Opinie - Alain Franco

Een Echte Half-Broer

Ook pianist Alain Franco wil graag een weerwoord bieden op de "State of the Union" van Wouter Hillaert.

vrijdag 2 september 2016 11:23

Men kan zich maar moeilijk voorstellen dat Wouter Hillaert, met de redactionele ervaring die de zijne is, zich gewaagd zou hebben aan een Statement in zulk een toonaard indien het niet – zoals uit de weerwoorden nu al blijkt – de bedoeling was geweest om de culturele sector te dagvaarden.

Wie het woord « radicalisering » in de mond neemt – dezer dagen in het bijzonder – doet dit niet bepaald met de bedoeling om genuanceerd over te komen.Hem vervolgens een « zwart-witte » visie verwijten is in die zin een deur inslaan die hij zelf op voorhand wijd open had gezet…

Laten we dus even de boog spannen op de gewenste sprijdstand en het hebben over radicale kunst in tijden van radicalisering.

Actuelere omgang met het actuele

Ik meen begrepen te hebben dat Hillaert een oproep gedaan had naar een actuelere omgang met het actuele, dus ook naar actuele(re) vormen van samenwerkingen.

(We komen later terug op de vraag of er al dan niet logischerwijze nieuwe narratieven hierdoor zouden moeten ontstaan, en bijgevolg een nieuw type van podiumwerk : ik zou niet verbaasd zijn moest Hillaert een « neo avantgarde » in gedachte hebben).

Ik denk niet dat ik ooit één kunstenaar heb ontmoet die niet meende dat zijn werk relevant was, en bij diegenen met een iets hoger gehalte aan narcissisme en/of zelfbeschouwing, inderdaad ook radicaal,èn scherp, èn politisch noodzakelijk.

Dat was zo in de jaren ’80, en lang ervoor, en het is heden steeds het geval, in iedere leeftijdscategorie.Op dat niveau van bechouwing is er alvast weinig nieuws of verschil aan te merken tussen de Vaders, de Zonen (en alle Heilige Geesten die daar ook in de buurt rondlopen). 

Ik zou dus evengoed mijn betoog nu al kunnen staken en het – zwart-wit op mijn beurt – zo kunnen samenvatten :

Hillaert wil meer jonge makers aan de macht (ook principieel omdat ze jonger zijn), veert op bij militante burgers, meent dat iedere gevestigde macht moet aangevochten worden, en dus kortom : Hillaert is een anarchist , met of zonder pastoorkraag.

Maar dat is zo kort door de bocht dat zelfs de cabrio van Fabre ze zou missen. 

Ik heb eerder het gevoel dat, achter ieder militantisme er altijd een oproep schuilt naar tegelijkertijd de Nietzscheaanse « Umwertung Aller Werte », het essentialisme van Artaud, en de erfenis van het Anti-Kolonialisme.Daarmee is tevens duidelijk gesteld dat het dus niet enkel gaat over linkse en rechtse positioneringen, of beter gezegd, dat de meanders van hoe we ons politiek definiëren niet (meer) door enkelvoudige categoriën omschreven kunnen worden. 

Indien men dit spectrum even in beschouwing wilt nemen – men zal overigens vaststellen dat dit niet per se « hedendaagse » onderwerpen zijn (waardoor de oproep naar vernieuwing overigens ook aan diepgang wint…) – dan moet men ook vaststellen dat de actuele – internationaal geroemde – podiumesthetiek daar behoorlijk ver van verwijderd lijkt.

Ik vermoed dat men het dus in die richting moet begrijpen :

Hillaert erkent allicht de « uitstraling » van de door hem uitgedaagde generatie , maar catalogeert die eerder in de afdeling « design », waardoor de radikale podiumbeelden vooral gezien moeten worden als « renovaties » van historische constructies en structuren (lees uiteraard : narratieven).

Podiumkunstenurbanisme 

Is er in die zin mogelijk sprake van een «podiumkunstenurbanisme » dat gewoon mee zou surfen op het welgekend syndroom van de « gentrification » ?

