(foto CD&V)
Opinie -

Dualisering in de sociale bescherming

Laat ons hopen dat de nieuwe voorstellen van CD&V rond sociale zekerheid druk besproken zullen worden, niet enkel in studiediensten en bij vakbonden, maar in de brede maatschappij, met allen die de sociale bescherming inderdaad nodig hebben om een waardig leven te kunnen leiden.

woensdag 14 december 2016 15:28

Het rommelt al een hele tijd in de sociale bescherming. Al tientallen jaren worden besparingen doorgevoerd die in ons land weliswaar de kern van de bescherming wisten te bewaren, maar die in andere landen en wereldwijd een heel ander beeld laten zien.

Hoewel elk systeem van sociale bescherming ontstaat en evolueert in specifieke nationale, sociale en politieke omstandigheden, is het ook duidelijk dat er altijd een internationale ‘wind’ is die de veranderingen beïnvloedt. In het geval van België is dit uiteraard in eerste instantie de Europese Unie, maar de ideeën die daar worden uitgewerkt komen van een nog breder kader dat mondiaal sterk neoliberaal gekleurd is. De Wereldbank, de OESO (Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling), het Wereld Economisch Forum … De IAO (Internationale Arbeidsorganisatie) probeert tegenwind te geven en slaagt daar enigszins in, maar kan niet echt de richting bepalen.

Over hoe die internationale invloed het beleid bepaalt heb ik al eerder uitvoerig geschreveni. Hoe sociale bescherming uiteindelijk een heel nieuwe betekenis kreeg in de Europese Unie valt duidelijk af te leiden uit de voorstellen voor ‘sociale investeringen’, ‘sociale innovatie’ en de recente ‘sokkel voor sociale rechten’. Sociale bescherming staat vandaag in dienst van de markt en van groei en beantwoordt niet langer aan de oude doelstelling van de inkomensgarantie.

Het is vooral vreemd vast te stellen dat er erg weinig tegenwind is. In zowat alle Europese landen ontstaat een sterke beweging voor een basisinkomen, veelal gekoppeld aan ‘commons’, wat erop neerkomt dat de overheid aan iedereen een vast bedrag uitkeert en dat mensen daarmee vrij kunnen doen en laten wat ze willen. De ‘commons’ zorgen ervoor – zo wordt beweerd – dat mensen ook meer voor elkaar gaan zorgen en een aantal taken kunnen overnemen die nu nog door de overheid uitgeoefend worden.

Het was dan ook een verrassing te zien dat CD&V wel met een nieuw programma uitpakte en op haar laatste congres vernieuwende voorstellen lanceerde voor een andere sociale bescherming.

Twee pijlers

CD&V stelt het volgende voor:

Geheel in de christelijke traditie is de familie de hoeksteen van de samenleving waarin mensen voor elkaar zorgen met een ‘informele en warme’ solidariteit.

Daarnaast stelt de partij voor om een eerste pijler met een basisbescherming voor iedereen in te voeren. ‘Indien de familie en het gezin niet langer of niet meer in staat zijn de nodige solidariteit te bieden, moet collectieve solidariteit haar rol spelen en zekerheid bieden wanneer iemand met een tegenslag wordt geconfronteerd. Voor ons is en blijft de collectieve dimensie van sociale bescherming belangrijk. Als christendemocraten kiezen we resoluut voor universaliteit, een sociale bescherming door en voor iedereen.’

De eerste pijler bestaat uit een universele basisbescherming. Deze bevat niet-arbeidsgebonden prestaties: de federale geneeskundige verzorging en de Vlaamse sociale bescherming, de gezinsbijslag en de sociale bijstand (leefloon). We voegen daar ook een basispensioen aan toe dat los staat van het arbeidsverleden. Dat is een sociale bescherming voor en door iedereen. Ze is voor iedereen gelijk en maakt geen onderscheid meer op basis van de professionele activiteit. Ze heeft als doel een mínimum levensstandaard te bieden die een menswaardig leven toelaat. De prestaties en tegemoetkomingen moeten boven de Europese armoedegrens liggen en leefbare gezinsinkomens garanderen.’

