Het is allemaal de schuld van het postmodernisme
Analyse -

Het is allemaal de schuld van het postmodernisme

Nee, toch niet. Maar sommigen willen ons dat wel laten geloven. Waarom?

donderdag 1 juni 2017 16:50

Het is tegenwoordig nogal in de mode om eens goed af te geven op “postmoderne” denkers. Enige tijd geleden bijvoorbeeld, beschuldigde Marc Elchardus postmoderne denkers ervan verantwoordelijk te zijn voor de opkomst van fake news. In zijn woorden:

“Lang voor er sprake was van sociale media, werd het ondermijnen van waarheid en feitelijkheid gepromoot in academische kringen. Vanaf de jaren 70 van de vorige eeuw groeide daar een archipel van “studies”, disciplines zonder al te veel discipline in feite: postkoloniale studies, feministische studies, queer-studies, cultural studies. Zij delen een postmoderne gezindheid, alsook het streven naar deconstructie. De rede, de wetenschap, het zorgvuldig toetsen van hypothesen, het nuanceren met cijfers, het rechtlijnige denken en zelfs eenvoudige duidelijkheid, werden beschouwd, niet alleen als westerse eigenaardigheden, maar als vormen van imperialistisch geweld waarmee de derde wereld werd onderdrukt, de “Ander” beledigd, het “Verschil” vernield en “homogenisering” betracht.”

Ook de senior writer van De Morgen, Joël De Ceulaer, zit op die lijn. Voor hem staat het postmodernisme gelijk aan een linkse poging om de waarheid te ondermijnen:

“De linkse afrekening met de waarheid begon in de jaren zeventig, toen dat zogenaamde postmodernisme werd gelanceerd door Franse filosofen als Michel Foucault en Jacques Derrida. Zij ­stelden het grote project van de moderniteit – ­verlichting, ratio, wetenschap, waarheid! – fundamenteel ter discussie. De waarheid was maar een constructie van de machthebbers, en altijd ­relatief.”

De spits van het legertje opiniemakers dat ten strijde trekt tegen het postmodernisme is ongetwijfeld Maarten Boudry. In talloze teksten valt hij het zogenaamde obscurantisme aan van postmoderne denkers. Op Twitter noemde hij de Franse filosoof Jacques Derrida “een postmoderne charlatan”, net zoals Jacques Lacan:

“Het obscurantisme van postmoderne denkers is helemaal geen eerlijke mislukking, maar een moedwillige strategie. Neem eender welk college van Lacan, en je ziet een charlatan aan het werk, die verwoede pogingen doet om een mistgordijn op te trekken, om de lezer zand in te ogen strooien en te intimideren met achteloze verwijzingen naar wiskundige concepten waar hij zelf niets van snapt.”

Ik zou nog een tijdje kunnen doorgaan met het citeren van auteurs die hun afkeer uiten ten aanzien van het postmodernisme. Maar laat me, voor ik de kritiek op het ‘postmodernisme’ onder de loep neem, eerst iets zeggen over het begrip postmodernisme. Dat begrip is een nogal leeg begrip dat dient als etiket om erg uiteenlopende filosofen in een bepaald kamp onder te brengen.




Postmodernisme is een naam die gebruikt wordt voor een amalgaam aan denkers die behoorden tot het structuralisme, het poststructuralisme, de psycho-analyse of het (post-)marxisme. Meestal wordt het etiket postmodern aangewend om te verwijzen naar Franse, na-oorlogse denkers. In het bijzonder dan Jacques Lacan, Jacques Derrida, Gilles Deleuze, Jean Baudrillard en gelijkgestemden. Voor het gemak zal ik de benaming ‘postmodernisme’ en ‘postmodern’ hier blijven gebruiken in deze tekst, alhoewel deze dus niet echt accuraat is.

Warrig

Wat wordt die zogenaamde postmodernisten nu precies verweten? Eigenlijk komen steeds dezelfde twee kritieken terug:

a) Het taalgebruik van de postmodernisten is ondoordringbaar, onbegrijpelijk, warrig, obscuur of nonsensicaal. Het is uiteindelijk gewoon wat blabla, wat moeilijk doen om moeilijk te doen. Confer Maarten Boudry.

b) Het postmodernisme huldigt een relativisme en nihilisme dat een algehele verwarring in de menswetenschappen en de samenleving als geheel met zich meebrengt. Het heeft ons laten afwijken van wat waar, redelijk en common sense is. Confer Elchardus.

