Waarom ontslag Lamrabet wél een kwestie van racisme en aantasting van vrijheid van meningsuiting is
Samenleving, België, Brussel -

Waarom ontslag Lamrabet wél een kwestie van racisme en aantasting van vrijheid van meningsuiting is

Dichter Benno Barnard en schrijver Geert van Istendael richten een brief in De Morgen aan de voorzitter van PEN-Vlaanderen Joke van Leeuwen. Daarin stellen ze dat in hun ogen het ontslag van Rachida Lamrabet bij Unia géén kwestie is van racisme of een aantasting van de vrijheid van meningsuiting. Tijdens de voorstelling ‘Rachida Lamrabet spreekt’ op 20 juni in de KVS in Brussel maakten diverse inspirerende sprekers duidelijk waarom dat juist wél het geval is.

vrijdag 30 juni 2017 15:41

“’Rachida Lamrabet spreekt’, dat is de titel van deze avond”, begint Michael De Cock, artistiek directeur van de KVS in Brussel. “Deze avond, om te tonen dat Rachida niet alleen is en gesteund wordt door heel veel mensen.” Dat is inderdaad het geval, zelfs op de trappen en op de grond langs de zijkanten van de zaal hebben mensen plaatsgenomen om Rachida te horen spreken. 

Na haar ontslag bij het Interfederaal Gelijkekansencentrum Unia door de controverse over haar kunstwerk bleef Rachida Lamrabet niet bij de pakken neerzitten. Ze wil het debat dat in de kiem is gesmoord alsnog voeren, en wel met interviews in de media, een essay dat in september uitkomt met de titel Zwijg, ‘allochtoon’ én dus deze voorstelling in de KVS.

En in de KVS spreekt Lamrabet niet alleen. Voorzitter van PEN-Vlaanderen Joke van Leeuwen – aan wie Barnard en Van Istendael de brief gericht hebben –, artistiek directeur van de KVS Michael De Cock, hoogleraar mensenrechten Eva Brems, schrijfster Annelies Verbeke, sociologe en opiniemaakster Nadia Fadil en spoken word-artieste Samira Saleh nemen om de beurt voor Lamrabet het woord op het podium. 



vlnr: Voorzitter PEN-Vlaanderen Joke van Leeuwen, medewerkster KVS, schrijfster Annelies Verbeke, hoogleraar mensenrechten Eva Brems (UGent), Rachida Lamrabet, sociologe en opiniemaakster Nadia Fadil (KULeuven), artistiek directeur KVS Michael De Cock Bron: DeWereldMorgen.be

“Deze avond”, gaat De Cock verder, “als een reactie op de te snelle slordig geformuleerde hysterie die de illustratie is van een gebrek aan luisterbereidheid en het bewijs van intellectuele luiheid. Deze avond als NJET tegen zij die de kunst en de kunstenaar willen recupereren op welke manier dan ook.”

De Cock doet daarom een oproep aan de kabinetten, overheidsdiensten, ondernemingen, organisaties en ja, ook theaters: “Sluit expertise van welke orde dan ook niet uit, maar in. Zulke stemmen geven zuurstof aan een debat en vertegenwoordigen meningen die te vaak en te lang onder de radar blijven. Een samenleving die niet bij machten is om op een volwassen manier een kritische stem een plek te geven, is in zuurstofnood.”

Van mensenrechtenwaakhond naar schoothond 

“Als we bedenken wat Rachida Lamrabet is overkomen, dan gaat het over mensenrechten”, stelt Eva Brems, hoogleraar mensenrechten aan UGent, als ze na De Cock op het podium het woord neemt. “Het gaat over haar artistieke vrijheid om een mening te hebben die ingaat tegen die van de Vlaamse of Belgische meerderheid, inclusief de politieke meerderheid.” 




Maar er lijkt nog meer aan de hand, aldus Brems. Neem het onderwerp van de dissidente mening, het zogenaamde boerkaverbod. “In combinatie met een migratieachtergrond en religie van de auteur, brengt dit onderwerp ook de problematiek naar boven van de stigmatisering en discriminatie in onze samenleving tegenover de islamitische minderheid”, zegt Brems.

En het meest onrustwekkende vindt Brems dat “degene die Rachida Lamrabet heeft ontslagen, een instelling is, die is opgericht om mensenrechten te bewaken, om minderheden te beschermen tegen discriminatie.” Een instelling naar een model dat sterk gepromoot wordt door de VN en de Europese Unie. Volgens Brems worden daarbij twee zaken als cruciaal naar voren geschoven: effectiviteit en onafhankelijkheid. 