De tweede pijler bestaat uit een verzekering die arbeidsgerelateerd is en bescherming biedt tegen risico’s – arbeidsongeschiktheid en invaliditeit, arbeidsongevallen en beroepsziekten, (onvrijwillig) verlies van werk (werkloosheid en faillissement) en ouderdom. Die rechten worden verleend omdat iemand beroepsactief is. Naast het basispensioen komt een bijkomend pensioen te staan, verbonden met het arbeidsverleden. In deze pijler kunnen er wél objectieve verschillen zijn op basis van professionele activiteit. Door de steeds dunner wordende grens tussen verschillende professionele activiteiten, is het niet ondenkbaar dat op termijn een integrale verzekeringsregeling wordt ontwikkeld voor alle ‘werkenden’. We kiezen ervoor om het verzekeringsprincipe slechts voor een bepaalde/beperkte periode te laten spelen. Hierbij wordt er rekening gehouden met de duur van de beroepsactieve periode. Uitkeringen die gedurende een langere periode worden toegekend, verliezen de link met de verzekeringsgedachte. We gaan hier voor een behoeftetoets waarbij de verdere uitkering inkomensgerelateerd wordt’.

Het tweepijlersysteem vraagt om een (aan)gepaste financiering. De universele basisbescherming wordt gefinancierd door alle ingezetenen. Aangezien iedereen de voordelen kan genieten, moet iedereen ook bijdragen. De financiering verloopt via twee kanalen: een veralgemeende sociale bijdrage enerzijds en algemene middelen anderzijds. Een veralgemeende sociale bijdrage houdt een verbreding van de financieringsbasis van de sociale zekerheid in. Het zou gaan om een uniform percentage, toegepast op een zeer brede belastinggrondslag: elk inkomen ongeacht de oorsprong’.

De verzekeringspijler wordt gefinancierd via een bijdragebetaling, aangevuld met algemene middelen (alternatieve financiering).’

In het nieuwe model wordt een groter aandeel algemene middelen gereserveerd. Het gedeelde beheer van de sociale zekerheid door overheid, sociale partners en middenveld blijft behouden.

Hiermee is de kous nog niet af. Naast de twee pijlers wil CD&V tegemoet komen aan specifieke behoeften van kwetsbare groepen: rekening houdend met de draagkracht en de behoefte van elke mens. Dat kan de vorm aannemen van sociale toeslagen en correcties. ‘Voor ons zijn sociale toeslagen en correcties een (laatste) hulpmiddel. We moeten prioritair inzetten op leefbare gezinsinkomens boven de armoedegrens. Met uitzondering van handicap of chronische ziekte, kiezen we ervoor de toegang tot sociale rechten in beginsel los te koppelen van het statuut en te vervangen door (een) bepaalde inkomensgrens(zen). Een verandering van statuut betekent dan niet onmiddellijk het verlies van een sociaal voordeel. Omwille van de begrijpbaarheid voor de burger willen we meer uniformiteit, zowel voor het inkomensbegrip als voor de inkomensgrenzen.

Het basisinkomen wordt door de partij afgewezen.

Dit is een behoorlijke verandering waarover de congresteksten nog niet voldoende helderheid brengen maar men mag aannemen dat dit op de studiedienst van de partij wel grondig zal uitgespit zijn.

Vast lijkt wel te staan dat de ‘basis sociale bescherming’ universeel en uniform is, dat er extra toelagen en correcties kunnen bijkomen, en dat er een aparte en bijkomende sociale zekerheid is voor iedereen die actief is op de arbeidsmarkt. De eerste pijler wordt gefinancierd door een algemene sociale bijdrage, zeg maar belastinggeld dat niet enkel op arbeidsinkomen geheven wordt. Voor de tweede pijler worden bijdragen betaald en overheidsmiddelen ingezet.

Of en hoe een dergelijk systeem kan werken hangt uiteraard af van wat zo’n ‘basisbescherming’ kan bieden, en of dit voldoende zal zijn voor een leven in waardigheid. Zal het voldoende gezondheidszorg kunnen bieden? Zal een gepensionneerde zich een rusthuis kunnen permitteren? Het ziet er overigens naar uit dat met uitzondering van de gezondheidszorg de sociale bescherming wordt geregionaliseerd.