Houden die argumenten steek? Eigenlijk niet. Laten we beginnen met het argument over de vermeende obscuriteit van postmoderne denkers. Eigenlijk getuigt dit argument gewoon van een gratuit anti-intellectualisme. Ongeveer alle filosofische teksten hebben een zekere mate van ondoordringbaarheid en veronderstellen scholing en studie om begrijpbaar te worden. Waarom? Omdat ze meerlagig zijn, gebruik maken van specifieke concepten en verwijzen naar andere teksten binnen de geschiedenis van de filosofie.

Neem bijvoorbeeld het citaat van deze ‘postmoderne’ auteur:

“Voor elk van de geordende, welbepaalde voortbrengselen van de natuur geldt dat het niet van een bepaalde hoedanigheid is doordat het zo wordt, maar dat het veeleer zo wordt omdat het van een bepaalde aard is. Worden volgt zijn en is omwille van zijn – niet omgekeerd.”

Tegenwoordig zou een stuk tekst als dit weggelachen worden als obscuur en verward. Toegegeven, dat is het ook als je de context niet kent en nooit een cursus filosofie hebt gevolgd. Dit citaat is trouwens van Aristoteles, een filosoof die je niet bepaald postmodern kan noemen. Ik zou hier nog een rits andere moeilijke citaten kunnen posten van filosofen als Descartes, Hegel, Nietzsche, Heidegger, Plato, Augustinus, … you name it. En ik zou al die filosofen kunnen wegzetten als charlatans omdat ze iets schrijven dat op het eerste zicht moeilijk te doordringen valt.

Ik kan dat zelfs met de filosofische geschriften van Maarten Boudry doen:

“Individual reasoners are being praised as rational simply because the heuristics employed in their reasoning show adaptive design (i.e. are “rational” from an evolutionary perspective). In other words, the adaptive rationale of cognition (evolutionary locus) is conflated with our own epistemic credentials (personal locus). We then evaluate whether the normative categories of (ir)rationality can still be applied at the evolutionary level of analysis, and conclude that this facet of the ‘ecological defence’ is confusing.

Heuristics? Adaptive design? Evolutionary locus? ‘Ecological defense’? Heeft iemand hier iets van begrepen, op de mensen na die thuis zijn in deze filosofische discussie? Nee, tuurlijk niet. En dat hoeft ook niet.

Het punt is dat filosofische taal vaak vaktaal is, en dat vaktaal doorgaans enkel toegankelijk is voor zij die thuis zijn in het vak. Uiteraard, een filosoof kan en moet pogen inzichten te vertalen naar een ruimer publiek en zal zijn taal daarom soms moeten vereenvoudigen. Maar vulgarisering is niet de eerste taak van een filosoof, en hoort dat ook niet te zijn.

Wanneer het criterium wordt opgelegd dat iedere filosofische tekst 100 procent begrijpelijk moet zijn voor iedereen, dan vernietig je gewoon filosofie als discipline. Onder vakgenoten kan je natuurlijk wel discussiëren over de kwaliteit van teksten, maar ‘moeilijkheid’ van teksten aanwenden om een hele stroming binnen de filosofie bij het huisvuil te zetten is niet bepaald een goed argument. Het is zelfs geen argument, want je kan er letterlijk iedere tekst mee verwerpen, zelfs die van de helderheidsfetisjisten.

Sofisterij

Dat ander vaak gehoorde argument dan, dat ‘postmoderne filosofen’ relativisten zijn die waarheid en rede in diskrediet brachten en zo (ten dele) verantwoordelijk zijn voor een algemeen heersend relativisme. Laten we ons eerst focussen op het tweede deel van die stelling: dat postmodernisten verantwoordelijk zouden voor een algemeen heersend relativisme. Het is opvallend hoeveel macht hier wordt toegedicht aan filosofen en het is me een raadsel hoe die enorme maatschappelijke invloed kan gerijmd worden met de vermeende obscuriteit van hun teksten.



Magritte: was het nu postmodernisme of surrealisme?