De bescherming van mensenrechten gebeurt vaak in samenwerking met de overheid, maar het basismodel moet toch een voortdurende controle en kritiek op de overheid zijn. “Een mensenrechtenorgaan dat dit niet kan of niet wil is nutteloos.” Het is tegen die achtergrond dat de sterke politieke kritiek en druk op Unia bij Brems de alarmlichten deed branden. “Toen ik me met een opiniestuk in het debat mengde, ging ik ervan uit dat ik Rachida en Unia samen steunde. De mogelijkheid dat Unia Rachida niet zou steunen kwam zelfs niet bij mij op. Toen duidelijk werd dat men Rachida opofferde, was ik oprecht diep geschokt.” 

Sindsdien maakt Brems zich grote zorgen. “Het werd namelijk duidelijk dat Unia die politieke kritiek deels heeft geïnternaliseerd en zo haar eigen onafhankelijkheid compromitteert.” Brems vraagt zich af: “Wat is erger vanuit het oogpunt van onafhankelijkheid? Dat men zou ingaan op een vraag van de minister om een medewerkster te ontslaan vanwege haar standpunt? Of dat de minister het niet eens hoeft te vragen omdat de organisatie de visie van de minister zich al eigen heeft gemaakt? De mutatie van mensenrechtenwaakhond naar -schoothond is al ingezet.”

Brems begrijpt absoluut niet hoe men zou kunnen denken dat de kritische blik op het verbod op gezichtsbedekking door een Unia-medewerker haar zou diskwalificeren. “Het wordt dus als een probleem gezien dat een medewerkster meer geëngageerd is voor mensenrechten en discriminatie dan Unia zelf. Een organisatie die een schoothond wil zijn in plaats van een waakhond heeft blijkbaar medewerkers nodig die opzitten en pootjes geven.”

“Als je een andere naam had …” 

“Wat er is gebeurd, is niet juist”, concludeert schrijfster Annelies Verbeke als het haar beurt is op het podium. “Het personage dat Rachida Lamrabet opvoerde in de tekst voor een film die kaderde in het thema privacy, heeft nooit bestaansrecht gekregen als personage. Politici hebben met macht een fictief personage eenzijdig geïnterpreteerd en het gelijkgeschakeld aan de auteur. En dit”, besluit Verbeke, “laat het ons onder ogen zien, gebeurt sneller bij Rachida Lamrabets afkomst en religieuze achtergrond”.

Dat is ook precies wat een Moldavische schrijfster enkele weken geleden – op een internationaal literatuurevenement in Oostenrijk – tegen Lamrabet heeft gezegd: “If you had another name, you could go on making your art, and nobody would be offended.




“En ik denk dat zij gelijk heeft”, zegt Lamrabet, als het langverwachte moment daar is en zij het woord neemt. “Met name mijn achtergrond zorgde voor een grote verwarring in de hoofden van de buitenstaanders die naar mij en mijn werk keken. Mensen vielen terug op een aantal stereotype opvattingen die zij dan verbonden aan mijn vermeende identiteit als, de vreemdelinge, de moslima. Zonder dat ik het zelf besefte was ik een personage geworden. Een personage in de verbeelding van mensen die naar mij keken en over mij oordeelden. En al de rest volgde daaruit.” 

Goddelijke wet boven de burgerlijke?

De film die Lamrabet heeft gemaakt gaat “over een devote vrouw die ons deelgenoot maakt van haar bedenkingen over een strafwet die haar verbiedt om op straat te komen met een gezichtssluier. Ze heeft het moeilijk met de inperking van haar vrijheid van geweten en haar recht op privacy. Ook heeft ze het moeilijk met het verlies van haar autonomie over haar eigen lichaam. In de film spreekt ze en eist ze haar recht op om de openbare publieke ruimte in te gaan. Ze gebruikt het woord om ons duidelijk te maken wat haar verzuchtingen zijn.” En door haar te laten spreken”, gaat Lamrabet verder, “werd ik door mijn voormalige werkgevers ervan beschuldigd, en ik citeer nu letterlijk: ‘De goddelijke wet boven de burgerlijke wet te willen plaatsen.’”