Arbeidsgerelateerde sociale bescherming

Waar CD&V deze vernieuwende ideen vandaan haalt, is niet meteen duidelijk. Maar laat nu precies in diezelfde periode, eind november 2016, het Europees Sociaal Observatorium een studiedag organiseren over, jawel ‘arbeidsgerelateerde sociale bescherming’. In feite ging het om het voorstellen van de resultaten van een door de EU gefinancierd onderzoeksproject naar de mogelijkheden, risico’s en kansen van zo’n sociale bescherming. Het ESO had hierover al eerder gepubliceerd, maar pakt nu dus met een heuse studie uit.

Het rapport legt ook uit waar de term vandaan komt: de Britse sociale wetenschapper Richard Titmuss sprak in 1958 al van ´social welfare’, georganiseerd door de overheid, ‘fiscal welfare’ bestaande uit allerhande maatregelen zoals fiscale aftrekposten in het voordeel van welzijn, en tenslotte ´occupational welfare’ in handen van de sociale partners. Hoe relevant of irrelevant men deze indeling ook mag vinden, het spreekt voor zich dat deze arbeidsgerelateerde sociale zekerheid een belangrijke rol speelt in de arbeidsrelaties waar werknemers en werkgevers tegenover elkaar staan.

Zowel de literaruur als de praktijk tonen echter duidelijk aan dat het concept verre van duidelijk is.

Er is ook sprake van ‘corporate welfare’ waarmee de vele inspanningen van de overheid worden bedoeld om het bedrijven makkelijker en goedkoper te maken. Het kunnen opleidingsprogramma’s zijn, pensioenen, subsidies, fiscale voordelen, enz.

ESO definieert de arbeidsgerelateerde sociale zekerheid met een verwijzing naar de rol van sociale partners en naar de voordelen van de bescherming voor werknemers. Dan nog is echter niet alle onduidelijkheid van de baan, want in veel gevallen zal ook de overheid nog een al dan niet grote rol spelen en kunnen de programma’s al dan niet verplicht zijn. Juist daarom is het zo moeilijk ontegensprekelijke voorbeelden uit de praktijk te geven.

In de landenstudies van het rapport wordt gekeken naar de pensioenen en de werkloosheid. Voor België en voor pensioenen is dit wat gemeenzaam de ‘tweede pijler’ wordt genoemd, terwijl voor de werkloosheid vooral wordt gekeken naar de bijkomende programma’s waarbij werknemers tijden een crisisperiode wel in dienst kunnen blijven maar toch een werkloosheidsuitkering ontvangen. De ‘gewone’ werkloosheid is wettelijk en verplicht georganiseerd.

Een plan voor de toekomst?

ESO moet in zijn besluit vaststellen dat de indelingen lang niet altijd makkelijk te maken zijn. Het belang van de arbeidsgerelateerde sociale zekerheid neemt toe, zo stelt men vast, maar het is duidelijk dat hoe sterker de sociale zekerheid nog is uitgebouwd, hoe minder ruimte er is voor aparte en bijkomende programma’s. In landen zoals België zullen de vakbonden de voorkeur geven aan de wettelijke programma’s – die ook paritair beheerd worden – in plaats van aparte akkoorden met werkgevers af te sluiten.

De vraag is natuurlijk of het de bedoeling is om dit model voor de toekomst naar voren te schuiven? Tien, vijftien jaar geleden bestond er over de pensioenregeling een even grote grijze onduidelijkheid tot de Europese Commissie stap voor stap het driepijlersysteem begon voor te stellen. Het is niet uitgesloten dat met het oog op de begrotingsprobemen van de meeste lidstaten, men effectief denkt aan een basisbescherming voor iedereen, gefinancierd door de overheid, en bijkomende bedrijfsprogramma’s voor al wie op de arbeidsmarkt actief is.

Het is derhalve erg belangrijk om de voor- en nadelen van dergelijke systemen sterk onder de loep te nemen.

