Opinie -

Els, verpleegkundige: “Werken in de ouderenzorg? Ik kan het niet meer”

De Witte Woede is terug van weggeweest. De mensen in de zorgsector nemen het niet dat de regering nog eens 900 miljoen euro bespaart op ouderen, zieken en op het personeel dat hen verzorgt. Ze nemen het ook niet dat het oudere personeel verlofdagen verliest. Hoe komen al die besparingen over op het personeel? Dit is het verhaal van Els, 38 jaar, getrouwd en mama van twee kinderen. Sinds haar 22ste werkt ze als verpleegkundige. Els nam onlangs ontslag. Ze vertelt waarom.

woensdag 23 november 2016 14:36
Spread the love

Als kind heb ik altijd geweten wat ik later zou doen. Verpleegster worden was mijn droom. In een wit pakje zieke mensen verzorgen en met een karretje vol medicatie en spuiten door de afdeling van een ziekenhuis lopen. Nooit had ik verwacht dat mijn droom in de loop der jaren in een nachtmerrie zou veranderen.

Na mijn studies kon ik onmiddellijk starten op de heelkundige afdeling van een ziekenhuis. Een drukke maar leuke job met veel afwisseling. De shiften waren zwaar maar je kon steeds rekenen op je collega’s, die voldoende aanwezig waren, ook tijdens drukke momenten. Eén jaar lang heb ik deze job met voldoening uitgeoefend totdat mijn contract ten einde liep.

Hierna kon ik vrijwel onmiddellijk aan de slag in het OCMW-rusthuis van mijn gemeente. Het werk in een woonzorgcentrum is totaal anders dan in het ziekenhuis. De mensen zijn er niet ziek en je creëert een zekere vertrouwensband met de bewoners. De eerste jaren dat ik er werkte, kon ik de tijd nemen om de mensen te laten genieten van een bad, een gezellige babbel te hebben en ervoor te zorgen dat ze niets tekort kwamen. Ik nam de tijd om familieleden te informeren over de toestand van hun vader of moeder. Dit werd geapprecieerd. Dagelijks zorgde het team animatoren voor de nodige activiteiten zodat onze bewoners de namiddagen op een leuke en zinvolle manier konden doorbrengen. Ik hield van mijn job en keerde na elke shift moe maar tevreden terug naar huis.

Toen kwam de privatisering, of hoe ze het ons voorstelden: de “verzelfstandiging” van het woonzorgcentrum. Op een vergadering bombardeerde één van de nieuwe managers ons met allerhande cijfermateriaal en het feit dat er efficiënter moest gewerkt worden.

Voordien hadden we drie tot vier medewerkers (twee of drie zorgkundigen en één verpleegkundige) per afdeling van 35 bewoners. Dat moest nu met minder. De verpleegkundige van dienst was vanaf nu verantwoordelijk voor het verpleegkundig werk van meerdere afdelingen. Dit houdt in dat zij of hij meehelpt met de hygiënische zorgen, wondzorg uitvoert, medicatie controleert en toedient, spuiten zet, diabeten hun glycemie opvolgt, alles digitaal rapporteert, en dit voor meerdere afdelingen. Natuurlijk geraak je zo voor bepaalde zorgen niet tijdig bij een bewoner. Voor wondzorg was dit vaak het geval. Uit bezorgdheid voor de bewoner voerden onze zorgkundigen, die hier in feite niet voor opgeleid zijn, de wondzorg dan zelfstandig uit, in de plaats van de verpleegkundige.

Een andere aanpassing hield in dat alle bewoners ten laatste om 9 uur klaar aan de ontbijttafel moest zitten. Geen tijd meer voor een rustgevend bad, geen tijd meer voor een gezellige babbel. Nee, iedereen zo snel mogelijk wekken en klaarmaken voor het ontbijt. Stel je even in de plaats van een dementerende oudere die ‘s ochtends gewekt wordt door een voor hem of haar wildvreemde die zijn kamer binnenstormt, vervolgens de lakens van hem aftrekt en aangeeft dat het tijd is om gewassen te worden. Menswaardig en respectvol handelen kan je dit niet noemen. Niet-dementerende bewoners waren boos en vroegen of ze hiervoor 1.700 euro per maand moesten neertellen. Je kan hen geen ongelijk geven.

Ook de kwaliteit van de maaltijden nam erg af. Sprak je het keukenpersoneel hierover aan, dan kreeg je als antwoord dat ze niet beter konden met het budget dat ze ter beschikking kregen.

