderd. Elke Vlaamsgezinde cultuurmens zou zo’n evenement moeten koesteren.

Dat is allemaal maar mogelijk door een lange traditie aan ondersteunend cultuurbeleid door rechtstreekse subsidies, hetzij via fiscale constructies die private belangen ertoe aanzetten te investeren in kunst en cultuur. Weliswaar met een return betaald door de belastingbetaler. Samen met hun kunst en cultuur, kunnen die private belangen vervolgens zichzelf op het podium zetten. U denkt er de zelfverklaarde (en flink gesubsidieerde) kunstpaus Huts zelf maar even bij.

Welnu, het valt op dat het lopende debat vrijwel nooit gaat over die tweede, liberale vorm van cultuursteun: renteloze leningen, korting op taksen, fiscale cadeaus voor stichtingen en sponsors, enzovoort. In tegendeel: het debat over het nut van de cultuursubsidies dook in het najaar 2014 op toen er een nieuwe liberale cultuurminister aan zet kwam die meteen een besparing tot 7,5 procent op de lopende cultuurwerking doorvoerde. Woordbreuk door het beleid, heet dat.

Plots had de hoofdeconoom van VOKA, Stijn Decock, een opinie klaar die daags nadien onder de naam van VOKA-voorzitter Jo Libeer in de krant De Standaard en ook in de krant De Tijd verscheen. Andreas Tirez van de liberale denktank Liberales vervoegde de rondedans doorheen de kranten met een vergelijkbaar betoog. Deze side-kicks van de liberale minister Sven Gatz maken dan wel theoretische bezwaren tegen steun aan cultuur, maar zijn ze dan ook zo consequent om liberale steunmechanismen – die dienen om van de bemiddelde klasse de bemiddelende klasse te maken en dus liberale belangen aan zet te krijgen – op de korrel te nemen? Integendeel, Jo Libeer, intussen ex-VOKA, was toen zelf al volop creatief aan de slag met taxshelter-constructies.

Het is dus geen toeval dat dit netjes afgebakende publieke debat het huidige cultuurbeleid van besparen-om-te-kunnen-vermarkten begeleidde. We zien vandaag een omslag van directe publieke cultuurfinanciering naar een financiering van kunst en cultuur via toerismebeleid, creatieve industrie en fiscale acrobatie. Eigenlijk zou het debat, wil het voeling hebben met de actualiteit eerder dan die in één bepaalde richting te willen sturen, moeten gaan over de voor- en nadelen van soorten cultuurfinanciering en of we het ene dan wel het andere soort verkiezen.

Helaas blijft dat debat achterwege. Omdat het niet populair is? Of minder leuk dan de ‘culturo’s’ wat te jennen als zijnde een elitaire clubje subsidieslurpers? Met zo’n sensationele aanpak kan je weliswaar enkele bekende kunstenaars opvoeren die verontwaardigd reageren en in het defensief moeten gaan.

Daar kan je dan weer een andere kunstenaar tegenover zetten die goed cashte in de kunstmarkt en zichzelf liever als een selfmade man ziet en daarover ook wel even met zijn kop in de krant wil. Zo kon de heen-en-weer nog wel even doorgaan met riedels als ‘talent komt wel bovendrijven’, ‘ontbering scherpt de creativiteit’ of ‘wie het echt wil, komt er wel’. In de praktijk blijkt echter dan uitstekend jong talent steeds meer afhaakt. De werkomstandigheden zijn te precair. Zoveel kunst die er niet zal zijn, daar zijn wel allemaal het slachtoffer van. In de krant zullen we over dat verlies niet meteen iets lezen.

Het échte debat

De taxshelter biedt beleggers een rendement van ruim 10 procent. Deze dure financiering, die weinig democratische controle toelaat en er vooral op gericht is de grote musea, opera en ander prestigieuze instellingen in de handen te duwen van private spelers, heeft ingrijpende implicaties voor de toekomst van onze kunst en cultuur. In de filmsector zwengelde de taxshelter een commerciële industrie aan die regisseurs in een stramien van rendementsdenken duwt. Of een prent flopt in de zaal is dan minder belangrijk, zolang de facturen en premies maar betaald zijn. 

Met de komst van de taxshelter naar de podiumsector, kunnen we ons aan eenzelfde evolutie verwachten. Veel cultuurhuizen hopen dat deze financiering hen boven water zal houden. De private commerce die er aan vasthangt, nemen ze er dan wel bij, klinkt het. Deze liberale cultuurpolitiek stuurt ook in deze sector aan op een marktgerichte mentaliteitswijziging, omdat bijvoorbeeld het idee van een vzw-structuur onder druk komt te staan als zijnde iets complex en onaangepast voor een meer winstgerichte aanpak. Met de taxshelter zit je immers in het vaarwater van de vennootschapsbelasting. En ook al geeft de fiscus aan de eerste jaren geen controle uit te oefenen, wat te doen over een paar jaar? Toch maar overstappen naar een nv?