De waarheid is dat filosofen helemaal niet zo zwaar wegen op de publieke opinie, ook al zouden ze dat zelf graag willen. Maar het is ook grotendeels een verkeerde lezing van wat die ‘postmodernisten’ voorstonden. Hun theorieën waren eerder descriptief dan normatief: ze beschreven in belangrijke mate een wereld waarin oude waarheden en constellaties als problematisch werden ervaren. Ze probeerden een verklaring te vinden voor het feit dat kennis moeilijk te gronden lijkt, dat teksten geen éénduidige interpretatie kunnen verdragen of dat waarheid doorgaans complexer is dan het onderscheid tussen waar en onwaar.

Hiermee zijn we meteen aanbeland bij het vermeende relativisme van de ‘postmodernen’. Het is nogal vreemd om relativisme – het in vraag trekken van de mogelijkheden van de rede, van het concept waarheid of van noties als universele rechtvaardigheid – louter toe te schrijven aan naoorlogse continentale auteurs. Dat soort vragen, en dat soort relativisme dus, is even oud als de filosofie zelf. In de klassieke Griekse filosofie bijvoorbeeld waren het onder andere de sofisten die noties als waarheid, rede en rechtvaardigheid radicaal in twijfel trokken. Een aan de sofist Gorgias toegeschreven citaat gaat bijvoorbeeld als volgt:

“Wie bedriegt is rechtvaardiger dan wie niet bedriegt, en wie zich laat bedriegen is verstandiger dan wie dat niet laat gebeuren. Want wie bedriegt, heeft volbracht wat hij beloofd heeft, en wie zich laat bedriegen, laat zich meeslepen door het genoegen van de woorden waarvoor hij openstaat.”

Kan tellen qua post-truth, alleen dateert die uitspraak wel van ergens uit de vierde eeuw voor Christus. Het zogenaamde relativisme van de postmodernisten is dus niks nieuws, het sluit aan bij een eeuwenoude stroming binnen de westerse filosofie. Het is daarom nogal belachelijk om ervan uit te gaan dat ‘postmodernisten’ het patent hebben op relativisme.



Jacques Lacan schrijft iets obscuurs op het bord

Je kan je ook de vraag stellen in hoeverre het klopt om uiteenlopende auteurs als Derrida, Lacan of Foucault een relativisme toe te schrijven. Dat is nogal kort door de bocht en eigenlijk gewoon onjuist. Deze auteurs beweerden, heel algemeen gesteld, niet per se dat kennis, waarheid of rechtvaardigheid relatief waren, maar wel dat de fundamenten waarop kennis, waarheid of rechtvaardigheid gegrond zijn, contingent zijn. Anders gezegd: ons kennen kan misschien wel gegrond worden maar de grond zelf kan niet gegrond worden. Dat is helemaal iets anders dan een oppervlakkig relativisme à la  ‘de waarheid bestaat niet’.

It’s politics stupid



Affiche mei ’68

Vanwaar dan die enorme ijver van sommigen om af te rekenen met sommige takken van de na-oorlogse, continentale filosofie, of, zoals ze het zelf noemen, het ‘postmodernisme’? Om dat te begrijpen moeten we van een strikt filosofisch register naar een politiek register overstappen. De hetze tegen het ‘postmodernisme’ maakt deel uit van een politieke machtsstrijd die zich zowel binnen als buiten de universiteiten afspeelt. Het is een afrekening met filosofen en theorieën die in het kielzog van mei ‘68 aanhang kregen of die gewoon (onterecht) met mei ‘68 geassocieerd worden.

Het is ook een strijd tegen een bepaald type intellectueel, namelijk de als links gepercipieerde intellectueel die “wereldvreemd”, “elitair”, “links”, “relativistisch” of “activistisch” is en zichzelf uitdrukt in taal die niet meteen past in een televisieformat. Het helderheidsfetisjisme is een manier om een type denken en denkers naar de marge te duwen door het debat te verleggen van inhoud naar vorm en goedkoop moralisme. Het is een ideologische strijd gevoerd door een ideologie die er geen claimt te zijn. Het is, met andere woorden, politiek.

Al zullen sommigen deze verklaring nogal postmodern vinden, vermoedelijk.

dagelijkse newsletter

take down
the paywall
steun ons nu!