Voor Hillaert – die we toch als een erfgenaam van de historische materialisten mogen beschouwen – zijn we dus gewoon met foute thema’s bezig, of meer zelfs : podia, tonelen zijn verondersteld een voortzetting te zijn van de geest van het collectivisme (want, dat is uiteindelijk waarop participatie gegrond is), dus met inderdaad een impliciete referentie naar de linkse, leninistische (?), anti-burgerlijke opstanden van een eeuw geleden.Ik stel me overigens de vraag of hij niet heimelijk hoopt dat 2017 de aanloop zou kunnen zijn voor een « activistisch eeuwfeest » – die van 1917 namelijk.

We mogen uiteraard zonder moeite veronderstellen dat – indien iedereen zich – grof bekeken – tot « radicale kuntenaar» rekent, waarschijnlijk maar een fractie onder hen ook bereid is om om diezelfde redenen een rode vlag op te steken.

Radicaal-Socialisme dat is toch even iets anders dan radicaal theater.

En het lijkt er op dat Hillaert zijn keuze gemaakt heeft, of, beter uitgedrukt, dat hij die politieke utopie nog enkel in haar culturele omzetting als enigzins haalbaar beschouwt.

Maar daarmee zijn we er nog niet uit, ik zou zelfs zeggen: daarover zijn we allemaal grijs.

Uiteraard zijn de grote huizen actief bezig in de participatieve economie, smeden ze culturele samenwerkingen met allochtonen, organiseren ze workshops enz…

Nochtans zijn we er allemaal van bewust – ook de zelfverklaarde radicale kunstenaar – dat we de grote golf van de privatisering van de publieke ruimte, van de onontbeerlijke kadering van de onafhankelijke stem, noch kunnen tegenhouden, noch uiteindelijk fundamenteel tegenspreken.

Wat we wèl doen , is het « Zijnde » van het huidig tijdperk in verbinding brengen met wat de constanten van het verleden ons « in stijl » gebracht hebben.

In die zin kunnen we dan ook opperen dat we vandaag een « radicaal esthetisme » verdedigen omdat het, binnen de perken van een geliberaliseerde theatermarkteconomie, het hoogste niveau van overdracht is die we kunnen bereiken en die we (ons) voorstellen.

En hierin schuilt een bepaalde droevigheid – ook al wordt ze regelmatig door o(or)verdonderend applaus weggespoeld :

het is een droevigheid omwille van een bepaalde theoretische schroom, omwille van een collectieve (af)stemming op het Beschikbare, omwille van – inderdaad – de lastige kracht van het Verleden.

(Wie nu nostalgisch gestemd geraakt heeft er schijnbaar alle baat bij.)

Tabula rasa 

In dat opzicht is de groffe formule van Hillaert een oproep tot een zoveelste « tabula rasa » in een tijdperk waarin ze moeilijk ondersteund kan worden – misschien dan vooral omdat ze maatschappelijk niet per se gedragen of verwacht wordt.Hillaert lijkt toch ergens de « tonaliteit van het toneel » te willen « oplossen » zoals Schoenberg het ooit mbt. de tonale muziek vooropgesteld had.

Maar het fundamenteel verschil echter is dat Schoenberg het had over klanken en structuren, kortom over abstracte elementen in een door abstractie gekenmerkt schrijfsysteem.

In ons geval gaat het over de mensen (iedere associatie met Anciaux is hier misplaatst – en zeker niet bedoeld), en de oproep – naar het model van de geplande economie – om haast alle bestaande stucturen zowaar per decreet om te walsen is onverenigbaar met een door individualisering gekenmerkt tijdperk.

De « vrijheid » van de kunstenaar mag dan uiteraard – ook – een sociale constructie zijn, ze laat nu eenmaal toe (Wouter, je hebt Lyotard toch ook gelezen) om in de oplopende koortsachtigheid van het post-communisme om met Rood,Vocht en Wenkbrauwen op toneel (alias. Bloed, Tranen en Oorlog daarbuiten) onze zintuigen op te winden.