Kortom, door de financieringswijze te wijzigen van een democratisch steunbeleid naar een fiscale returnpolitiek, stuur je aan op een fundamentele omslag van de manier waarop de kunstensector vandaag is georganiseerd. Het is een debat dat Knack ook aanbelangt aangezien de familie van Rik De Nolf (Roularta Media Group) één van de belangrijke partners / aandeelhouders is in de cv Musical Rainbows, een coöperatieve die sterk inzet op cultuurbeleggingen via taxshelter.

Afschaffen dan maar?

Stel nu dat Peter Casteels het hier allemaal mee eens is maar een ander punt voor ogen heeft. Hij wil het niet hebben over het feit dat besparingen op zorg en cultuur onder dit beleid eigenlijk transfers zijn naar steun voor bedrijven. Hij wil het over een andere transfer hebben: aangezien vooral hoger opgeleiden naar musea en theater gaan, is er sprake van een transfer van arm naar rijk. Ten minste, als we even buiten beschouwing laten dat wie meer verdient (in principe) meer bijdraagt. Maar als dat het probleem is, die transfer, is dan het afschaffen van cultuursteun de oplossing?

Moeten we dan niet eerder inzetten op een progressiever cultuurbeleid zodat kunst en cultuur een zaak zijn voor en door iedereen? Als blijkt dat veel laagopgeleiden niet geïnteresseerd zijn in bijvoorbeeld literatuur of beeldende kunst, hebben we dan niet gedeelde verantwoordelijkheid de drempels te verlagen en hen tegemoet te komen zodat ze de waarde ervan samen met hun eigen creatief talent kunnen ontdekken? Door het afschaffen van de cultuursubsidies, maak je van kunst net een exclusieve speeltuin van de rijken. Dan is het pas echt een zaak van een bepaalde elite – een verwijt aan de kunstenwereld dat in dit debat deel van de inzet is. Blijkbaar wil men een kunstmatige wig drijven tussen wat heet ‘de culturo’ en de andere burgers. Je kan dat opvatten als bewuste neutraliseringspolitiek van een kritische en mondige groep burgers in onze samenleving.

Om mijn repliek op Casteels via een zijsprongetje even concreet te maken: een tijdje terug nam hij in een opinie (30/5) het zwakke toneelseizoen van regisseur Guy Cassiers op de korrel en vroeg hij zich af of de subsidies aan het Toneelhuis nog wel goed besteed zijn. Het dilemma is vervolgens: zullen we zijn geliefde Bourla dan sluiten, of kiezen we gewoon voor een nieuwe invulling? Het P.U.L.S-project, waarmee Cassiers zichzelf als begeleider omringt met jonge makers, is niet meteen een oplossing. Daar zal Casteels het wel eens mee zijn.

Dat vernieuwingsproject is een paternalistische constructie waarmee Cassiers zich tot aan zijn pensioen onmisbaar lijkt te willen maken. Het komt er eigenlijk op neer dat hij zich opdringt aan jong talent dat liever via een collectief wil werken maar door dit aanbod aan ‘artistieke dialoog’ verplicht wordt die droom even opzij te zetten en als individuele speler voor een betaalde carrière te kiezen. Door jonge makers in de klem te nemen, los je ‘de generatiekloof’ niet op. Integendeel. Wat we nodig hebben, is een herdenking van de wijze waarom we een publieke cultuurwerking organiseren. Laten we daarin investeren. Welke ideeën heeft Casteels daarover?

 Voor het grote publiek…

Om nog even terug te komen op de uitspraken die Casteels mij verkeerdelijk toedicht: had hij mijn boek Buy Buy Art (2014) gelezen, dan wist hij natuurlijk dat ik helemaal niet van mening ben dat kunst die met overheidsgeld is gemaakt per definitie beter is. Wat een vreemd idee. Uiteraard zijn er bijvoorbeeld ook uitstekende films die uit de Hollywoodstal komen en kan je evenzeer een lijstje maken van gesubsidieerde kunst die er beter niet was geweest. Dat Casteels vervolgens kiest voor een valse tegenstelling tussen ‘kunst die met overheidsgeld tot stand komt’ versus ‘werk dat dankzij de aandacht en interesse van het grote publiek gemaakt kan worden’ en waarmee hij dan marktconforme cultuurproductie bedoelt, laat ik voor zijn rekening. Ik zou mij hierdoor schuldig maken aan minachting voor het grote publiek?

