(De vrouw op deze foto is niet D.)
Getuigenis -

“Ik ben een meisje van 16 en ik woon 16 jaar in dit land, en nu word ik uitgewezen”

Toen ze amper vier maanden oud was, ontvluchtte D. samen met haar ouders haar geboorteland Kosovo. Ondertussen woont ze al 16 jaar in België. Ze heeft Kosovo zelfs nooit bezocht… Maar toch moet ze België nu verlaten. D. hield een dagboek bij en beschrijft hoe agenten kwamen aanbellen en hoe ze naar een "gesloten woning" werd overgebracht.

woensdag 24 augustus 2016 14:15

Liefste dagboek,

Waar ik me zo veel zorgen om maakte is vandaag gebeurd…

Ik weet dat het voor anderen een kwestie zal zijn van “het is gebeurd maar wij moeten verder met ons leven”. Maar voor mij is dat niet het geval… Ik zal je alles uitleggen, het begon toen ik werd “opgepakt”.

Ik stond rond 8h45 op en speelde met mijn kat die altijd op mijn bed slaapt. Ik waste me en kleedde me aan en ging naar beneden. Ik ontbeet voor de televisie zoals ik vaak doe. Ik ging weer naar boven om mijn kat te halen en haar eten te geven. Maar er werd aangebeld. Ik dacht dat het mijn papa was die terug kwam van boodschappen doen. Ik opende de voordeur en zag drie onbekenden. Aan hun kleding kon ik merken dat het politiemensen waren. Twee mannelijke en één vrouwelijke agente. Ze stonden naast elkaar. Ik was helemaal in de war en in paniek en een mannelijke agent zei “wij zijn van de politie en we hebben het bevel gekregen van Dienst Vreemdelingenzaken om jullie op te pakken”. Deze zin maakte me zo bang. Ik besefte wel dat deze mensen gewoon hun werk deden maar ik had het gevoel dat zij niet begrepen wat dit inhield voor mij…

“Zijn je ouders thuis” vroeg de mannelijke agent. Ik antwoordde dat zij niet thuis waren. “Mogen wij binnenkomen?” zei hij weer. Natuurlijk wilde ik hen niet binnenlaten om me op te pakken maar omdat het politiemensen waren voelde ik me verplicht om hen binnen te laten. Ik zette de televisie meteen uit en ik voelde alles rondom me draaien. Ik probeerde mijn tranen te bedwingen en vroeg hen of ze mij als minderjarige wel konden oppakken. Ze waren heel stil en toen antwoordde één van hen “ja, wij hebben het bevel gekregen, ik kan het je laten zien”. Ik wilde er niet naar kijken, ik durfde niet.

Toen zei de vrouwelijke agente dat ik snel wat kleren kon pakken. Ik knikte en wilde de trap oplopen. Ik hoorde de mannelijke agent tegen haar zeggen dat de vrouw bij mij moest blijven om me in het oog te houden. Ik voelde me plots een crimineel en toen ik boven kwam ben ik opnieuw beginnen huilen. Ik vroeg me af wat ik verkeerd had gedaan. Ik snapte maar niet waarom ze me met drie agenten kwamen ophalen. In mijn slaapkamer zei ik dat ik niet onmiddellijk een koffer kon vinden om mijn kleren in te pakken waarop de agente zei dat ik ook mijn schoolrugzak kon gebruiken om de nodige spullen in te steken.

Het eerste wat ik in mijn rugzak stopte was het fotoboek dat ik voor mijn mama maakte toen mijn oma gestorven is. Daarna mijn microfoon, wat ondergoed, 2 paar sokken, 2 lange broeken, 2 truien en 2 bloesjes. De agente vroeg me of ik mijn gitaar niet wilde meenemen. Ik twijfelde even. Ik had gespaard voor een gitaar omdat ik me in het Mechels conservatorium wilde inschrijven om les te volgen. Ik probeerde het me zelf aan te leren via internet lesjes, maar ik kon er nog niet goed op spelen. Ik zei dat ik ze niet wilde meenemen. Maar ze drong aan en uiteindelijk heb ik ze dan toch meegenomen.

Trillend en bevend ging ik terug naar beneden. Ik was ontzettend bang want ik voelde dat het nu ging gebeuren. Ik keek nog snel naar mijn kat en vroeg wat ik moest doen met haar, dat ik haar zo toch niet kon achterlaten. De agente was stil, ze wist het niet. Ik pakte mijn huissleutel en bedacht toen dat mijn oudste broer die een verblijfsvergunning heeft, voor onze kat kon zorgen. De agente zei dat ik mijn sleutel kon afgeven op het politiebureau en dat mijn broer daar de sleutel zou kunnen ophalen.