Nog een tak waarin gesnoeid werd, was die van de animatie. Het woonzorgcentrum moest het met de helft minder animatoren en therapeuten doen dan voordien. Geen gezellige namiddagen meer waar je kon merken dat iedereen het naar zijn zin had. Vroeger werd iedereen betrokken bij de activiteiten. Of je nu actief deelnam of niet, dementerend of halfzijdig verlamd. Iedereen zat samen en iedereen genoot op zijn manier. Nu werden dementerende bewoners gescheiden van de anderen. Allemaal samen in een ruimte, eindeloos voor zich uit starend tot het weer tijd is om naar bed te gaan.

Waarom ben je altijd boos?

Ik heb dit een aantal jaren volgehouden. Je bent dankbaar dat je werk hebt, dat je je lening kan afbetalen en dat de kinderen niets tekortkomen. Het zijn ook zij die me hebben doen inzien dat er iets niet klopte. De jongste van vijf jaar vroeg me op een bepaald moment hoe het kwam dat ik een boze mama was geworden. “Vroeger was je lief en kon je altijd lachen. Nu ben je steeds boos en doe je geen leuke dingen meer met me”. Dat was schrikken. Ik heb toen mijn keuze gemaakt, weloverwogen maar vastberaden. Ik nam ontslag.

Sinds enkele maanden werk ik parttime voor een familiebedrijf dat orthopedisch materiaal verkoopt. Ik zorg voor de administratie en de planning. En ik help oudere mensen bij het aanmeten van hun steunkousen en orthopedische schoenen. Of ik mijn job als verpleegkundige mis? Ja, absoluut. Maar ik weiger dit fantastische beroep verder uit te oefenen in een systeem waar het maken van winst de prioriteit is.

Gaan wij ook naar plascontracten?

Het verhaal van Els is typisch voor wat in de sector gebeurt. In Vlaanderen is zestien procent van de woonzorgcentra commercieel, of “verzelfstandigd” zoals Els het noemt. Deze groep groeit. Binnen die groep is minder personeel aanwezig dan in openbare rusthuizen. Het personeel dat men extra in dienst heeft boven de wettelijke norm, bedraagt veertig procent in de openbare woonzorgcentra, in de commerciële slechts vijftien procent.

Binnen de privésector groeien de grote ketens. Armonea is het bekendste voorbeeld. De keten heeft 75 woonzorgcentra in België. Armonea kwam meerdere keren in opspraak na klachten van familieleden van bewoners. De beslissingen binnen dit soort woonzorgcentra worden niet genomen door mensen in het werkveld maar door managers van een groot bedrijf. In Nederland is dit systeem zo ver gevorderd dat men “plascontracten” wou invoeren in een woonzorgcentrum. Ouderen mochten nog maar drie keer per dag naar het toilet. Wilden ze een extra keer naar het toilet, dan moesten ze daarvoor betalen. Hoewel we in België nog niet zover zijn, stapelen ook hier de klachten zich op.

Niet enkel in de private sector, maar ook in de vzw’s en in woonzorgcentra van het OCMW komen de werkomstandigheden en de kwaliteit van de zorg in het gedrang. De regering weigert de ouderenzorg voldoende te financieren. Ze weigert voldoende personeel te betalen en meer te betalen voor de extra zorg die sommige mensen nu eenmaal nodig hebben. De zorg gaat snel achteruit, zoals het verhaal van Els aantoont. Het personeel draait op meer dan het maximum vermogen. De te lage financiering maakt de centra van vzw’s en OCMW’s rijp voor overname door een privéketen.

Bij een goed gefinancierde publieke instelling kan dit anders. In de zorg moet het welzijn van de ouderen voorop staan. Dat is waar Els samen met alle andere verpleegkundigen naar streeft. Daarom kiezen verzorgenden voor dit beroep. Maar de regering kijkt niet naar de mensen: noch naar de ouderen, noch naar het personeel. Er is ruim genoeg geld in dit land om de ouderen een waardige oude dag te bezorgen. Dat kan, als het verzet sterk en groot genoeg is en de regering niet anders meer kan dan toegeven. Daarom is het een goede zaak dat de Witte Woede terug is.

 

Yves Wuyard, medewerker Geneeskunde voor het Volk te Genk

Michelle Heijens, zorgdeskundige en medewerker op de studiedienst van de PVDA

dagelijkse newsletter

take down
the paywall
steun ons nu!