Denkt Casteels werkelijk dat marktconforme cultuurproductie zich richt op het grote publiek? Of bedoelt hij eerder het grote geld? Beeldende kunstenaars die inzetten op de kunstmarkt, bijvoorbeeld, proberen doorgaans vooral in de gunst te komen van een specifiek kapitaalkrachtig kooppubliek. Entertainment, zoals blockbusters, doet dan weer aan risicomanagement en zet in op de grootst gemene deler omdat je zo inkomstenrisico’s aan de kassa’s afvlakt. Zo’n eenheidsworst, getuigt dat niet eerder van minachting voor je publiek?

Vervolgens, vanwaar de misvatting dat gesubsidieerde kunst niet met aandacht en interesse van het grote publiek wordt gemaakt? Cultuurparticipatie gaat niet over ticketverkoop en koppen tellen, maar over wat in die koppen omgaat. Participatie gaat over emancipatie en zelfontplooiing. De kunst democratiseren is: van een kleine kring kenners een grote kring kenners maken. Maar de concurrentie van leeg entertainment, dag in dag uit, slaat veel plat. Ook het ‘grote publiek’ wordt gekneed volgens de normen van een commerciële massacultuur waarin centen verdienen het alfa en omega is. Zo’n massacultuur creëert een valse behoefte aan zinledig vermaak en maakt mensen inert, meegaand en onkritisch.

In een tijd waarin je hoort dat ‘het publiek’ wel zal beslissen wat wel en geen kunst of cultuur is, het argument bij uitstek om marktwerking vrij spel te geven, wordt dus opvallend dikwijls vergeten dat ook ‘het publiek’ natuurlijk een product is van die markt. Niet alleen cultuur, maar ook een cultuurminnend publiek moet je scheppen. Daar is cultuureducatie voor nodig: het oude humanistische ideaal van de Bildung als buffer tegen het geweld van de markt.

Voortdurend leidt het rendementsdenken van de markt de aandacht af van wat waardevol is naar de snelle hap. Middelmaat en monocultuur zijn dan de norm. Het maakt monddood en leidt kritisch denkwerk af naar de simplistische en mediagenieke tegenstellingen die de machthebbers willen opvoeren, zoals de clash of civilisations en religieuze oorlogen, om het toch maar niet over economische uitbuiting, postkolonialisme en het onrecht van toenemende sociale ongelijkheid te moeten hebben.

Wil je ‘het publiek’ laten meebeslissen, dan moet je dat publiek via onderwijs wel alle kansen op cultivering en zelfontplooiing bieden. Geen marketing dus, maar opvoeding. Hierin is ook een taak weggelegd voor cultuurjournalisten zoals Casteels.

Maar daar ging het mij eigenlijk niet om in het debat dat hij wou voeren. In de discussie op zijn Facebook wou ik slechts een evident punt maken. Stellen dat bijvoorbeeld liefhebbers van opera maar wat meer uit eigen zak moeten betalen, is naast de kwestie. Want dat zal niet volstaan om het aanbod te blijven garanderen omdat het simpelweg te duur is.

Dat geldt helaas voor veel vormen van kunst en cultuur. Zonder intensieve publieke steun, is het gedaan met het rijke en diverse aanbod aan klassieke muziek met orkest en koor, theatervoorstellingen met een grote bezetting, eigenzinnige literatuur, tentoonstellingen of poëzie. Je krijgt dat commercieel gewoonweg niet rond. Zonder een jaarlijkse ondersteuning van enkele duizenden euro’s zal bijvoorbeeld Leonard Nolens niet langer de vrije ruimte hebben die nodig is voor het schrijven van zijn fantastische gedichten.

Kortom, een democratische financiering is noodzakelijk als garantie voor de ontwikkeling, de diversiteit en autonomie van artistiek talent. Wie het debat wil voeren in termen van economische return die kunst kan generen, of de meerwaarde die een buurman kan hebben aan mijn culturele ontwikkeling, gaat voorbij aan het eenvoudige inzicht dat je zonder publieke steun het veld drooglegt waarin creativiteit kan postvatten. Volstaat dat niet als argument? Willen we eigenlijk in een samenleving leven waarbij we het belang van kunst en cultuur voortdurend moeten verdedigen? Het is zoals bij de liefde, wie argumenten nodig heeft om zichzelf te overtuigen waarom ze zinvol is, zal dat ook niet meteen begrijpen. Want als ik mijn lief graag zie, wat is daar dan de meerwaarde van voor mijn buurman?