Wat zou er gebeurd zijn als Lamrabet een bewerking had gemaakt van Bret Easton Ellis’ Americal Psycho, een zot werk waarin mensen worden vermoord en verkracht. “Zou men me dan ervan beschuldigen dat ik vrouwen objectiveer en dat ik moord en verkrachting promoot?”, stelt Lamrabet als terechte vraag. “Dus ik sta hier dan als schrijfster, die door de buitenwereld niet erkend wordt als schrijfster, omdat ik in de verbeelding van sommigen de ultieme andere ben, een moslima met een verborgen agenda.”

Dat het woord geven aan een vrouw met een gezichtssluiter in een artistiek project tot doel zou hebben de goddelijke wet boven de burgerlijke te plaatsen, vindt Rachida Lamrabet een bijzonder gevaarlijke beschuldiging. “Die beschuldiging ontmaskert mij zogezegd als de radicaal, de verdoken islamiste. Niets van wat ik nu onderneem kan nog langer geloofd worden. Noch mijn werk als juriste. Noch mijn werk als schrijfster. Voor mij persoonlijk gaat dat veel verder dan broodroof. Het is een stigma op mijn huid. Op de huid van een vrouw, die vanuit de marge, zich mengt in het publieke debat met als doel, ja naïef en onnozel, een betere wereld te creëren.” 




“Het probleem is natuurlijk dat niet alleen ik dit stigma onderga. Mensen die ik ‘mijn volk’ noem, ondergaan dit stigma ook. Tot ‘mijn volk’ behoren al die mensen die als eeuwige vreemden worden gezien en omwille van dat vreemd zijn niet het recht hebben om de samenleving waarin ze leven openlijk en diepgaand te bekritiseren, ook al is dat met de intentie om die samenleving ten goede te willen veranderen.” 

Rachida Lamrabet verzet zich tegen dit monddood maken en dit stigmatiseren. “Omdat het woord het enige is dat ik nog heb.” Ze gelooft dat het vrije woord en artistieke vrijheid transformatief zijn in elke strijd voor emancipatie en gelijke rechten. De geschiedenis leert ons dat emancipatie alleen mogelijk is wanneer minderheidsgroepen zelf deelnemen aan het publieke debat en hun grieven en eisen kunnen articuleren en laten horen. Dat geldt voor de vrouwenbeweging, de holebibeweging en ook voor etnisch culturele minderheden.” 

Witte oppermacht

Nu worden vrije meningsuiting en artistieke vrijheid ingezet om het discours over gelijke rechten, racisme, anti-discriminatie en islamofobie zodanig te voeren dat alles bij het oude blijft, stelt Lamrabet. “Ik zou graag James Baldwin citeren die iets zegt over dit inzicht: ‘Het is op dat ogenblik dat ik me bewust werd van wat het is dat de witten in de wereld verenigt. Het is de doctrine van witte oppermacht die in staat is om eenieder te intimideren die zich als getuige opwerpt voor de stemlozen.”

Deze avond is een heel duidelijke boodschap die Rachida Lamrabet en iedereen hier in de zaal aanwezig de wereld in wil sturen: “Dat wij ons niet laten intimideren en in dit geval dat ik niet zal zwijgen”, belooft Lamrabet. 




Sociologe Nadia Fadil sluit de avond af met een verklaring op een prangende en belangrijke vraag. Hoe is het mogelijk dat een orgaan dat pretendeert op te komen voor antiracisme, een van haar weinige personeelsleden met een migratieachtergrond ontslaat, omwille van diens antiracistische mening? “Als buitenstaander kon ik deze paradox niet vatten. Deze tegenstrijdigheid verdient dan ook enige reflectie.”

Fadil wijst erop dat het antiracistische veld een toenemende tweedeling lijkt te kennen tussen de ‘goede’ versus de ‘slechte’ slachtoffers. Deze tweedeling valt volgens haar niet alleen samen met een tegenstelling tussen een meer politieke versus een minder gepolitiseerde kijk op racisme, maar ook met de manier waarop het moslimvraagstuk vandaag het huidige antiracistische discours diep verdeelt. Daarbij maakt Fadil het onderscheid tussen een eerste visie op racisme die racisme vooral als een morele kwestie beschouwt – en die volgens haar nog steeds het antiracistisch veld domineert – en een tweede visie die racisme vooral als een herverdelingskwestie benadert.

Racisme: morele visie vs een structurele visie 

Fadil: “De hoofdzonde die Rachida heeft begaan is dat ze slechte slachtoffers is gaan verdedigen. Figuren die in een moraliserende kijk op racisme als extremisten worden gezien. Een spanningsveld dat kenmerkend is voor de manier waarop antiracisme zich heeft ontwikkeld tussen het discours dat racisme vooral als een uiting ziet van intolerantie of een extremistische ideologie die ongelijkheid promoot versus de positie die racisme in eerste instantie als een structuur ziet of een anders onderdrukkend systeem.”