Ik begon weer te wenen. Ik werd bang dat dit de laatste keer zou zijn dat ik mijn kat kon zien en knuffelen. Ik kon ook geen afscheid nemen van mijn ouders, mijn broer en mijn vrienden. Mijn ouders zouden zo bezorgd zijn als ze thuis kwamen en me niet zouden vinden. Toen werd er gezegd dat we moesten vertrekken. Er werden me een paar vragen gesteld voor hun verslag en ik werd in een auto gezet. Het was geen politieauto, een gewone. Ze startten de motor en reden weg toen ik besefte dat ik mijn gsm was vergeten. Ik zei dat meteen. Ik zou niemand kunnen zeggen waar ik was en vroeg of ik mijn gsm toch zou mogen halen. Ze reden achteruit en stopten de motor weer. De agente kwam weer met me mee. Op dat moment kwam mijn papa thuis. Ik zei dit tegen de agente en zij riep direct tegen haar collega’s “haar vader is er”.

Ze stapten razendsnel uit en liepen mee naar binnen. Achter me aan. Ik zei tegen mijn papa “papa, ze hebben me opgepakt… ze willen ons naar Kosovo sturen”… Mijn papa stond in de badkamer en zag de politiemensen niet. Hij riep me toe dat ik hier geen grapjes mocht over maken. Maar toen zag hij plots de agenten en hij raakte in paniek. Door het deurgat zag ik een tweede auto voor onze deur stoppen en twee nieuwe agenten stapten uit. Mijn papa riep dat ze naar buiten moesten, dat hij hen niet binnen had gelaten, hij zei “ jullie maken mijn dochter overstuur”.

De twee andere agenten kwamen binnen maar één van de eerste vroeg hen om buiten te wachten. Toen zei de agent die meestal aan het woord was kwaad tegen mijn vader, “uw dochter heeft ons vriendelijk binnen gelaten en wij hebben haar vriendelijk begeleid”. Ik was bang dat ze mijn papa bruut zouden aanpakken en vroeg hem om gewoon te doen wat ze vroegen omdat het anders misschien helemaal fout liep. Mijn papa zag hoe bezorgd ik was en gaf toe. De agent herhaalde “we hebben het bevel gekregen om jullie op te pakken”. Mijn vader antwoordde “ ik weet het, jullie doen ook maar jullie werk”. We kregen de kans om nog wat kleren te pakken en moesten dan mee naar het politiebureau. Het was 9h45 in de ochtend en mijn leven stond op zijn kop.

In het politiebureau werden ons vragen gesteld over ons registernummer, of en hoeveel geld we op zak hadden en er werd ons gevraagd of we nog iets wilden ophalen thuis omdat wij niet zo ver van het politiebureau wonen. Toen ik vroeg of we de lader van mijn gsm konden ophalen werd er plots gezegd dat daar geen tijd meer voor was. Dat we dringend moesten vertrekken naar een “gesloten woning”. Ik begreep toen dat ze me dingen vertelden om me gerust te stellen maar dat ik niet alles zo maar mocht geloven.

Het was een maandag en die maandag namen ze mij en mijn papa mee naar een onbekende bestemming. Elk in een aparte auto, papa in een lichtbruine en ik in een grijze auto. Mijn papa reed met drie agenten mee, ik met twee mannelijke agenten.

Ik zag dat de agenten een riem met een pistool droegen. En dat maakte me bezorgd. Ik was bang dat mijn papa zou panikeren en proberen te ontsnappen. En dat de agenten hem dan zouden neerschieten.

In het begin veegde ik mijn tranen weg want die bleven maar komen. Ik luisterde stilletjes naar het gesprek van de agenten. Ze spraken over hun verlof en hoe hun vakantie geweest was. Ik vond het moeilijk om hen zo te horen vertellen terwijl ik niet wist wat er met me zou gebeuren. Zou ik na de “vakantie” terug naar school kunnen gaan?

Eén van de agenten vroeg of ik gitaar speelde. Ik vertelde hem dat ik het aan het leren ben en dat ik graag met vrienden een bandje wilde oprichten om samen muziek te maken. En dat mijn hobby zingen is. De agent in de passagiersstoel zei toen “wel, nu heb je tijd om te zingen, je hebt nu tijd genoeg”. Ook al bedoelde hij het goed, het kwam pijnlijk over voor mij. Toen volgde er een lange stilte, ik vroeg me af waar wij zouden terecht komen en ik probeerde mijn steeds nieuwe tranen tegen te houden. Ik dacht aan mijn kat die ik had moeten achterlaten en dwong mezelf niet te vergeten mijn broer op te bellen.