Voor sommigen is dit nog steeds radicale kunst, omdat men er van uit gaat dat de mimesis van de omtrek de beste manier blijft om de inhoud ervan af te tasten.

Ja, die manier van werken (of is het eigenlijk « handelen » ?) ontzegt het wel aan de scenische wereld om theoretisch tewerk te gaan, of allesinds om theorie « on stage » te betrekken, om de compositie van de taal niet enkel te begrenzen tot het betere beeldwerk.

Dat vergt een andere manier van denken en doen, en het knoopt eerder aan met een – doorheen de 20e Eeuw tot stand gekomen – politieke kunst en al veel minder met kunstpolitiek.

Historische herleiden tot «wat we ermee kunnen doen»

Ik ben niet helemaal zeker of we ons op dit pad (nog) bevinden…..

Het lijkt er toch eerder op dat we de complexiteit van het Historische herleiden tot «wat we ermee kunnen doen» en niet per se of het de voorwaardelijkheid van onze aanwezigheid misschien ook op de proef stelt. Dat is toch een kantelpunt me dunkt mbt. de vermeende « gezondheid » van het neo-liberalisme.  

Ik zie hierin de veronderstelling dat we inderdaad in de greep zitten van het « Zijnde » – dat is tenslotte waarmee we « waarde » scheppen, en dat er in die zin ook geen podiumfilosofie bestaat.

Of de oplossing hiervoor te vinden is in een veralgemening van het cultureel paradigma – « iedereen aan beurt », echt ? – is me allerminst duidelijk. Of het zou middels een averechtse denktrant zijn : indien er op toneel flauw werk wordt getoond, dan mag het ook overal.

Ik denk telkens weer aan de verbanning van de dichter bij Plato en stel me de vraag hoe het hiermee vandaag gesteld zou zijn.

Misschien is Yannis Varoufakis wel die dichter, die de opgestaplede leugens van ons waardesysteem blootlegde, en moest gaan.Anderen deden het mbt. politiek, milieu, en betaalden het soms met hun « uitschakeling ».Dat is een realiteit die we niet met culturele werktuigen zullen oplossen – en ook niet met een nog zo grote Hart boven Hard.

(De « sector » is trouwens jl. nog op straat gekomen met de slogan « Ik kies voor Kunst » : dat is geen politiek statement me dunkt : Coca-Cola kiest in die zin voor suiker, en Esso voor olie.)

Paradoxaal genoeg is het net de gewelddadigheid van die realiteit die het toelaat om het computertijdperk als de digitale versie van Athene en Rome te beschouwen, en vereenvolgens om de Grote Verhalen enkel te « renoveren » als ultiem gebaar van relevantie. Dat is dus tegelijkertijd hedendaags en archaisch : sommigen vinden dat dit nu eenmaal de essentie van ons tijdperk opsomt.

Maar daarmee wordt een essentiële dimensie van de Geschiedenis (en de historiciteit) opzij geschoven, met name een sekwentie die – vertrekkende van de herverdeling en de veralgemening van macht in de nasleep van 1789 – uiteindelijk aan de basis lag van de de extensie , vervolgens de « lateralisering » van het theaterlandschap – en zonder de welke de « Vlaamse Golf » gewoon ondenkbaar was geweest. 

Terugtocht  vs  vlucht vooruit

In die zin moeten we inderdaad de « terugtocht » die Frie Leysen opperde combineren met de « vlucht vooruit » van Wouter Hillaert.

Die dubbele, onhoudbare en uitputtende positie stelde overigens de «Angelus Novus » van Paul Klee voor (de Engel van de Geschiedenis) waarover Walter Benjamin o.a schreef : 

« Dieser Sturm treibt ihn unaufhaltsam in die Zukunft, der er den Rücken kehrt, während der Trümmerhaufen vor ihm zum Himmel wächst. Das, was wir den Fortschritt nennen, ist dieser Sturm. »

Alain Franco is pianist en speelde o.a bij Ictus ensemble en bij dansgezelschap Rosas 

take down
the paywall
steun ons nu!