De voordelen waar het rapport van ESO over spreekt zijn in de eerste plaats de betere bescherming die aan werknemers kan geboden worden, hoewel dit wellicht afhangt van het vermogen van de bedrijven. Kleine KMO’s zullen niet hetzelfde in de aanbieding hebben als grote multinationals.

Een tweede voordeel is dat de vakbonden een grotere rol kunnen spelen en ook innovatieve praktijken kunnen invoeren. De werkgevers van hun kant kunnen meer in hun personeel investeren.

Ten derde kan het een grote vooruitgang betekenen dat aan de onderkant van de maatschappij een universele basisbescherming staat, inclusief een basispensioen en een leefloon, hopelijk met minder vernederende voorwaarden dan nu het geval is.

Daar staat tegenover dat er hoe dan ook een dualisering optreedt van de sociale bescherming, met een deel van de bevolking dat goed is beschermd en een ander deel dat het moet doen met enkel de basisbescherming. Bovendien zullen werknemers allemaal op een verschillende manier zijn beschermd, afhankelijk van het bedrijf waar ze werken. De deugdelijkheid van een dergelijke opdeling staat of valt uiteraard met de sterkte van het basissysteem. Overigens, wat met de alsmaar groeiende groep van zelfstandigen?

Voor de vakbonden zou het een heel andere aanpak worden. Ja, ze krijgen meer invloed bij de onderhandeling over de bescherming, maar met het risico dat ze ook hun autonomie kwijt spelen. Je ‘partner’ is niet je tegenstander en de vraag is of alle werkgevers bereid zijn hun machtspositie af te staan?

Tenslotte is het duidelijk dat in die tweede pijler alles geprivatiseerd kan worden met alle risico’s vandien voor kosten en risicodekking.

Over de kosten van een dergelijk systeem kan vooralsnog weinig worden gezegd, alles hangt af van hoe men wat organiseert. Voor bedrijven zou het een groot voordeel kunnen zijn wanneer ze enkel nog bijdragen moeten betalen voor de bijkomende bescherming van hun personeelsleden. En het is onwaarschijnlijk dat de overheid bereid zal zijn haar financiering voor de sociale bescherming substantieel op te trekken. Mocht een dergelijke bescherming nog worden voorgesteld in het kader van een soberheidsbeleid, dan ziet het er vast en zeker niet goed uit voor al wie de bescherming broodnodig heeft.

Besluit

Een ernstig debat over een nieuwe, hervormde sociale bescherming is meer dan welkom. De economie en de samenleving zijn de afgelopen vijftig jaar sterk veranderd en de huidige systemen, zeker na alle besparingen van de afgelopen jaren, voldoen niet langer aan de behoeften.

Persoonlijk pleit ik voor een her-denken van sociale bescherming in termen van ‘commons’ wat een sterke democratisering zou inhouden en waardoor het concept zelf kan verbreed worden.ii Sociale diensten zoals openbaar vervoer, bibliotheken, onderwijs, creches en ook het recht op wáter en het recht op grond maken ontegensprekelijk deel uit van de manier waarop de samenleving in samenwerking met de overheid voor een degelijke bescherming kan zorgen.

Het voorstel van CD&V is niet helemaal gelijklopend met wat in het onderzoeksproject van ESO wordt besproken. Maar het sluit er perfect bij aan en kan gezien worden als een praktische toepassing van wat het onderzoek beschrijft.

Laat ons hopen dat dit druk zal worden besproken, niet enkel in studiediensten en bij vakbonden, maar in de brede maatschappij, met allen die de sociale bescherming inderdaad nodig hebben om een waardig leven te kunnen leiden.

Francine Mestrum

Global Social Justice

iMestrum, F., ‘Op weg naar een sociaal Europa?’ in Corijn, E. en Saey, P., Wereldvreemd in Vlaanderen. Bakens voor een progressieve politiek, Berchem, EPO, 2014, Mestrum, F:, (Un)socializing Europe. A history with some ups and many downs, www

ii Mestrum, F., Social Commons. Social Justice in Post-neoliberal Times, www.socialcommons. eu

dagelijkse newsletter

take down
the paywall
steun ons nu!