Overheidsuitgaven zijn niet per definitie ok

Een argument pro dat ik nog graag even toevoeg: je kan een theoretisch debat over het nut van cultuursubsidies op zich als oefening dan wel interessant vinden, maar waarom zouden we dat debat eigenlijk voeren als blijkt dat er in onze democratie, voor wat ze waard is, geen enkele politieke partij is die in verkiezingstijd niet plechtig belooft kunst en cultuur naar waarde te schatten? Wat zegt dat dan wel over ‘het grote publiek’? Zelfs Vlaams Belang breekt een lans voor kunst en cultuur, ten minste, alleen als die hun voorkeur wegdraagt.

Daarmee komen we bij nog een cruciaal punt in het debat over cultuurfinanciering: niet alles wat de overheid doet, is goed. In mijn boek probeer ik duidelijk te maken dat we beter niet denken in termen ‘voor’ of ‘tegen’ kunst en cultuur, alsof het een zaak zou zijn van cultuurliefhebbers versus cultuurbarbaren, maar wel over wat voor kunst en cultuur we willen. Alle kunst verhoudt zich tot de machtsverhoudingen die onze samenleving bepalen: door ze te verbloemen, te bekritiseren of te negeren. Daardoor neemt kunst onvermijdelijk positie in een cultuurstrijd in.

Er is cultuur die systeembevestigend werkt en cultuur die bevrijding uitdraagt. De wereld is dan wel een dorp geworden, in elke straat van dat dorp doet zich een sociale strijd voor en iedereen die door die straat loopt, moet positie kiezen. Moeten we het bijvoorbeeld respecteren als de eigenheid van het volk wil dat de vrouw aan de haard hoort? Moeten we met onze katholieke roots beamen dat Onze-Lieve-Vrouw van Vlaanderen verschenen is in Scherpenheuvel en dat de vrouw ondergeschikt is aan de man zoals de man ondergeschikt is aan Christus, want zo schrijft apostel Paulus het toch aan de Efezen?

Kunnen we in naam van de Afrikaanse eigenheid de besnijdenis van de vrouw goedpraten? Alle culturen van de wereld bevatten achterlijke en onderdrukkende aspecten waartegen een progressieve mens stelling neemt. Elke cultuur is onvermijdelijk ook een intern conflict. Dat maakt bijvoorbeeld de verzuchting om ‘de’ Vlaamse cultuur in het algemeen te omarmen en te promoten inhoudsloos. Het is een frase die vooral economische en electorale belangen dient.

Je kan dus wel flink investeren in kunst, maar daarmee heb je nog geen emanciperend cultuurbeleid. Het hangt allemaal af van het soort cultuur, de participatie, educatie en sociale mobiliteit. De maatschappelijke rol van kunst is een ideologische aangelegenheid: geen enkele kunst die daaraan ontsnapt. Opkomen voor kunst en cultuur betekent dus niet dat we zomaar elke vorm van cultuurcreatie moeten verdedigen. Cultuurstrijd houdt een normatief en kwalitatief oordeel in, spreekt een voorkeur uit. Elke samenleving is een arena van conflict en consensus tussen verschillende belangengroepen. Die dynamiek openlijk aan bod laten komen, dat is een uitdaging voor een democratisch cultuurbeleid.

Een rechtse, conservatieve overheid zal daarentegen inzetten op kunst die het natiegevoel en de traditie bevestigt; kunst en cultuur die in pas loopt van het stichtende verhaal dat men wil propageren. De overheidssteun die zo’n overheid voorziet, is een vergiftigd geschenk.

Naast het debat over soorten cultuurfinancieringen en waartoe die financiering moet dienen, is dat ook een belangrijk debat dat vandaag veel meer onze aandacht verdient: nu N-VA haar vertegenwoordigers in de bestuursraad van alle grote Vlaamse cultuurhuizen liet neerdalen, kunnen we ons aan een cultuurslag verwachten.

André Gantman (N-VA), de man die bij zijn aantreden als Antwerpse fractieleider vrijwel meteen opriep om het (naar zijn mening te kritische) stadsdichterschap af te schaffen, schuift aan als voorzitter van de raad van bestuur van het Kunsthuis in Antwerpen. Hij kijkt vooral uit naar het nieuwe Operaplein, zo meldde hij vorige week. Hoe wil hij die festiviteit in aanloop van de lokale verkiezingen aankleden? Wat volgens bepaalde politici zoal het nut van cultuursubsidies kan zijn, daarvan zullen we op korte termijn ongetwijfeld nog heel wat opmerkelijke voorbeelden krijgen die voer zijn voor het verdere publiek debat. Ik kijk alvast uit naar de bijdragen van Peter Casteels daaromtrent. 

Robrecht Vanderbeeken is filosoof, auteur van Buy Buy Art. De vermarkting van kunst en cultuur (EPO, 2015) en vakbondsverantwoordelijke voor ACOD Cultuur.

dagelijkse newsletter

take down
the paywall
steun ons nu!