Bij het laatste wordt racisme niet louter als het product van een kwaadaardige ideologie gezien, maar als kenmerkend voor de manier waarop moderniteit het kapitalisme en natiestaten functioneren. “Een kenmerk van dit systeem is een continue bevraging van wie toegang zal hebben tot geld, middelen en prestige binnen deze staten”, zegt Fadil. “Daardoor vindt er een voortdurende selectie van de mensen plaats.” 

De koloniale expedities zijn volgens Fadil dan ook een belangrijke voorbode geweest voor de manier waarop racisme een belangrijke bestuurslogica gaat worden. “Racisme fungeerde immers als de infrastructuur binnen de kolonies die bepalend was voor de manier waarop administraties beheerd werden. Het onderscheid tussen de ingezetenen en de kolonialen kenden in verschillende kolonies een expliciet raciaal karakter. En deze tweedeling bepaalde dan ook het juridisch statuut van die ingezetenen. En hun toegang tot de geproduceerde rijkdommen.” 

De moslim: een lastig antiracistisch subject 

Deze tweedeling tussen een morele lezing van racisme en een structurele lezing van racisme heeft ook tot verschillende vormen van antiracisme geleid. Fadil: “Terwijl een meer morele lezing zich vooral heeft gericht op een morele strijd tegen extreemrechts, heeft de tweede van meet af aan haar pijlen gericht op discriminerende structuren die minderheden systematisch marginaliseren.” 




Intussen lijkt er in onze maatschappij een nieuwe consensus in de maak te zijn over wie vandaag het nieuwe kwaad is. “Er gaat geen week voorbij of de media prijken met berichten over geradicaliseerde moslims, extremistische imams of extremistische ideologieën die aan de basis liggen van de aanslagen waarvan we in België ook het slachtoffer zijn geweest.” Net daarom blijkt de moslim een lastige antiracistisch subject te zijn. Het idee dat moslims mogelijk slachtoffers van racisme zouden kunnen zijn, is zo moeilijk te vatten aangezien zij ook vaak als dader worden gezien, stelt Fadil. 

“Wat voor sommigen discriminatie is, zoals het boerkaverbod, is voor anderen een beperking van wat ze als een symbool van onderdrukking zien en dus legitiem. Rachida Lamrabet zou geen goede antiracist zijn en evenmin een slachtoffer van racisme, omdat ze uitsluiting centraal plaatste in haar antiracisme en vrouwen verdedigde die in de ogen van velen niet als slachtoffer maar als dader werden gezien binnen het moraliserend kader. Deze visie is zo dominant geworden dat die zelfs tot radicale uitsluiting van ‘sluier dragende vrouwen’ uit onze maatschappij heeft geleid. En daarom verdiende Lamrabet ontslag door een orgaan dat antiracisme promoot.

Geracialiseerde minderheden het voorwerp van debat ipv gesprekspartner

Fadil haalt er de Indiase filosoof Gayatri Chakravorty Spivak bij die in 1983 het beruchte en roemmakende essay Can the subaltern speak? publiceerde. Daarin schreef Spivak dat geracialiseerde minderheden in een Westers discours doorgaans verschijnen als de geobjectiveerde andere die het voorwerp zijn van een debat, maar zelden als een equivalent gesprekspartner die ook mee het kader bepalen. 




“Vanavond zijn we door het verhaal van Rachida wederom getuige van de structurele contradicties die ervoor zorgen dat de subaltern nooit volledig over het legitieme spreekrecht lijkt te kunnen beschikken”, zegt Fadil. “Ook niet wanneer het over antiracisme gaat. Rachida kon immers geen antiracist zijn, althans niet van het soort dat we binnen de officiële rangen van het antiracistisch discours als aanvaardbaar beschouwen. Haar moslim-zijn maakt haar per definitie verdacht omdat de islam wel eens een kwaadaardige ideologie kan zijn. De stap van slachtoffer naar dader is dan ook heel snel gemaakt. Daarvan is niet alleen Rachida getuige, maar een lange rij van mannen en vrouwen die omdat ze van extremisme beticht worden hun spreekrecht binnen deze maatschappij onherroepelijk verliezen. Dat dames en heren, is structureel racisme.”

dagelijkse newsletter

take down
the paywall
steun ons nu!