Toen ik hen vroeg of ze nooit bang waren om mensen neer te schieten zeiden ze dat ze daar genoeg op getraind waren en vertrouwen hadden in hun instinct. Dus “hou je maar gedeisd” zei de agent naast de bestuurder. Ik kreeg opnieuw het gevoel dat ik een crimineel was. Nochtans weet ik zeker dat ik niets misdaan heb.

Omdat we door files vertraging opliepen gebruikten de agenten de sirenes en reden we langs de pechstrook en door wegversperringen. Ze wilden de gesloten woning sneller bereiken. Ik zei dat ik het niet erg vond om wat langer in de auto te zitten, de bestuurder fronste. Hij leek er niet veel van te begrijpen. En ik nam het hem ook niet kwalijk. Het was ook niet zijn toekomst die overhoop lag. Hij had me verteld dat hij geen kinderen had. De andere agent bleek wel kinderen te hebben en zei dat hij het wel begreep. “Ze wil graag bij ons blijven omdat ze niet naar de gesloten woning wil”. En dat was ook zo…

Toen we ter plaatse kwamen werden we nors en streng verwelkomd. We werden naar een woning gebracht die we niet mochten verlaten zonder toestemming te vragen. De twee dames die voor deze instelling werken zouden ons later informatie geven. Ik rende naar boven en keek door een dakraam naar buiten en zag de 5 politieagenten met de dames praten. Plots drong alles helemaal tot me door. Hier werden wij geïsoleerd. Weg van alles en iedereen. Niemand wist waar we naartoe waren gebracht. En wat nu?

Ik ben ingestort en heb heel hard gehuild. Ik vergeet dit moment nooit meer. Ik besefte dat ik nooit meer mensen 100% zou kunnen vertrouwen. Ik dacht de deur te openen voor mijn papa en bleek de deur te hebben geopend voor mijn grootste nachtmerrie.

En waarom? Wat heb ik misdaan? Ik ben een meisje van 16 en ik woon 16 jaar in dit land. Ik ken niks anders. Ik ga hier naar school, ben volledig geïntegreerd, net zoals mijn ouders. Ik ben nooit in het land van herkomst van mijn ouders geweest. In België voel ik me thuis. Maar België wil mij niet.

De politieagenten keken nog één keer naar boven en zagen me door het raam naar hen kijken. En toen draaiden ze zich om en gingen naar hun auto’s. Ik wilde hen toeroepen dat ze me hier niet konden achterlaten maar besefte dat het geen zin had. Ik was niet meer vrij. En mijn papa ook niet. We waren bang. Ik probeerde mezelf te vermannen en dacht “er zijn kinderen zoals ik of jonger die niet eens een dak boven hun hoofd hebben”.

Twee werknemers van de gesloten woning kwamen langs om ons de regels uit te leggen. Ze praatten heel langzaam omdat ze ervan uitgingen dat we hen amper konden begrijpen. Ik antwoordde en ze schrokken dat ik gewoon goed Nederlands spreek. Zij konden niet weten dat Nederlands eigenlijk mijn “moedertaal” is.

Eén van de regels die we moesten respecteren is dat we geen pers naar de instelling mochten halen. Deden we dit wel dan zouden we worden gestraft. Er stond een tv in de kamer maar de kabels waren doorgeknipt. Mijn vader vroeg of we wel tv mochten kijken. De strenge dame zei “het is de bedoeling dat jullie worden teruggestuurd naar jullie thuisland, dit is geen luxehotel.” “Terugkeren naar jullie thuis”? “Thuis” is België voor mij. Waarom moet ik “terug” naar een plek die ik niet ken, met een taal die ik niet versta?

Ik trok me terug en voelde een woede opkomen. Ik ben toch niet geboren als “illegaal”? Ik heb hier niet voor gekozen. Mijn ouders zijn gevlucht voor een oorlogssituatie en het naoorlogse geweld en de armoede. Ik was 4 maanden oud toen ik in België ben toegekomen. Ik heb nooit luxe gekend. Mijn ouders zijn correcte, eerlijke mensen. Zij hebben altijd hard gewerkt, ze kregen nooit één boete. We hebben veel onzekerheid gekend en leefden van dag tot dag. Ik heb me volledig ingezet op school en heb met niemand problemen gehad, integendeel. Ik heb zo mijn best gedaan om hier thuis te horen, te zijn zoals iedereen.

Ik heb 16 jaar doorgebracht als “Belg op proef”, en nog ben ik niet geslaagd. Ik heb niks misdaan en toch ben ik niet gewenst. Ik voel me draaierig en wil maar één ding: slapen. Niet meer moeten denken.

Ik wou dat ik wakker kon worden uit deze nachtmerrie en beseffen dat het maar een nare droom was…

D.

dagelijkse newsletter

take down
the paywall
steun ons nu!